Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3594

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2004
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
Awb 04/21784 BEPTDN/VO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

namens verzoeker werd door de niet in het handelsregister ingeschreven stichting Catsi en/of door andere personen een incompleet verzoekschrift ingediend dat niet aan de wettelijke vereisten voldeed, zoals ook in de zaak met uitspraak met LJN-nummer AR 3586 was geschied. De onderhavige uitspraak geeft aldus nog een "fraai" voorbeeld van het werk van degene(n) die het verzoekschrift indiende(n).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 04/21784 BEPTDN/VO

UITSPRAAK

Inzake: [verzoeker]

geboren op 18 september 1978,

nationaliteit: burger van Nigeria,

V-nummer 270.260.6064,

verzoeker,

gemachtigde: onbekend

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder.

1Procesverloop

1Namens verzoeker is op 10 mei 2004 bij de rechtbank de kennelijk eerste helft van een aldus ongedateerd en niet ondertekend gebleven verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend op briefpapier met een hieronder nader omschreven opschrift, begeleid van een afschrift van een op 27 maart 2004 gedateerd bezwaarschrift zonder opschrift, en een kort op 7 mei 2004 gedateerd briefje, ook zonder opschrift, met als afzender: Stichting Catsi, Beeklaan 107, 2562 AC Den Haag, kennelijk gericht aan of afkomstig van: Afdeling: voorlopige voorziening.

2 Overwegingen

2.1 Het verzoekschrift is gesteld op briefpapier dat als opschrift heeft: Stichting Catsi multiculturele instituut,maatschapelijkwerk en advies. Het is gefaxt vanaf een faxmachine die als vermelding van de afzender CATSI noteert en die is aangesloten aan een telefoonnummer in Den Haag. Het verzoekschrift bevat niet het adres en de woonplaats van verzoeker.

2.2 Er is in het voorbije jaar een groot aantal verzoekschriften door deze rechtbank ontvangen die overeenkomen met het onderhavige in die zin dat zij hetzelfde briefhoofd hebben en een bijna eensluidende tekst met spelfouten en niet ingevulde “velden”. Evenmin bevatten die verzoekschriften een adres van de indiener en de belanghebbende en ze hebben bijna allemaal betrekking op belanghebbenden van Colombiaanse of Nigeriaanse nationaliteit. Dikwijls wordt de belanghebbende als “hij” en “meneer” aangeduid ofschoon het blijkens de naam van de belanghebbende en blijkens het van de IND verkregen dossier daarbij soms gaat om een belanghebbende van het vrouwelijk geslacht. Verder zijn er altijd verschillende, onleesbare handtekeningen in de vorm van een krabbel en evenzeer gaan zij dikwijls, net als in het onderhavige geval, vergezeld van een begeleidend briefje waarop het adres Beeklaan 107 Den Haag voorkomt en de Stichting Catsi, mevrouw A.I. [D] en mevrouw C. [H.S.] genoemd worden als mogelijke afzenders. Naast de handtekeningen staat altijd een stempel met de tekst Centro para atención para latino americanos, profesional. Zo ook in dit geval van een Nigeriaanse verzoeker. Slechts bij hoge uitzondering wordt griffierecht betaald. In dit geval niet.

2.3 Niet anders kan geconcludeerd worden dan dat aan de Beeklaan 107 te Den Haag een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een organisatie, is gevestigd, die procedures voor vreemdelingen aanhangig maakt bij deze rechtbank.

2.4 In het onderhavige verzoekschrift wordt niet het adres van de indiener vermeld. Evenmin bevat het verzoekschrift duidelijke gronden en is geen griffierecht betaald. Dit zijn alle gebreken die op grond van de wet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek leiden. Ook overigens bevat het verzoekschrift enige van de hierboven genoemde slordigheden, los gezien nog van het feit dat in casu nota bene slechts de eerste helft is ingediend van een “standaard-verzoekschrift”. Bij het bezwaarschrift is niet een kopie van het connexe besluit gevoegd, terwijl ook de datum van bekendmaking van dat besluit niet wordt genoemd.

2.5 De in onderhavige procedure genoemde wettelijke en buitenwettelijke gebreken kleven doorgaans ook aan al die andere door deze indiener aanhangig gemaakte procedures en wanneer de rechtbank daarover aan Beeklaan 107 Den Haag een “standaard herstelverzuim-brief” stuurt en aangetekend aanmaant tot betaling van griffierecht, dan krijgt de rechtbank in de regel geen enkele reactie. De voorzieningenrechter heeft daardoor de indruk gekregen dat de persoon of organisatie die het verzoekschrift van verzoeker heeft ingediend, niet werkelijk de intentie heeft om als gemachtigde te fungeren.

2.6 In die situatie en gelet op de vereisten die artikel 6:5 jo 8:81 Awb aan inleidende verzoekschriften voor een voorlopige voorziening stelt, alsmede gelet op de plicht om gelegenheid te bieden voor herstel van verzuimen, kwam het de voorzieningenrechter raadzaam voor om in de onderhavige procedure en een zeventiental soortgelijke zaken met dezelfde indiener die hij tegelijkertijd ter behandeling voor zich had, zelf een niets aan duidelijkheid te wensen overlatende brief met vragen te sturen aan diegenen die met het adres Beeklaan 107 te Den Haag geassocieerd konden worden. Het doel daarvan was onder meer om duidelijkheid te krijgen over de identiteit en intenties van de feitelijke indiener indien een van de betreffende personen of organisaties zich nadrukkelijk zo (of zelfs als gemachtigde) beschouwt, een bruikbaar adres van de belanghebbende te krijgen voor het geval dat geen van de aangeschrevenen zich als gemachtigde aangesproken voelt, zodat de rechtbank eventueel de belanghebbende zelf in gelegenheid zou kunnen stellen om voor zijn belang op te komen, en om de gemachtigde danwel de belanghebbende zo nodig zelf alsnog in de gelegenheid te stellen verzuimen te herstellen. Per aparte, op 6 juli 2004 gedateerde, aangetekend verzonden brief met handtekening-retourkaart is zowel Stichting Catsi multiculturele instituut, maatschapelijkwerk en advies, Centro para atención para latino americanos, profesional, mevrouw A.I. [D] als mevrouw C. [H.S.] gevraagd te reageren op de vragen, ook als zij zich niet als indiener/gemachtigde aangesproken voelen. De handtekening-retourkaarten zijn in goede orde terug ontvangen, zodat blijkt dat de vier brieven zijn uitgereikt op het adres Beeklaan 107, Den Haag. Aan wie is onduidelijk, omdat TPG Post BV dat niet laat invullen in de daartoe bestemde ruimte op de retourkaart en de (identieke) handtekeningen ook nu weer onleesbaar zijn. Mevrouw [D] en mevrouw [H.S.] zijn per eveneens aangetekend met handtekening-retourkaart verzonden brief van 29 juli 2004 persoonlijk door deze voorzieningenrechter herinnerd aan de brief van 6 juli 2004 en aan zijn wens dat zij op die brief reageren. Opnieuw is geen enkele reactie verkregen, ofschoon uit de retourkaarten blijkt dat de brieven weer daadwerkelijk aan een niet genoemde persoon zijn uitgereikt.

2.6 De conclusie is dat verzoeker zijn verzoekschrift heeft laten indienen zonder vermelding van zijn adres danwel door iemand van wie of door een organisatie waarvan de naam niet overeenkomstig de wet in het verzoekschrift is vermeld, terwijl overigens ook andere hierboven genoemde gebreken kleven aan het verzoekschrift waardoor het niet voldoet aan de eisen gesteld in de artikelen 6:5 en jo 8:81 Awb terwijl ook niet voldaan is aan het vereiste van artikel 8:82 Awb met betrekking tot het griffierecht. De voorzieningenrechter heeft al het mogelijke gedaan om gelegenheid te geven tot herstel van de verzuimen door de indiener, en om verzoeker desnoods zelf in de gelegenheid te kunnen stellen om voor zijn belangen op te komen.

2.7 Dat dit niet tot verzuimherstel heeft geleid moet voor risico komen van verzoeker, die uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de keuze van de persoon of organisatie die zijn verzoekschrift al of niet als gemachtigde indient en voor de informatie die in zijn verzoekschrift is opgenomen.

2.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen, zoals ook is overwogen in een uitspraak van deze voorzieningenrechter van 11 oktober 2004 in een zaak onder nummer Awb 04/20750 die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl., LJN-nummer AR 3586.

2.8 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg en in tegenwoordigheid van A.G.A. Velnaar als griffier in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: