Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
KG 04/933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veenhuis Machines B.V. is rechthebbende op twee Nederlandse octrooien (nr. 192183 en nr. 1 011 803) en een Europees octrooi (nr. 1 044 592) betreffende machines voor het bemesten met (vloeibare) mest en is daarnaast rechthebbende op een Benelux-beeldmerk dat is ingeschreven voor onder meer landbouwmachines. Veenhuis vervaardigt en verhandelt een professionele zodenbemester, Euroject 300, en heeft in 2003 een dergelijke machine geleverd aan Vreba Equipment. Vreba Equipment heeft vervolgens in 2004 bij een ander bedrijf een zodenbemester doen vervaardigen die verkocht en geleverd is aan een loonwerkersbedijf. Deze zodenbemester is voorzien van uitstroomrubbers met het beeldmerk van Veenhuis. Veenhuis vordert dat Vreba zal worden verboden om jegens Veenhuis onrechtmatig te handelen door het slaafs (laten) nabootsen van de zodenbemester van Veenhuis; dat gedaagden zullen worden verboden inbreuk te maken op de Nederlandse octrooien van Veenhuis; dat gedaagden zullen worden verboden om inbreuk te maken op het Benelux-merk van Veenhuis.

Voorzover haar vordering is gegrond op het Nederlands octrooi nr. 192183 is Veenhuis niet ontvankelijk, omdat zij in gebreke is gebleven dit octrooi volledig over te leggen. De inbreukvordering met betrekking tot het Nederlands octrooi 1 011 803 wordt afgewezen. Er is geen sprake van middelijke inbreuk. De vordering terzake van beweerde merkinbreuk is niet toewijsbaar. Het merkrecht van Veenhuis met betrekking tot de uitstroomopeningen is uitgeput omdat de betreffende uitstroomopeningen als onderdeel voor zodenbemesters met toestemming van Veenhuis op rechtmatige wijze in het verkeer zijn gebracht. Ook de vordering met betrekking tot slaafse nabootsing wordt niet toegewezen. Enerzijds zijn er wel verschillen aan te wijzen tussen de zodenbemester van Veenhuis en de door Vreba geleverde zodenbemester, anderzijds kan niet op voorhand worden aangenomen dat vele van de overeenkomstige trekken niet te maken hebben met technische vereisten die aan dergelijke machines worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer KG 04/933

Datum vonnis: 19 oktober 2004

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht • Voorzieningenrechter

VONNIS IN KORT GEDING

gewezen in de zaak rolnummer KG 04/933

van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEENHUIS MACHINES B.V.,

gevestigd te Raalte,

eiseres,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. B.J. Berghuis van Woortman te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VREBA EQUIPMENT ,

gevestigd en kantoorhoudende te Vredepeel, gemeente Venray ,

gedaagde,

procureur: mr. A. de Gier,

advocaat: mr. L. Ritzema te Eindhoven,

2. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3], vennoot van gedaagde sub 2,

4. [gedaagde sub 4], vennoot van gedaagde sub 2,

gevestigd respectievelijk wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagden,

in persoon verschenen,

gemachtigde: mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Venlo.

Overwegingen ten aanzien van het verloop van het geding:

Eiseres -hierna ook: Veenhuis- heeft gedaagden -waarvan gedaagde sub 1 hierna ook: Vreba zal worden genoemd en gedaagden sub 2, 3 en 4 gezamenlijk: [gedaagden sub 2,3 en 4]- doen dagvaarden om te verschijnen ter terechtzitting in kort geding van 5 oktober 2004.

Ter zitting heeft de raadsman van Veenhuis de vordering toegelicht aan de hand van pleitnotities en producties. Vreba en [gedaagden sub 2,3 en 4] hebben verweer gevoerd bij monde van hun raadsvrouwe respectievelijk gemachtigde, die daarbij ieder voor zich eveneens een pleitnota met producties hebben gehanteerd.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd onder overlegging van de stukken, de pleitnota's daaronder begrepen.

