Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4239

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
Awb 04/20718
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vervolg op LJN AR3586, AR3594 en AR3894 met betrekking tot stichting Catsi c.s., naar aanleiding van een reactie van een aangeschreven betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 04/20718 BEPTDN/VO

UITSPRAAK

inzake: [verzoekster],

geboren op 4 juli 1977,

van Colombiaanse nationaliteit,

CRV-nummer 1510.153.999,

verzoekster,

gemachtigde: onbekend;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder.

1Procesverloop

1.Verzoekster heeft op 4 mei 2004 een verzoekschrift, gedateerd ’s-Gravnehage 29-04-2004, ingediend waarmee, ofschoon dat niet wordt gesteld, kennelijk wordt beoogd een voorlopige voorziening te doen treffen. Het gaat begeleid van een bezwaarschrift en een begeleidend briefje van het hieronder omschreven type.

2Overwegingen

2.1 Het verzoekschrift is gesteld op briefpapier dat als opschrift heeft: Stichting Catsi multiculturele instituut,maatschapelijkwerk en advies. Het is gefaxt vanaf een faxmachine die als vermelding van de afzender CATSI noteert en die is aangesloten aan een telefoonnummer in Den Haag. Het verzoekschrift bevat niet het adres en de woonplaats van verzoekster en evenmin de naam en het adres van de feitelijk indiener. De handtekening onder aan het verzoekschrift, naast een stempel met een (hieronder onder 2.7 weergegeven) Spaanstalige tekst, de datum en de vermelding ’s-Gravnehage, is een kleine, onleesbare krabbel.

2.2Er is in het voorbije jaar een groot aantal (vele tientallen) verzoekschriften door deze rechtbank ontvangen die overeenkomen met het onderhavige in die zin dat zij hetzelfde briefhoofd hebben en een bijna eensluidende tekst met spelfouten en niet ingevulde “velden”. Evenmin bevatten die verzoekschriften een naam en adres van de feitelijk indiener en het adres van de belanghebbende en ze hebben bijna allemaal betrekking op belanghebbenden van Colombiaanse of Nigeriaanse nationaliteit. Dikwijls wordt de belanghebbende als “hij” en “meneer” aangeduid ofschoon het blijkens de naam van de belanghebbende en blijkens het van de IND verkregen dossier daarbij soms gaat om een belanghebbende van het vrouwelijk geslacht, of andersom. Verder zijn er altijd verschillende, onleesbare handtekeningen in de vorm van een krabbel naast het genoemde stempel en evenzeer gaan zij dikwijls vergezeld van een begeleidend briefje waarop het adres Beeklaan 107 Den Haag voorkomt en de Stichting Catsi, mevrouw A.I.[D] en mevrouw C. [H.S.] genoemd worden als mogelijke afzenders, vergezeld van, altijd weer het onderschrift: Hoo gachtend, gevolgd door een onleesbare krabbel en het eerder bedoelde stempel. Slechts bij hoge uitzondering wordt griffierecht betaald.

2.3Niet anders kan geconcludeerd worden dan dat aan de Beeklaan 107 te Den Haag een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een organisatie, is gevestigd, die procedures voor vreemdelingen aanhangig maakt bij deze rechtbank.

2.4 In het onderhavige verzoekschrift wordt niet het adres van verzoekster of de naam van de feitelijk indiener vermeld. Het is ook niet door verzoekster ondertekend. Evenmin bevat het verzoekschrift duidelijke gronden, is (ofschoon het begeleidende bezwaarschrift anders stelt) geen afschrift van een gerelateerde besluit overgelegd en is geen griffierecht betaald. Ook ontbreekt de stelling en nader bewijs dat iemand als gemachtigde optreedt.

2.5 Aldus doen zich gebreken voor die op grond van de wet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek leiden. Ook overigens bevat het verzoekschrift de slordigheden die in alle standaard-verzoekschriften met hetzelfde briefhoofd voorkomen.

2.6 Duidelijk zal zijn dat de in onderhavige procedure genoemde wettelijke en buitenwettelijke gebreken doorgaans ook kleven aan al die andere door deze feitelijke indiener aanhangig gemaakte procedures. Wanneer de rechtbank daarover aan Beeklaan 107 Den Haag een “standaard herstelverzuim-brief” stuurt en aangetekend aanmaant tot betaling van griffierecht, dan krijgt de rechtbank in de regel geen enkele reactie. De handtekening-retourkaart m.b.t. de griffierechten komt altijd retour, soms, zoals in deze zaak, ondertekend door ene Johnny. De voorzieningenrechter heeft daardoor de indruk gekregen dat de persoon of organisatie die het verzoekschrift van verzoekster feitelijk heeft ingediend, niet werkelijk de intentie heeft om als gemachtigde te fungeren.

2.7 In die situatie en gelet op de vereisten die artikel 6:5 jo 8:81 Awb aan inleidende verzoekschriften voor een voorlopige voorziening stelt, alsmede gelet op de plicht om gelegenheid te bieden voor herstel van verzuimen, kwam het de voorzieningenrechter raadzaam voor om in de onderhavige procedure en een zeventiental soortgelijke zaken met dezelfde feitelijk indiener die hij tegelijkertijd ter behandeling voor zich had, zelf een niets aan duidelijkheid te wensen overlatende brief met vragen te sturen aan diegenen die met het adres Beeklaan 107 te Den Haag geassocieerd konden worden. Het doel daarvan was onder meer om duidelijkheid te krijgen over de identiteit en intenties van de feitelijk indiener indien een van de betreffende personen of organisaties zich nadrukkelijk als indiener of gemachtigde beschouwt, een bruikbaar adres van de belanghebbende te krijgen voor het geval dat geen van de aangeschrevenen zich als gemachtigde aangesproken voelt, zodat de rechtbank eventueel de belanghebbende zelf in gelegenheid zou kunnen stellen om voor zijn belang op te komen, en om de gemachtigde danwel de belanghebbende zo nodig zelf alsnog in de gelegenheid te stellen verzuimen te herstellen. Per aparte, op 6 juli 2004 gedateerde, aangetekend verzonden brief met handtekening-retourkaart is zowel Stichting Catsi multiculturele instituut, maatschapelijkwerk en advies, Centro para atención para latino americanos, profesional, mevrouw A.I. [D] als mevrouw C. [H.S.] gevraagd te reageren op de vragen, ook als zij zich niet als indiener/gemachtigde aangesproken voelen. De handtekening-retourkaarten zijn in goede orde terug ontvangen, zodat blijkt dat de vier brieven zijn uitgereikt op het adres Beeklaan 107 Den Haag. Aan wie is onduidelijk, omdat TPG Post BV dat niet laat invullen in de daartoe bestemde ruimte op de retourkaart en de (identieke) handtekeningen ook nu weer onleesbaar zijn. Mevrouw [D] en mevrouw [H.S.] zijn per eveneens aangetekend met handtekening-retourkaart verzonden brief van 29 juli 2004 persoonlijk door deze voorzieningenrechter herinnerd aan de brief van 6 juli 2004 en aan zijn wens dat zij op die brief reageren. Opnieuw is geen enkele reactie verkregen, ofschoon uit de retourkaarten blijkt dat de brieven weer daadwerkelijk aan een niet genoemde persoon zijn uitgereikt.

2.8 Bij uitspraak van deze voorzieningenrechter van 11 oktober 2004 in een zaak onder nummer Awb 04/20750 die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl., LJN-nummer AR3586, is geoordeeld dat de belanghebbende in die zaak niet-ontvankelijk was. Naar aanleiding van die uitspraak heeft de eerder genoemde A.I. [D] op 14 oktober 2004 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en daarbij gesteld dat zij de aangetekend verzonden brieven niet had ontvangen. Toen is haar in overweging gegeven dat zij alsnog zou kunnen reageren. Bij brief van nota bene 12 oktober 2004 laat A.I. [D] vervolgens aan de griffier weten: “Hierbij wil ondergetekende AI [D] dat zij niet de gemachtigde ben voor de cliënten. Dat de cliënten zelf de gemachtigde zijn.”

2.9 De voorzieningenrechter betrekt deze brief in zijn overwegingen, nu deze reactie kennelijk beoogt betrekking te hebben op alle 18 zaken waarin de voorzieningenrechter zich in het vooronderzoek heeft gericht tot onder anderen A.I. [D], en de onderhavige zaak er één is van die 18 zaken.

2.10 Overigens bevindt zich in het van verweerder ontvangen dossier een bezwaarschrift gedateerd 2 juni 2003 van verzoekster, waarbij zij als gemachtigde de stichting Sihaky aanwijst, op welk bezwaarschrift geen enkel adres voorkomt maar welke stichting blijkens andere correspondentie ook aan de Beeklaan 107 te Den Haag is gevestigd. Tenslotte merkt de voorzieningenrechter op dat zich in dat dossier ook nog een brief gedateerd 29 november 2003 bevindt in mogelijk hetzelfde handschrift als dat waarin ook de oorspronkelijke aanvraag van deze verzoekster en tientallen andere verzoekers die hun zaken via dezelfde feitelijk indiener aanhangig maken zijn gesteld. De brief is een – te late – reactie op een herstelverzuimbrief van verweerder en vermeldt onder meer: Bij de restanten vuilnis van mijn buurman heb ik mijn brieven gevonden waar ik niks heb vernomen.

2.11 De conclusie is dat verzoekster haar verzoekschrift heeft laten indienen door iemand van wie of door een organisatie waarvan de naam niet overeenkomstig de wet in het verzoekschrift is vermeld ware het door een gemachtigde ingediend (van wie geen machtiging is gebleken, terwijl A.I. [D] nadrukkelijk heeft gesteld dat zij geen gemachtigde is) en dat het verzoekschrift niet het adres van verzoekster bevat en niet door verzoekster is ondertekend. Overigens kleven ook vele andere hierboven genoemde gebreken aan het verzoekschrift waardoor het niet voldoet aan de eisen gesteld in de artikelen 6:5 en jo 8:81 Awb terwijl ook niet voldaan is aan het vereiste van artikel 8:82 Awb met betrekking tot het griffierecht. De voorzieningenrechter heeft al het mogelijke gedaan om gelegenheid te geven tot herstel van de verzuimen door de feitelijk indiener althans verzoekster, en om verzoekster desnoods zelf in de gelegenheid te kunnen stellen om voor haar belangen op te komen.

2.12 Dat dit niet tot verzuimherstel heeft geleid moet voor risico komen van verzoekster, die uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de keuze van de persoon of organisatie die haar verzoekschrift al of niet als gemachtigde indient en voor de informatie die in haar verzoekschrift is opgenomen.

2.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.

2.14 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg en in tegenwoordigheid van A.G.A. Velnaar als griffier in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2004.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: