Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4355

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
11-11-2004
Zaaknummer
AWB 02/94270, 03/18126
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / deskundigenadvies / artikel 1F VSV.

Het door verweerder aangehaalde rapport van Amnesty International voldoet niet aan de eisen die de Afdeling stelt aan een deskundigenbericht. In het rapport is niet toegelicht op welke wijze de informatie is vergaard en er kan niet uit worden opgemaakt aan welke normen van betrouwbaarheid de vergaarde informatie beoogd wordt te voldoen. In het stuk is voorts geen, naar het oordeel van de rechtbank althans onvoldoende, melding gemaakt van de geraadpleegde bronnen, terwijl de opsteller van het rapport ook niet heeft verantwoord om welke redenen van bronvermelding kon worden afgezien. Verweerder mocht het rapport niet bij de besluitvorming betrekken dan na het instellen van nader onderzoek naar de wijze waarop de informatie is verkregen dan wel bevestiging van de daarin neergelegde informatie. Nu van een dergelijk onderzoek niet is gebleken heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeks- dan wel vergewisplicht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 02/94270 BEPTDN en AWB 03/18126 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1975, van Iraakse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. C. Piepers-Praagman, advocaat te Hoorn,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Bouma, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 8 december 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. De aanvraag is op grond van artikel 117 Vw 2000 aangemerkt als aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Op 16 oktober 2002 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 14 november 2002 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 20 november 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en heeft verweerder bepaald dat aan eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van tijdsverloop zal worden verleend.

2. Bij beroepschrift van 18 december 2002, aangevuld bij brief van 31 januari 2003, heeft eiser tegen het besluit voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegen het besluit van 20 november 2002, voor zover dat betreft de afwijzing eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen, heeft eiser op 18 december 2002 bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 21 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar van 18 december 2002 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 21 maart 2003, aangevuld bij brief van 29 april 2003, heeft eiser tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

4. Op 16 januari 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Op 1 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Kawahassan, tolk in de Koerdische taal.

6. Op 11 december 2003 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt heropend. Daarbij is bepaald dat verweerder binnen twee weken na ontvangst van eisers reactie kan reageren. Eiser heeft gereageerd bij brief van 6 januari 2004. Verweerder heeft bij brief van 15 januari 2004 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 16 januari 2004 gesloten. Eiser heeft vervolgens bij brief van 19 januari 2004 wederom gereageerd.

II. Asielrelaas

1. Eiser is afkomstig uit Irak. Hij was van augustus 1994 tot 19 augustus 1998 als peshmerga in dienst van de Patriottische Unie van Koerdistan (hierna: PUK). Vanaf 1995 is eiser werkzaam geweest als speciale lijfwacht van secretaris-generaal Jalal Talabani, de leider van de PUK in Noord-Irak. Tijdens de gevechten in Noord-Irak tegen de Iraakse autoriteiten en de KDP in maart 1995 was eiser patrouillecommandant en uit dien hoofde verantwoordelijk voor een eenheid van 12 personen. Eiser was betrokken bij gevechten op diverse plaatsen in Noord-Irak. Bij een aanval op een post in Ban Makan heeft de patrouille van eiser drie mannen gedood. Na de aanval op de post heeft eiser deelgenomen aan een aanval op de commandokazerne. Daarbij zijn honderd doden gevallen. Eiser heeft vervolgens vier dagen in Penjwen gevochten. Eiser was een sluipschutter en beschikte over een speciaal wapen waarmee hij de schutter en verbindingsmensen van de tegenstander onschadelijk moest maken. In zijn functie als lijfwacht van Talabani was eiser getraind in het schieten uit een rijdende auto, omgaan met TNT en in het werken met honden.

Na 31 augustus 1996 werd eiser hoofd van de controlepost. In de uitoefening van zijn functie heeft eiser drie broers gearresteerd. Hij heeft verder nooit arrestaties verricht.

Eiser is op 19 augustus 1998 gevlucht uit Noord-Irak nadat leidinggevenden binnen de PUK hem ervan verdachten geheime informatie via zijn broer te hebben doorgespeeld aan de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP).

III. Standpunten partijen

1. Verweerder stelt zich op grond van het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Gelet hierop en gelet op het bepaalde in artikel 3.107 Vb 2000 komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 Vw 2000.

Gelet op het bepaalde in artikel 3.77, lid 1 onder a, Vb 2000, komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier.

2. Eiser heeft aan het beroep ten grondslag gelegd dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 Vw 2000 en een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag (hierna: Vlv) op eiser van toepassing zou zijn.

IV. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 02/94270 BEPTDN

2. De rechtbank overweegt allereerst dat eisers reactie van 19 januari 2004 niet in de beoordeling van de onderhavige zaak wordt betrokken omdat de rechtbank in de heropeningsbeslissing heeft aangegeven dat het onderzoek na ontvangst van verweerders reactie zou worden gesloten. Eisers brief van 19 januari 2004 gaf geen aanleiding voor de rechtbank om hiervan af te wijken.

3. Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

5. Ingevolge artikel 1, onder l, Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag).

6. Ingevolge artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

7. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 Vw 2000.

8. Ingevolge C1/5.13.3.3 Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F), wordt de "personal and knowing participation test" toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/ de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen. De "personal and knowing participation test" is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus Vc 2000.

9. Niet in geschil is dat dit beleid zich verdraagt met het Vluchtelingenverdrag en niet kennelijk onredelijk is.

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 7 augustus 2003 in zaak nr. 200301812/1, gepubliceerd in JV 2003/435, overweegt de rechtbank dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort en dat die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Dit is niet anders, waar het gaat om de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) Vlv.

11. Verweerder heeft eisers aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen omdat er op grond van eisers verklaringen, in combinatie met het rapport van Amnesty International van 28 februari 1995, de brief van Amnesty International van 7 augustus 1995 aan de Staatssecretaris van Justitie, de Amnesty Jaarboeken 1996 en 1997 en een jaarboek van Human Rights Watch, ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) onder a, b en c Vlv, dit verdrag derhalve niet op hem van toepassing is en aan hem ingevolge artikel 3.107, eerste lid, Vb 2000 evenmin een verblijfsvergunning kan worden verleend op de voet van de onderdelen b, c en d, van het eerste lid van artikel 29 Vw 2000.

12. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser in verband dient te worden gebracht met buitengerechtelijke executies, willekeurige moorden, martelingen, willekeurige arrestaties en detenties nu hij zich daaraan niet heeft schuldig gemaakt. Eiser stelt voorts dat de door verweerder in het besluit aangehaalde stukken - het rapport van Amnesty International van 28 februari 1995, de brief van Amnesty International van 7 augustus 1995 aan de Staatssecretaris van Justitie en de Amnesty Jaarboeken 1996 en 1997 en het rapport van Human Rights Watch - niet zonder goede motivering kunnen worden gebruikt als basis voor het tegenwerpen van artikel 1F Vlv aan eiser. In dat verband wijst eiser er op dat het rapport van 28 februari 1995 ziet op de periode voorafgaand aan dat rapport en dat de brief van 7 augustus 1995 vooral op het rapport van 28 februari 1995 is gebaseerd. Voorts zijn Amnesty rapporten bedoeld om de algemene mensenrechtensituatie in een land te schetsen en kan uit het rapport van 28 februari 1995 niet worden geconcludeerd dat elk lid van de daarin in algemene bewoordingen genoemde groepen waarvan gezegd kan worden dat deze zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen in Iraaks Koerdistan, per definitie schuldig dan wel verantwoordelijk is voor deze misdrijven en derhalve uitgesloten zou moeten worden van vluchtelingrechtelijke bescherming. Ook uit de aangehaalde jaarrapporten van Amnesty International volgt niet dat eiser daarvoor verantwoordelijk is.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het juridisch onhoudbaar is om bij voorbaat en zonder enige andere motivering dan algemene bronnen als ambtsberichten en mensenrechtenrapportages personen individueel verantwoordelijk te houden voor handelingen waar zij wellicht geen enkele invloed op hebben gehad. Uit het dossier van eiser is voorts niet gebleken dat is onderzocht in hoeverre eiser verantwoordelijkheid draagt.

13. Nu het bestreden besluit geen specifieke verwijzingen bevat naar (delen van) de aangehaalde jaarboeken van Amnesty International van 1996 en 1997 of het in het besluit aangehaalde, en overigens onbenoemde, rapport van Human Rights Watch, is de rechtbank van oordeel dat deze stukken aldus niet in redelijkheid hebben kunnen bijdragen aan de vraag of er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F).

14. De vraag of verweerder zich bij de beoordeling van vorenbedoelde vraag in het besluit in redelijkheid heeft kunnen baseren op het rapport van Amnesty International van 28 februari 1995 en de daarop gebaseerde brief van 7 augustus 1995, beantwoordt de rechtbank negatief. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

15. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van informatie uitgaan, indien de informatie, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan de informatie is ontleend, op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

Het door verweerder aangehaalde rapport van Amnesty International van 28 februari 1995 voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze door de Afdeling gestelde eisen. In dat verband is van belang dat in het rapport niet is toegelicht op welke wijze de informatie is vergaard en dat daaruit voorts niet kan worden opgemaakt aan welke normen van betrouwbaarheid met de vergaarde informatie beoogd wordt te voldoen.

In het stuk is voorts geen, naar het oordeel van de rechtbank althans onvoldoende, melding gemaakt van de geraadpleegde bronnen, terwijl de opsteller van het rapport ook niet heeft verantwoord om welke redenen in het onderhavige geval van bronvermelding kon worden afgezien.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat het rapport van Amnesty International van 28 februari 1995 voldoet aan de vereisten van een deskundigenbericht, zodat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de daarin vermelde informatie. Verweerder had dit rapport en de daarop gebaseerde brief van 7 augustus 1995 dan ook niet bij de besluitvorming mogen betrekken dan na het instellen van nader onderzoek naar de wijze waarop de informatie is verkregen dan wel bevestiging van de daarin neergelegde informatie. Nu van een dergelijk onderzoek niet is gebleken is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeks- dan wel vergewisplicht.

Dit klemt te meer nu het aangehaalde rapport louter algemene informatie bevat over gevechtshandelingen waarbij PUK-eenheden betrokken zijn geweest en over het optreden van peshmerga’s.

16. Nu verweerder zich, gelet op het voorgaande, ter onderbouwing van zijn vermoeden dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) Vlv in redelijkheid niet heeft kunnen baseren op de jaarboeken van Amnesty International van 1996 en 1997, het onbenoemde rapport van Human Rights Watch, het rapport van Amnesty International van 28 februari 1995 en de brief van Amnesty International van 7 augustus 1995 aan de Staatssecretaris van Justitie, heeft verweerder met een verwijzing naar deze stukken niet in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser heeft deelgenomen aan gevechten waar mensenrechtenschendingen plaatsvonden, noch dat eiser binnen de organisatie van de PUK een plaats heeft ingenomen op basis waarvan geconcludeerd dient te worden dat hij wist of behoorde te weten dat hij deelnam aan een organisatie die zich schuldig maakte aan mensenrechtenschendingen.

17. Voor zover verweerder het ernstig vermoeden dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen heeft gebaseerd op eisers verklaringen over de arrestatie van drie broers in augustus 1996 overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij een van de broers heeft geslagen en de broers heeft gedreigd hen, tenzij zij zouden bekennen, naar een gevangenis te sturen waar je volgens eisers zeggen nooit levend uitkomt.

Blijkens het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen gaat verweerder uit van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vorenbedoeld ernstig vermoeden evenwel niet in redelijkheid slechts op deze - weliswaar geloofwaardige - verklaring van eiser worden gebaseerd, nu deze voor een dergelijke conclusie onvoldoende aanknopingspunten biedt. Eiser heeft immers niet duidelijk en gedetailleerd verklaard over enig door hem gepleegd misdrijf, noch over hetgeen met zijn medeweten is gevolgd op de door hem verrichte arrestatie.

18. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van eiser is voldaan aan de “personal and knowing participation test” en er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat hij betrokken is geweest bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) Vlv.

19. Het beroep wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb, waarin verweerders vorenbedoelde onderzoeksplicht is neergelegd en artikel 3:46 Awb, waarin is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 03/18126 BEPTDN

20. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 junco artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, wegens gevaar voor de openbare orde kan worden afgewezen indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vlv.

21. Nu verweerder de afwijzing van de onderhavige verblijfsvergunning regulier heeft gebaseerd op artikel

3.77 Vb 2000, en het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, gelet op het voorgaande, gegrond is verklaard, wordt ook het onderhavige beroep gegrond verklaard.

22. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

23. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de recht-bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 116,- (zegge: honderdzestien euro).

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2004, door mr. R.M. Steinhaus, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag; zie ook www.raadvanstate.nl). Ingevolge artikel 69, eerste lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 2 juni 2004

Conc: PvdV

Bp: -

D: C