Overwegingen ten aanzien van het recht:

De feiten

1. In dit kort geding kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

a. Veenhuis is rechthebbende op het Nederlands octrooi nr. 192183, haar op basis van een aanvrage d.d. 11 juli 1990 met dagtekening 4 maart 1997 verleend voor een Inrichting voor het in de bodem, in het bijzonder grasland, brengen van vloeibare mest.

b. Veenhuis is voorts rechthebbende op het Europees octrooi nr. 1 044 592, waarvan de verlening is gepubliceerd op 16 juni 2004. Dat octrooi heeft betrekking op een Device and method for manuring land.

c. Veenhuis is bovendien rechthebbende op het Nederlands octrooi nr. 1 011 803, haar op basis een aanvrage d.d. 15 april 1999 met dagtekening 17 oktober 2000 verleend voor een Inrichting en werkwijze voor het bemesten van land. Conclusie 1 van dat octrooi luidt als volgt:

Inrichting voor het bemesten van land, voorzien van een houder voor in hoofdzaak vloeibare mest, een toevoerleiding voor het toevoeren van de mest uit de houder naar een verdeelinrichting en een aantal afvoerleidingen voor het afvoeren van de mest uit de verdeelinrichting naar verscheidene uitlaatopeningen, welke verdeelinrichting is voorzien van een behuizing die aan een zijde begrensd is door een vlakke wand waarin gaten zijn aangebracht waarop de afvoerleidingen aansluiten, in welke behuizing een roteerbaar snijorgaan met messen aanwezig is dat in een vlak evenwijdig aan de vlakke wand kan roteren zodat de messen langs de gaten bewegen, met het kenmerk, dat een of meer van de messen verwijderbaar zijn zonder het snijorgaan uit de behuizing te verwijderen en dat elk mes in tenminste twee standen aan het snijorgaan bevestigbaar is, zodat de snijrand van het mes op meerdere plaatsen kan worden gebruikt.

d. Veenhuis is daarnaast rechthebbende op een Benelux-beeldmerk met daarin de letters VMR. Dat merk is na een depot d.d. 5 juli 2000 ingeschreven voor goederen en waren in (onder meer) de klasse 7 (landbouwmachines).

e. Veenhuis vervaardigt en verhandelt onder de naam Euroject 300 een professionele zodenbemester, bestemd voor de moderne veehouderij. Veenhuis heeft begin 2003 een dergelijke machine (hierna ook te noemen: de zodenbemester van Veenhuis) geleverd aan Vreba.

f. Vreba heeft in januari 2004 bij het bedrijf Peeters landbouwmachines B.V. een zodenbemester doen vervaardigen. Die machine heeft zij vervolgens verkocht en geleverd aan [gedaagden sub 2,3 en 4]. Deze is de door Vreba geleverde zodenbemester gaan gebruiken bij de uitoefening van zijn loonwerkersbedrijf.

g. Op 16 juli 2004 heeft Veenhuis onder [gedaagden sub 2,3 en 4] beslag doen leggen op de door Vreba geleverde zodenbemester in verband met een gestelde inbreuk op octrooirechten van Veenhuis.

h. De door Vreba geleverde zodenbemester is voorzien van uitstroomrubbers waarop het hiervoor onder d. genoemde beeldmerk is afgebeeld. Die uitstroomrubbers waren door de fabrikant van de door Vreba geleverde zodenbemester betrokken van een officiële dealer van machines van Veenhuis en daarbij behorende onderdelen.

De vordering, de grondslag daarvoor en het verweer

2. Veenhuis vordert (samengevat):

* dat Vreba zal worden verboden om jegens Veenhuis onrechtmatig te handelen door het slaafs (laten) nabootsen van de zodenbemester van Veenhuis;

* dat gedaagden zullen worden verboden inbreuk te maken op de Nederlandse

octrooien nrs. 192183 en 1 011 803;

* dat gedaagden zullen worden verboden om inbreuk te maken op het Benelux-merk van Veenhuis;

* één en ander met nevenvorderingen, waaronder een recall en een voorschot op schadevergoeding.

3. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt Veenhuis aan die vordering ten grondslag dat de door Vreba geleverde zodenbemester inbreuk maakt op de Nederlandse octrooien van Veenhuis. Bovendien geldt die machine als een slaafse nabootsing van de zodenbemester van Veenhuis. Tenslotte wordt, door gebruikmaking van de uitstroomrubbers met daarop het merk van Veenhuis, inbreuk gemaakt op het merkrecht van Veenhuis.

4. Ter zitting heeft Veenhuis buiten bezwaar van gedaagden mede het onder 1 sub b. genoemde Europees octrooi aan haar vordering ten grondslag gelegd, overigens zonder haar eis te wijzigen c.q. vermeerderen in die zin dat zij tevens een veroordeling vraagt om op dat octrooi inbreuk te maken.

5. Gedaagden hebben tegen de vordering van Veenhuis gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voorzover van belang, in het onderstaande nader worden ingegaan.

Beoordeling van het geschil

Nederlands octrooi nr. 192183

6. Veenhuis is in gebreke gebleven dit octrooi volledig over te leggen, nu in de aan de voorzieningenrechter en aan de wederpartij overgelegde exemplaren daarvan een blad met tekeningen ontbreekt. Veenhuis heeft dat blad ter zitting alsnog willen overleggen, doch daartegen heeft Vreba bezwaar gemaakt, zodat dit niet is toegestaan. Het gevolg is dat Veenhuis niet ontvankelijk is voor zover zij haar vordering heeft gegrond op dit octrooi.

Europees octrooi nr. 1 044 592

7. Veenhuis is in gebreke gebleven een vertaling van dit octrooi over te leggen hoewel die vertaling, naar Veenhuis ter zitting heeft erkend, wel is ingediend bij het Bureau voor de Industriële Eigendom. Reeds daarom kan Veenhuis niet worden ontvangen in haar vordering, voor zover zij daaraan het Europees octrooi ten grondslag heeft gelegd, nog daargelaten dat zij op die grondslag überhaupt geen verbodsvordering heeft gebaseerd.

Nederlands octrooi nr. 1 011 803

8. Gedaagden hebben betwist dat de door Vreba geleverde zodenbemester inbreuk maakt op de door Veenhuis ingeroepen conclusie 1 van dit octrooi. Dat verweer is, voorshands oordelend, gegrond. Vast staat dat de door Vreba geleverde zodenbemester ten tijde van de inbeslagname door Veenhuis niet voorzien was van verwijderbare messen als genoemd in het kenmerk van conclusie 1, zodat de door Vreba geleverde zodenbemester niet aan die conclusie voldoet. De op zich tussen partijen vaststaande omstandigheid dat die machine is voorzien van gaten waarin eventueel dergelijke verwijderbare messen kunnen worden geplaatst betekent, anders dan Veenhuis heeft betoogd, nog niet dat daarmee onontkoombaar sprake is van middellijke inbreuk. De inbreukvordering zal dan ook worden afgewezen.

Merkinbreuk

9. Voor zover de vordering van Veenhuis betrekking heeft op merkinbreuk is de voorzieningenrechter bevoegd daarvan kennis te nemen gelet op de samenhang van die vordering met de overige vorderingen.

10. Gedaagden hebben aangevoerd dat het merkrecht van Veenhuis met betrekking tot de uitstroomopeningen is uitgeput. Dat verweer komt voorshands gegrond voor, nu vaststaat dat de betreffende uitstroomopeningen als onderdeel voor zodenbemesters met toestemming van Veenhuis op rechtmatige wijze in het verkeer zijn gebracht. Van gegronde redenen voor Veenhuis om zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de betreffende onderdelen, voorzover al van een dergelijke verdere verhandeling sprake is geweest, is voorshands onvoldoende gebleken.

11. De vordering terzake van beweerde merkinbreuk is derhalve niet toewijsbaar.

Slaafse nabootsing

12. Ook deze vordering kan niet worden toegewezen. In het kader van dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat aan de (zware) eisen om de vordering van Veenhuis op deze grondslag toe te wijzen is voldaan. Daarbij geldt enerzijds dat er wel dergelijke verschillen tussen de zodenbemester van Veenhuis en de door Vreba geleverde zodenbemester zijn aan te wijzen, en anderzijds dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat vele van de overeenkomstige trekken niet te maken hebben met technische vereisten welke aan dergelijke machines worden gesteld.

Slotsom

13. Nu alle door Veenhuis aangevoerde grondslagen ongenoegzaam zijn bevonden, zal het gevorderde worden afgewezen, met veroordeling van Veenhuis als de in het ongelijk gestelde partij in de op deze procedure vallende kosten.

BESLISSING:

De voorzieningenrechter:

VERKLAART Veenhuis NIET ONTVANKELIJK voor zover de vordering is gegrond op het Nederlands octrooi nr. 192183 en het Europees octrooi nr. 1 044 592;

WIJST de vordering voor het overige AF;

VEROORDEELT Veenhuis in de op deze procedure vallende kosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vreba begroot op € 241,-- aan verschotten en € 703,-- aan procureurssalaris en aan de zijde van [gedaagden sub 2,3 en 4] begroot op € 241,-- aan verschotten en € 703,-- aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door mr. J.W. du Pon en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.