Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2004
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
Awb 04/20750 BEPTDN/VO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

namens verzoekster hebben een Stichting Catsi, die niet in het handelsregister voorkomt, en/of een of meer anderen een voorlopige voorziening gevraagd zonder aan allerlei wettelijke vereisten te voldoen. Deze organisatie althans deze personen doen ditzelfde voor veel andere vreemdelingen. op post van de griffie wordt zelden gereageerd. door de voorzieningenrechter in deze zaak specifiek gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de identiteit en de intenties, antwoorden de aangeschreven organisaties en personen niet. verzoekster wordt daarop niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 04/20750 BEPTDN/VO

UITSPRAAK

inzake: [verzoekster],

geboren op 26 juni 1978,

van Colombiaanse nationaliteit,

crv-nr 270 2.980.320

verzoekster,

gemachtigde: onbekend

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop en overwegingen

1.Bij een op 29 april 2004 gedateerd verzoekschrift dat op 4 mei 2004 is ingekomen bij deze rechtbank is namens verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Het verzoekschrift is gesteld op briefpapier dat als opschrift heeft: Stichting Catsi multiculturele instituut, maatschapelijkwerk en advies. Het is gefaxt vanaf een faxmachine die als vermelding van de afzender CATSI noteert en die is aangesloten aan een telefoonnummer in Den Haag. Het verzoekschrift bevat niet het adres en de woonplaats van verzoekster. De handtekening onder aan het verzoekschrift, naast de datum en de vermelding ’s-Gravnehage, is een kleine, onleesbare krabbel.

3. Met het verzoekschrift is een kopie van een bezwaarschrift meegezonden dat als adres van verzoekster vermeldt: Beeklaan 107, 2562 AC Den Haag. Ook meegezonden is een briefje dat als opschrift heeft:

Stichting Catsi

Beeklaan 107

2562 AC

Den Haag

In dat briefje wordt verzocht “of het mogelijk is om de bevesteging van de voorlopige voorziening van Meneer [verzoekster] te kunnen faxen. [...] Het faxnummer is 070-[...] Vriendelijk bedankt, Stichting Catsi Mevrouw A.I. [D] Mevrouw C. [H.S.]”

4. Beide bijlagen bevatten onleesbare, kleine krabbels als zogenaamde handtekening, die elk verschillen van de handtekening onder het verzoekschrift.

5. Elk van deze drie geschriften bevat ter hoogte van de handtekening ook een stempel met de volgende tekst: Centro de atención para latino americanos, profesional.

6. Uit al deze omstandigheden maakt de voorzieningenrechter op dat het verzoekschrift namens verzoekster is ingediend door iemand wiens identiteit niet onomstotelijk blijkt uit het verzoekschrift of de bijlagen.

7. De griffier heeft met een brief van 6 mei 2004, verzonden aan Stichting Catsi, Muliticultureel Instituut Maatschappelijk werk en advies t.a.v. mevrouw C. [H.S.], Beeklaan 107 te 2562 AC Den Haag verzocht om een schriftelijke machtiging.

8. Omdat het verzoekschrift evenmin duidelijke gronden bevatte, daarbij geen kopie van een gerelateerd besluit gevoegd was en de griffier kennelijk over het hoofd heeft gezien dat een kopie van het bezwaarschrift was meegezonden, is met dezelfde brief gelegenheid geboden om de door de griffier geconstateerde verzuimen te herstellen.

9. Omdat ook het griffierecht niet werd voldaan, niet na uitnodiging daartoe en niet na toezending van een acceptgirokaart, is verzoekster door een aangetekend aan Beeklaan 107 Den Haag verzonden aanmaning hierop gewezen.

