Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4313

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
11-11-2004
Zaaknummer
AWB 03/54740
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AS7896
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / verbreking huwelijk.

De rechtbank is van oordeel dat eiser als verzoekende partij zich beter bewust had moeten zijn van de mogelijke consequenties voor zijn verblijfsrecht van het niet langer samenwonen met zijn echtgenote op één adres en dat hij derhalve de hoofdverantwoordelijkheid droeg om dit te melden. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag terecht aangemerkt als een eerste aanvraag. Wel had verweerder naar het oordeel van de rechtbank nader dienen te motiveren waarom er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat in de onderhavige procedure aan beide kanten sprake is geweest van nalatigheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/54740 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...], van Egyptische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. P.W. Altenburg, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Waayer, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 24 januari 2001 heeft eiser verzocht om verlenging van zijn C-document onder de Vreemdelingenwet 1994 (Vw 1994). Op 25 januari 2001 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend tot verlening van een vergunning tot verblijf met als doel arbeid in loondienst, thans aan te merken als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “arbeid in loondienst”. Bij besluit van 8 augustus 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 4 september 2001 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 25 september 2001. Op 13 februari 2002 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie (ac). Het bezwaar is bij besluit van 26 september 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 16 oktober 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 18 oktober 2003. Op 5 februari 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 1 april 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. Eiser is op 26 september 1991 gehuwd met mevrouw C. In 1993 is het samenleven verbroken. Op 11 mei 1994 is het huwelijk van eiser en mevrouw C ontbonden middels echtscheiding uitgesproken door de rechtbank te Alkmaar. In 1998 is mevrouw C naar Italië vertrokken. In de periode tussen het verbreken van het samenleven in 1993 en het vertrek van mevrouw C naar Italië in 1998 hebben eiser en zij contact met elkaar gehouden. Sinds 1998 heeft eiser geen contact meer met haar.

2. Op 5 november 1993 is eiser in het bezit gesteld van een C-document, op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw 1994. Op 3 januari 1996 is dit document door de Vreemdelingendienst (VD) Alkmaar vervangen door een nieuw – gelijksoortig – document, geldig tot 3 maart 2001. In het dossier is opgenomen dat de VD eerst in 1998 op de hoogte kwam van de echtscheiding in 1994.

3. Op 29 november 2000 heeft eiser verzocht om vervanging van zijn verblijfsdocument. Bij brief van 24 januari 2001 heeft zijn gemachtigde uiteen gezet dat dit moet worden opgevat als een aanvraag tot voortgezet verblijf op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw 1994.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

Het verblijfsrecht van eiser is van rechtswege komen te vervallen vier weken na de echtscheiding van eiser en zijn ex-echtgenote C, op 11 mei 1994. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte was van de formele beëindiging van zijn huwelijk, doet aan het van rechtswege vervallen van de verblijfsvergunning niets af.

De aanvraag van 25 januari 2001 is niet voldoende tijdig ingediend om te kunnen worden aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Dat eiser dacht dat hij rechtmatig verblijf had op grond van het Gemeenschapsrecht leidt niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Hij had behoren te weten dat de feitelijke verbreking van zijn huwelijksrelatie gevolgen had voor zijn verblijfsrecht, te meer daar hij in het bezit was van een verblijfsvergunning in het kader van Vw 1994 en niet als gemeenschapsonderdaan.

De onderhavige aanvraag wordt dan ook behandeld als een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid in loondienst”. Eiser is op grond van artikel 52a, onder f, van het Vreemdelingenbesluit 1994 vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Getoetst dient te worden of met het verrichten van arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend. Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag dient ter advisering aan deze organisatie te worden voorgelegd indien de werkzaamheden niet vallen onder het Algemene Arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt. Verweerder baseert zich op het Algemeen Arbeidsmarktadvies van 19 juni 2001 en 1 april 2003. Gelet op die adviezen kan de conclusie worden getrokken dat met de werkzaamheden van eiser in een ongeschoolde functie in de horecasector hier te lande geen wezenlijk Nederlands arbeidsbelang is gediend. Derhalve behoeft geen individueel arbeidsmarktadvies gevraagd te worden. Nu reeds overwogen is dat de niet tijdige aanvraag niet verschoonbaar is, wordt thans slechts de vraag beantwoord of eiser vanaf de datum van de aanvraag, 25 januari 2001, werkzaamheden verricht waarmee hij een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang dient.

Er is geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend in afwijking van het beleid. Ten aanzien van de stelling dat eiser reeds lange tijd hier te lande verblijft, wordt opgemerkt dat eiser voor het grootste deel van die periode onrechtmatig verblijf heeft genoten. De stelling van eiser dat hij, als hij op de hoogte was geweest van zijn niet rechtmatige verblijf, in aanmerking was gekomen voor een vergunning op grond van het Witte Illegalen Beleid kan niet worden gevolgd. Het komt voor rekening en risico van eiser dat hij niet op de hoogte was van zijn daadwerkelijke verblijfsstatus. Dat hij desondanks tot 3 maart 2001 in het bezit is geweest van een verblijfsdocument doet daar niet aan af. Eiser kan worden verweten dat hij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven door niet te melden dat de huwelijksrelatie feitelijk was verbroken en dat hij en mevrouw C niet langer een gemeenschappelijke huishouding voerden. Dat het voor eiser moeilijk is om naar Egypte terug te keren en dat hij, naar gesteld, zijn zusters in Egypte onderhoudt, doet aan het vorenstaande niet af.

Op grond van de verweerder bekende gegevens en hetgeen hierboven is geconcludeerd, is geen sprake van een bijzonder onvoorzien geval op grond waarvan eiser met toepassing van artikel 3.4, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) een verblijfsvergunning dient te worden verleend.

Er is geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu eiser van zijn ex-echtgenote gescheiden is.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde verblijfsvergunning heeft geweigerd.

De verblijfsvergunning van eiser is op 3 januari 1996 verlengd door de VD Alkmaar. Men was daar op de hoogte van de verbreking van de samenwoning, maar niet van het feit dat het huwelijk reeds ontbonden was. De uit artikel 10, tweede lid van Vw 1994 verkregen verblijfsstatus vervalt niet pas bij ontwrichting van het huwelijk, maar bij de kennisname van de formele ontbinding ervan. De stelling dat de verblijfsvergunning op 11 juni 1994 zou zijn vervallen is dus onjuist.

Eiser is nimmer op de hoogte gebracht van de formele ontbinding van het huwelijk, de VD wist er kennelijk ook niet van. De verlenging met vijf jaar op 3 januari 1996 was dus wel degelijk rechtsgeldig. Eiser mocht er bij zijn aanvraag op 25 januari 2001 te goeder trouw vanuit gaan nog over een geldige titel te beschikken. De aanvraag was derhalve wel tijdig en moet dan ook als aanvraag wijziging verblijfsdoel naar arbeid en humanitaire gronden worden opgevat. Voorts hoeft er bij verlenging niet getoetst te worden aan het prioriteitgenietend aanbod criterium. Verweerder gaat er wel heel makkelijk aan voorbij dat de VD de verblijfsvergunning heeft verlengd. Of de VD beschikte over informatie dat de echtgenote de Italiaanse nationaliteit bezat of het is een misslag. Dat kan niet voor rekening van eiser komen. Eiser is niet tegengeworpen dat hij opzettelijk onjuiste gegevens heeft achtergehouden. De VD moet toch de gegevens uit het bevolkingsregister gecontroleerd hebben.

Eiser had een kansrijk beroep op TBV 1999/23 kunnen doen. Eiser kan wel degelijk een geslaagd beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid doen nu hij te goeder trouw is geweest en op het verkeerde been is gezet.

Eisers beroep op klemmende redenen van humanitaire aard is ten onrechte afgewezen. De door hem sinds 1994 opgebouwde banden met Nederland moeten wel mee geteld worden door verweerder. Aangezien hij altijd in zijn eigen onderhoud heeft voorzien, de Nederlandse taal beheerst en zich ingeburgerd voelt, is het onevenredig hard indien hij zou moeten terugkeren naar Egypte, afgezet tegen de met het beleid te dienen belangen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. In hoofdstuk A4/9.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) staat dat bij wijziging van het Vreemdelingenbesluit (Stb 1998, 400) een nieuw artikel 109 is ingevoegd. In dit artikel is opgenomen, dat het verblijfsrecht ex artikel 10, tweede lid, Vw 1994 (het zogenaamde C-document) van rechtswege vervalt vier weken na het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden. Dit betekent dat vier weken na het moment waarop de gezinsband feitelijk is verbroken, danwel de leeftijd van 18 jaar is bereikt, het verblijfsrecht van rechtswege vervalt. Voorts is aldaar vermeld dat de vreemdeling van wie het verblijfsrecht krachtens art. 10, tweede lid, Vw komt te vervallen, in de gelegenheid wordt gesteld tot de indiening van een aanvraag om voortgezet verblijf.

3. In hoofdstuk B1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat het uitgangspunt bij aanvragen tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is dat wordt getoetst aan de regels voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel, doch dat een dergelijke aanvraag voor het overige wordt behandeld als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hieruit volgt dat het vragen om een wijziging van de beperking ook een verzoek om verlenging is.

4. In artikel 3.82 van het Vb 2000 is neergelegd dat indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, of als Nederlander, is geëindigd, de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing zijn.

5. De rechtbank stelt vast dat in geschil is de vraag of verweerder de onderhavige aanvraag van 24 januari 2001 tot verlenging van de bestaande verblijfsvergunning op basis van eisers huwelijk met mevrouw C terecht heeft aangemerkt als een eerste aanvraag. De vraag die hier aan vooraf gaat is of, en zo ja wanneer, eiser aan de VD had kunnen en moeten vertellen dat zijn huwelijk met mevrouw C beëindigd was.

6. De rechtbank constateert dat in 1993 het samenleven van eiser en mevrouw C is verbroken. In 1996 heeft eiser bij de VD Alkmaar een aanvraag voor verlenging gedaan en verkregen. Eiser heeft gesteld dat de VD wel op de hoogte was van de verbreking van de samenwoning, maar, net als hijzelf, niet van officiële echtscheiding in 1994. In een nota van de VD Amsterdam-Amstelland van 8 mei 2001 staat dat op 3 januari 1996 het document van eiser is vervangen in het kader van het PVC-project en dan weer geldig is tot 3 maart 2001. Voorts staat in de nota dat eiser heeft gesteld dat hij, doordat hij via het PVC-project in het bezit was gesteld van een nieuw pasje, in de veronderstelling was dat hij zich niet hoefde te melden om de verbreking van het huwelijk door te geven (dossierstuk 2a). Uit niets is gebleken dat de VD op enige manier onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eiser op het moment van het verlengen van het document in 1996.

In de voornoemde nota van de VD Amsterdam-Amstelland van 8 mei 2001 staat dat op 26 mei 1998 gebleken is dat de Nederlands-Italiaanse echtgenote van eiser naar Italië is vertrokken en dat achteraf is gebleken, middels een uittreksel uit het bevolkingsregister, dat het huwelijk al op 11 mei 1994 is ontbonden. Niet is gebleken dat de VD op dat moment in 1998 iets met deze informatie heeft gedaan.

Het voorgaande roept de vraag op of verweerder in de periode van 1993 tot 2001, op de in aanmerking komende momenten, wel steeds voldoende diligent is geweest bij het op de juiste wijze verwerken van datgene wat verweerder in die jaren bekend is geworden, mede in het licht van hoofdstuk A4/9.2.1 van de Vc 1994 waarin opgenomen staat dat de vreemdeling van wie het verblijfsrecht krachtens art. 10, tweede lid, Vw komt te vervallen, in de gelegenheid wordt gesteld tot de indiening van een aanvraag om voortgezet verblijf.

7. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser als verzoekende partij zich beter bewust had moeten zijn van de mogelijke consequenties voor zijn verblijfsrecht van het niet langer samenwonen met zijn echtgenote op één adres en dat hij derhalve de hoofdverantwoordelijkheid droeg om dit te melden. Reeds in 1993 had eiser zich dit moeten realiseren. Ook in 1996, wat verder ook zij van de wijze waarop de verlenging van de vergunning tot stand is gekomen, had eiser zich moeten realiseren dat de veranderingen in zijn relatie met mevrouw C van belang konden zijn voor zijn verblijfsrecht.

Hoewel aan eiser kan worden toegegeven dat verweerder in 1998 heeft verzuimd actie te ondernemen toen de echtscheiding bij de VD aan het licht kwam, was eiser zélf naar het oordeel van de rechtbank vanaf 1998 eens te meer in verzuim, nu hij in het ac-gehoor heeft verklaard dat hij vanaf het moment dat zijn echtgenote naar Italië ging in 1998 geen contact meer met haar heeft gehad.

Uit het samenstel van genoemde omstandigheden volgt dat verweerder de onderhavige aanvraag terecht heeft aangemerkt als een eerste aanvraag.

8. Resteert de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder gehouden was van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ex artikel 4:84 van de Awb gebruik te maken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval nader dient te motiveren waarom er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat in de onderhavige procedure aan beide kanten sprake is geweest van nalatigheid. Het is niet duidelijk geworden wat er in 1996 precies gebeurd is bij de VD, noch is duidelijk waarom de VD in 1998 niet richting eiser gereageerd heeft op de toen aan het licht gekomen echtscheiding. Voorts is de stelling van eiser dat hij in de periode 1993-1998 weliswaar gescheiden van zijn (ex-)echtgenote leefde, maar wel nog een soort relatie met haar had, door verweerder niet betwist. Ten slotte is niet gebleken dat verweerder enig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de ex-echtgenote van eiser naast de Nederlandse ook de Italiaanse nationaliteit had en wat de betekenis daarvan zou zijn in deze zaak.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Hetgeen verder door partijen naar voren is gebracht, behoeft verder geen bespreking meer.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderd zestien euro).

Deze uitspraak is gewezen door mr. W.J. van Bennekom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Klep, griffier, en openbaar gemaakt op: 25 mei 2004

de griffier de rechter

Afschrift verzonden op: 25 mei 2004

Conc.: KKl

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.