Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4385

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
24-01-2005
Zaaknummer
AWB 03/5503 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft verweerder de uitkering die eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, met ingang van 17 juni 2003 herzien en berekend naar een arbeids-ongeschiktheidspercentage van 55-65%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 03/5503 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 22 april 2003 heeft verweerder de uitkering die eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, met ingang van 17 juni 2003 herzien en berekend naar een arbeids-ongeschiktheidspercentage van 55-65%.

Bij besluit van 11 november 2003 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 17 december 2003, ingekomen bij de rechtbank op 18 december 2003 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 16 augustus 2004 ter zitting behandeld.

Eiseres is niet verschenen (met bericht).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent.

Motivering

Eiseres ontving voorafgaand aan het bij bestreden besluit gehandhaafde besluit een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 % tot 100 %.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 17 juni 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 64,97 %.

De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door de verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht. Tevens heeft deze arts informatie ingewonnen bij de behandelende sector en deze informatie (na)beschouwd.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts aan de hand van de door eiseres naar voren gebrachte medische bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft eiseres gezien tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2003 en heeft verder afgezien van lichamelijk onderzoek, hetgeen de rechtbank in dit geval aanvaardbaar oordeelt. Tevens heeft deze arts informatie ingewonnen bij de behandelende sector.

Uit deze onderzoeken zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiseres geldende beperkingen te kunnen komen.

Dat de verzekeringsarts, met medeweging van de informatie van de behandelend neuroloog, tot een ander oordeel komt dan eiseres voorstaat, maakt die eerste nog niet vooringenomen. Daarbij is zijn oordeel later onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts. Evenmin zijn er andere feiten of omstandigheden gebleken waaruit vooringenomenheid van de beide verzekeringsartsen of anderszins onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek kan worden afgeleid.

Eiseres heeft voorts in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. De enkele mededeling van behandeld pscycholoog Ritter dat er geen aanleiding is de vermoeidheid aan andere factoren dan de –ook door de verzekeringsartsen onderkende– ziekte MS te koppelen is daarvoor onvoldoende. De conclusie van de behandelend neuroloog over eiseres’ reistijd wordt door de bezwaarverzekeringsarts terecht niet ten grondslag gelegd aan het belastbaarheidspatroon. In dit geval blijkt niet van een beperking om te reizen, zodat reistijd niet bij vaststelling van het belastbaarheidspatroon of bij de selectie van geschikte functies betrokken kan worden. Ook de onjuistheid van de vastgestelde medische urenbeperking wordt niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven.

Mede in verband hiermee heeft de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk geacht.

De rechtbank stelt voorts vast dat de omschrijvingen van de geduide functies medewerker bank, bode-bezorger (kantoor) en verkoper winkel passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon.

Uit de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting blijkt het volgende. Aangezien bij rangschikking naar hoogste loonwaarde –met verdiscontering van de reductiefactor– de eerste drie geduide functies niet de vereiste 30 arbeidsplaatsen zouden omvatten, heeft verweerder de in loonwaarde zevende functie als derde functie geduid. Daarmee werd voorkomen dat het duiden van een vierde functie noodzakelijk was, waardoor de mediane loonwaarde zou zijn gedaald en eiseres daardoor in een hogere arbeidsongeschiktheidscategorie zou zijn gevallen.

De functies van de arbeidsmogelijkhedenlijst, gerangschikt naar loon, met verdiscontering van de reductiefactor, in schema geven het volgende beeld. De drie vetgedrukte functies zijn door verweerder aan de schatting ten grondslag gelegd.

SBC-code Arbplts Med.loon Red.factor

516070 Medewerker bank, kassier bank 10 12,48 0,64

315140 Bode-bezorger (kantoor) 8 11,08 0,61

315120 Telefonist, receptionis, typist 7 9,88 0,64

516190 Bankmedewerker (balie) 8 9,87 0,64

315170 Telefonist, centralist 7 9,01 0,64

315110 Typist, datatypist 9 9,00 0,64

317014 Verkoper winkel 69 7,89 0,64

516180 Acquisiteur (advertenties, reclame) 11 12,04 0,38

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheids-wetten (hierna: het Schattingsbesluit) dient verweerder bij de schatting de arbeid te betrekken waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Verweerder dient de functies dan ook naar hoogste loonwaarde te rangschikken.

Het Besluit uurloonschatting 1999 (BUS) geeft drie stappen waarin de selectie van functies moet plaatsvinden. Aangezien de functies die met de derde stap geselecteerd worden onder de urenbandbreedte van de maatman vallen, hoort bij die functies een reductiefactor.

De reductiefactor kan tot gevolg hebben dat, hoewel een functie met een hoge (absolute) loonwaarde geselecteerd moet worden, de bijbehorende reductiefactor uiteindelijk de resterende verdiencapaciteit aanmerkelijk drukt.

Een strikte hantering van het BUS kan tot gevolg hebben dat functies uit een eerdere stap, maar met een lage loonwaarde geselecteerd moeten worden, terwijl in een latere stap functies zijn te vinden met een hogere loonwaarde, die daarmee een grotere resterende verdiencapaciteit zouden opleveren.

In zijn jurisprudentie heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) gesanctioneerd dat verweerder, zo nodig door af te wijken van de stappenvolgorde van het BUS, functies selecteert die in een zo groot mogelijke resterende verdiencapaciteit resulteren (uitspraak van 21 januari 2003, USZ 2003/100; RSV 2003/101). Om een zo groot mogelijke resterende verdiencapaciteit te kunnen berekenen, is het verweerder eveneens toegestaan om –kort gezegd– op de (absolute) loonwaarde eerst de reductiefactor toe te passen alvorens de functies op volgorde van hoogste loonwaarde te zetten (uitspraak van 25 februari 2002, RSV 2003/102). Een en ander is recentelijk bevestigd in de uitspraak van de Raad van 3 februari 2003, USZ 2004/106.

De jurisprudentie gaat naar het oordeel van de rechtbank echter niet zo ver, dat verweerder af mag wijken van de volgorde van de hoogste loonwaarde –al dan niet na toepassing van de reductiefactor–, zoals die door het Schattingsbesluit wordt gegeven. Een ander uitgangspunt dan dat van de hoogstbelonende functies zou strijd opleveren met het Schattingsbesluit (uitspraak van 21 januari 2003; USZ 2003/100; RSV 2003/101).

In dit geval heeft verweerder de volgorde niet (enkel) laten bepalen door de hoogste loonwaarde na verdiscontering van de reductiefactor, maar (ook) door het aantal arbeidsplaatsen per functiecode. Die handelwijze is dan ook in strijd met het Schattingsbesluit. Dat door selectie aan de hand van de hoogste loonwaarde het vereiste aantal arbeidsplaatsen niet wordt gehaald en een vierde functie geselecteerd moet worden, maakt dat niet anders.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Verweerder zal in de door eiser gemaakte proceskosten worden veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift) 1 punt wordt toegekend.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 11 november 2003, kenmerk Bz.nr. 867012.03;

Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de rechtspersoon UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 31,--, vergoedt;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiseres dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.A.A. Mondt-Schouten en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: