Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4398

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2004
Datum publicatie
19-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/20189
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / zicht op uitzetting.

Eiseres stelt dat zicht op uitzetting ontbreekt, de bewaring om die reden dient te worden opgeheven en dat de tenuivoerlegging van de bewaring in strijd is met de wettelijke regels. De Unit Facilitering Terugkeer heeft op 13 april 2004 bericht dat de aanvraag tot afgifte van een laissez-passer onjuist en onvolledig was ingevuld en dat met name adresgegevens ontbraken. Eiseres is opnieuw gehoord en zij heeft daarbij geen nadere gegevens verstrekt. Verweerder heeft aangegeven dat eiseres regelmatig zal worden gehoord teneinde haar te bewegen tot het verstrekken van nadere informatie. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat er geen zicht is op uitzetting of dat verweerder onvoldoende voortvarend zou handelen. Ten aanzien van de tenuitvoerlegging stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van enige grond op basis waarvan eiseres gehouden kan worden om in weerwil van de artikelen 5 en 7 Reglement regime grenslogies van 12.00 uur tot 13.00 uur en van 17.15 uur tot 22.00 uur op haar kamer te verblijven. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Reglement regime grenslogies
Reglement regime grenslogies 4
Reglement regime grenslogies 5
Reglement regime grenslogies 7
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/484

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 04/20189 VRONTN

inzake: A, geboren op […] 1965, dan wel A, geboren op […] 1967, van Chinese nationaliteit, verblijvende in het detentiecentrum Zeist te Soesterberg, eiseres,

gemachtigde: mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.Nardelli, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Op 4 februari 2004 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in bewaring gesteld. Laatstelijk bij uitspraak van 2 april 2004 met nummer AWB 04/12463 VRONTN heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen de bewaring ongegrond verklaard.

2. Bij kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 van 29 april 2004, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming. Hiermee wordt eiseres geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 7 mei 2004. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. Bij beslissing van 10 mei 2004 heeft de rechtbank het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 Awb en heeft zij verweerder aanvullende vragen gesteld. Bij brief van 17 mei 2004 heeft verweerder de gestelde vragen schriftelijk beantwoord. Bij brief van 19 mei 2004 heeft eiseres gereageerd. Gelet op de door partijen schriftelijk gegeven toestemming, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens op 24 mei 2004 het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Eiseres heeft ter zitting – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiseres stelt dat ieder zicht op uitzetting ontbreekt en dat de bewaring om die reden dient te worden opgeheven.

Voorts heeft eiseres, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittings-plaats Alkmaar, van 5 april 2004 (AWB 04/9567), betoogd dat de wijze waarop de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in strijd is met de terzake geldende wettelijke regels. In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat zij van 17.15 uur tot 08.15 uur wordt ingesloten op haar kamer met meerdere andere vrouwen en dat haar op deze wijze beperkingen in haar bewegingsvrijheid worden opgelegd die niet kunnen worden gerechtvaardigd. Verder vindt eiseres dat onvoldoende gelegenheid wordt geboden tot een zinvolle dagbesteding. De bewaring moet ook om deze reden worden opgeheven, althans moet de tenuitvoerlegging worden gewijzigd, aldus eiseres.

2. Verweerder heeft ter zitting – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verweerder meent dat voldoende voortvarend wordt gehandeld en zicht op uitzetting bestaat. Daartoe heeft verweerder gewezen op het feit dat eiseres onvoldoende gegevens verstrekt om een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer te kunnen indienen bij de Chinese autoriteiten en met name niet vermeldt uit welke provincie zij afkomstig is en wat haar adres is. Verweerder zal eiseres op korte termijn opnieuw horen teneinde eiseres ertoe te bewegen alsnog haar medewerking te verlenen aan het onderzoek.

Daarnaast heeft verweerder uiteengezet dat de tenuitvoerlegging voldoet aan de daaraan te stellen eisen en met name aan het bepaalde in het Reglement regime grenslogies.

3. Ten aanzien van de voortgezette toepassing van de maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

4. Ter beoordeling staat of verweerder sinds de uitspraak van deze rechtbank van 2 april 2004 het onderzoek inzake de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiseres met voldoende voortvarendheid heeft voortgezet en of er zicht is op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn.

Uit de voortgangsrapportage van 28 april 2004 blijkt dat de Unit Facilitering Terugkeer op 13 april 2004 heeft bericht dat de aanvraag tot afgifte van een laissez-passer onjuist en onvolledig was ingevuld en dat met name adresgegevens ontbraken. Blijkens een proces-verbaal van 20 april 2004 is eiseres opnieuw gehoord en heeft zij daarbij gesteld geen nadere gegevens te kunnen verstrekken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiseres regelmatig zal worden gehoord teneinde haar te bewegen tot het verstrekken van nadere informatie. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat er geen zicht is op uitzetting of dat verweerder onvoldoende voortvarend zou handelen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat vooralsnog niet is gebleken dat geen laissez-passer zal kunnen worden verkregen van de Chinese autoriteiten en dat voor risico van eiseres dient te blijven dat de bewaring voortduurt door een gebrek aan medewerking van haar kant.

5. Uit het voorgaande volgt dat de voortduring van de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is te achten met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

6. Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

7. De rechtbank volgt verweerder in de stellingname dat op het gedeelte van het detentiecentrum Zeist waar eiseres verblijft het Reglement regime grenslogies (Stb. 1993, nr.45, zoals nadien gewijzigd, hierna: het Reglement) van toepassing is, nu blijkens het door verweerder overgelegde besluit van 28 november 2003 het betreffende gedeelte van het detentiecentrum is aangewezen als een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Vw 2000 en bij het Reglement regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats geldende regime.

8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Reglement wordt de vreemdeling aan geen andere beperkingen onderworpen dan die volstrekt noodzakelijk zijn om zijn verblijf in het grenslogies te verzekeren alsmede om de veiligheid en de orde aldaar te handhaven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement is de vreemdeling, met inachtneming van de beperkingen en de bevelen ingevolge artikel 4, bevoegd zich binnen het grenslogies vrij te bewegen.

Artikel 7, eerste lid, van het Reglement luidt als volgt:

“De vreemdeling wordt ondergebracht individueel of in een groep, waarvan de directeur de samenstelling bepaalt. Aan elke vreemdeling of groep van vreemdelingen wordt een verblijfsruimte toegewezen.

Gedurende de voor de nachtrust bestemde uren is de vreemdeling gehouden in de aan hem of aan de groep waartoe hij behoort toegewezen ruimte te verblijven.”

9. In de Nota van Toelichting behorend bij het Reglement (Stb. 1993, 45) wordt onder meer het volgende vermeld:

“De rechten van vreemdelingen die in het grenslogies worden geplaatst mogen slechts worden beperkt voor zover dit noodzakelijk is om hun verblijf aldaar te verzekeren alsmede om de veiligheid en de orde aldaar te handhaven. Dit uitgangspunt is weergegeven in artikel 4, eerste lid.

(…)

De toewijzing van een verblijfsruimte aan de vreemdeling of groep van vreemdelingen beperkt niet hun bewegingsvrijheid tot de aan hen toegewezen ruimte. De interne bewegingsvrijheid wordt slechts beperkt voorzover dit in het belang van een ordelijke gang van zaken noodzakelijk is. Hieronder vallen ook maatregelen in het belang van de gezondheid van vreemdelingen, zoals voorzorgsmaatregelen in verband met besmettelijke ziektes. Het ligt voor de hand dat de vreemdelingen gedurende de voor de nacht bestemde uren in de aan hen toegewezen ruimte verblijven. Deze beperking is niet alleen wenselijk vanuit het orde-perspectief, maar ook met het oog op de privacy-bescherming van de vreemdeling.”

10. Uit eerdergenoemde brief van verweerder van 17 mei 2004 blijkt dat eiseres op 16 februari 2004 in het detentiecentrum Zeist is geplaatst en dat aldaar als regime een dagprogramma wordt gehanteerd dat met zich meebrengt dat eiseres dagelijks tussen 12.00 uur en 13.00 uur, alsmede tussen 17.15 uur en 08.15 uur op haar kamer/cel dient te verblijven met drie andere vrouwen.

11. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van het Reglement, mede bezien in het licht van de Nota van Toelichting, volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat eiseres bevoegd is zich binnen het detentie-centrum vrij te bewegen en dat haar aldaar een zo groot mogelijke bewegingsvrijheid moet worden gegund. Voorts vloeit uit artikel 7 van het Reglement voort dat eiseres slechts gedurende de voor de nachtrust bestemde uren kan worden gehouden in de aan haar toegewezen ruimte te verblijven. Een redelijke uitleg van het begrip “voor de nachtrust bestemde uren” brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiseres in beginsel in ieder geval niet gehouden kan worden om vóór 22.00 uur en ná 08.15 uur op haar kamer/cel te verblijven.

De beperking van de bewegingsvrijheid van eiseres, voor zover zij gehouden wordt om ook van 17.15 uur tot 22.00 uur en van 12.00 uur tot 13.00 uur op haar kamer te verblijven, kan derhalve slechts gegrond worden op het feit dat zulks volstrekt noodzakelijk is om haar verblijf in het detentiecentrum te verzekeren dan wel om de veiligheid en orde aldaar te handhaven, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Reglement. Verweerder heeft in zijn brief van 17 mei 2004 weliswaar gesteld dat eiseres aan geen andere beperkingen wordt onderworpen dan volstrekt noodzakelijk is, maar die stelling is niet op enigerlei wijze onderbouwd of toegelicht aan de hand van concrete feiten of omstandigheden. Verweerder heeft ermee volstaan op te merken dat personeelsproblemen geen rol spelen bij het regime, zonder daarbij aan te geven of, en zo ja welke beheersmatige, op de verzekering van het verblijf of de veiligheid en orde gerichte maatregelen volstrekt noodzakelijk maken dat eiseres aan de onderhavige beperking van haar bewegingsvrijheid wordt onderworpen. De rechtbank moet derhalve vaststellen dat niet is gebleken van enige rechtens relevante grond op basis waarvan eiseres gehouden kan worden om – in weerwil van de artikelen 5 en 7 van het Reglement – van 12.00 uur tot 13.00 uur en van 17.15 uur tot 22.00 uur op haar kamer/cel te verblijven. Gelet hierop is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat het regime in het detentiecentrum Zeist niet voldoet aan het Reglement en dat de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd komt met de artikelen 4, 5 en 7 van dat Reglement.

12. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de enkele omstandigheid dat het regime niet voldoet aan het Reglement niet meebrengt dat de vrijheidsontnemende maatregel reeds daarom onrechtmatig ten uitvoer is gelegd (ABRS 14 augustus 2003, 200303797/1, JV 2003/443). De strijdigheid met het Reglement maakt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel eerst onrechtmatig, indien de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat eiseres vanaf 16 februari 2004 de in geding zijnde beperkingen in haar bewegingsvrijheid zijn opgelegd en dat deze situatie ten tijde van de behandeling ter zitting 82 dagen duurde. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de met de maatregel gediende belangen niet opwegen tegen het gedurende een dergelijke periode opleggen aan eiseres van vrijheidsbeperkingen waarvan de noodzaak niet is gebleken en die in strijd moeten worden geacht met het Reglement. Nu eiseres zich eerst ter zitting van 7 mei 2004 op de onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging heeft beroepen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel al eerder dan 7 mei 2004 onrechtmatig ten uitvoer is gelegd. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres geen schadevergoeding heeft gevraagd, zodat ook niet valt in te zien welk belang eiseres kan hebben bij de vaststelling dat de tenuitvoerlegging reeds eerder onrechtmatig is geworden. De wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel is derhalve met ingang van 7 mei 2004 bij afweging van de daarbij thans betrokken belangen in redelijkheid niet meer gerechtvaardigd en onrechtmatig.

13. Het beroep dient dus gegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank ziet gezien het voorafgaande grond een wijziging van de tenuitvoerlegging te bevelen, in die zin, dat eiseres overeenkomstig artikel 7 van het Reglement slechts gedurende de voor de nachtrust bestemde uren, te weten van 22.00 uur tot 08.15 uur, kan worden gehouden in de aan haar toegewezen kamer/cel te verblijven. Verweerder dient uiterlijk drie werkdagen na verzending van deze uitspraak tot een dienovereenkomstige wijziging van de tenuitvoerlegging over te gaan.

15. Voor zover eiseres tevens heeft beoogd te stellen dat de wijze van tenuitvoerlegging eveneens onrechtmatig is vanwege het gebrek aan dagbesteding, overweegt de rechtbank dat dit betoog geen betrekking heeft op de vrijheidsontneming als zodanig noch op een beperking van de bewegingsvrijheid, en dat in dit verband ook niet is gebleken van schending van enige concrete norm in het van toepassing zijnde Reglement, de Vw 2000 of het Vreemdelingenbesluit 2000. Alleen al op die grond ziet de rechtbank geen reden de tenuitvoerlegging in zoverre onrechtmatig te achten. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging. Voorts overweegt de rechtbank dat in het Reglement de mogelijkheid is neergelegd voor de vreemdeling om zich met iedere grief of klacht aangaande zijn verblijf tot een commissie van toezicht te wenden en eiseres ten aanzien van een klacht over dagbesteding deze specifieke en daartoe geëigende procedure dient te volgen. Overigens merkt de rechtbank nog op dat niet valt in te zien dat middels een bevel tot wijziging van de tenuitvoerlegging thans gestalte zou kunnen worden gegeven aan een door eiseres gewenste of voor verweerder uitvoerbare vorm van dagbesteding.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding, nu daartoe geen verzoek is gedaan.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, welke zijn begroot op € 644,00 als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt een wijziging van de tenuitvoerlegging als hiervoor onder overweging 14 aangegeven;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2004 door mr. P.J. Jansen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H. Jansen als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 27 mei 2004