10. Op al deze correspondentie is geen enkele reactie zijdens verzoekster ontvangen.

11. Er is in het voorbije jaar een groot aantal verzoekschriften door deze rechtbank ontvangen die overeenkomen met het onderhavige in die zin dat zij hetzelfde briefhoofd hebben en een bijna eensluidende tekst met spelfouten en niet ingevulde “velden”. Evenmin bevatten die verzoekschriften een adres van de indiener (belanghebbende zelf of degene die het verzoekschrift feitelijk indient) en ze hebben bijna allemaal betrekking op belanghebbenden van Colombiaanse of Nigeriaanse nationaliteit. Dikwijls wordt de belanghebbende als “hij” en “meneer” aangeduid ofschoon het blijkens de naam van de belanghebbende en blijkens het van de IND verkregen dossier, zoals in casu, gaat om een belanghebbende van het vrouwelijk geslacht. Meestal ontbreekt enige verwijzing naar een connex bezwaarschrift of beroepschrift. Verder zijn er altijd verschillende, onleesbare handtekeningen in de vorm van een krabbel naast het genoemde stempel en evenzeer gaan zij dikwijls vergezeld van het als laatste genoemde briefje. Slechts bij hoge uitzondering wordt griffierecht betaald.

12. Niet anders kan geconcludeerd worden dan dat aan de Beeklaan 107 te Den Haag een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een organisatie, is gevestigd, die procedures voor vreemdelingen aanhangig maakt bij deze rechtbank.

13. Alle in onderhavige procedure genoemde wettelijke en buitenwettelijke gebreken kleven doorgaans ook aan al die andere door deze indiener aanhangig gemaakte procedures en wanneer de rechtbank daarover aan Beeklaan 107 Den Haag een “standaard herstelverzuim-brief” stuurt en aangetekend aanmaant tot betaling van griffierecht, dan krijgt de rechtbank in de regel geen enkele reactie. De voorzieningenrechter heeft daardoor de indruk gekregen dat de persoon of organisatie die het verzoekschrift van verzoekster heeft ingediend, niet werkelijk de intentie heeft om als gemachtigde te fungeren.

14. In die situatie en gelet op de vereisten die artikel 6:5 jo 8:81 Awb aan inleidende verzoekschriften voor een voorlopige voorziening stelt, alsmede gelet op de plicht om gelegenheid te bieden voor herstel van verzuimen, kwam het de voorzieningenrechter raadzaam voor om in de onderhavige procedure en een zeventiental soortgelijke zaken met dezelfde indiener die hij tegelijkertijd ter behandeling voor zich had, zelf een niets aan duidelijkheid te wensen overlatende brief met vragen te sturen aan diegenen die met het adres Beeklaan 107 te Den Haag geassocieerd konden worden. Het doel daarvan was onder meer om duidelijkheid te krijgen over de identiteit en intenties van de feitelijke indiener indien een van de betreffende personen of organisaties zich nadrukkelijk zo (of zelfs als gemachtigde) beschouwt, een bruikbaar adres van de belanghebbende te krijgen voor het geval dat geen van de aangeschrevenen zich als gemachtigde aangesproken voelt, zodat de rechtbank eventueel de belanghebbende zelf in gelegenheid zou kunnen stellen om voor zijn belang op te komen, en om de gemachtigde danwel de belanghebbende zo nodig zelf alsnog in de gelegenheid te stellen verzuimen te herstellen. Per aparte, op 6 juli 2004 gedateerde, aangetekend verzonden brief met handtekening-retourkaart is zowel Stichting Catsi multiculturele instituut, maatschapelijkwerk en advies, Centro para atención para latino americanos, profesional, mevrouw A.I. [D.] als mevrouw C. [H.S.] gevraagd te reageren op de vragen, ook als zij zich niet als feitelijk indiener/gemachtigde aangesproken voelen. De handtekening-retourkaarten zijn in goede orde terug ontvangen, zodat blijkt dat de vier brieven zijn uitgereikt op het adres Beeklaan 107 Den Haag. Aan wie is onduidelijk, omdat TPG Post BV dat niet laat invullen in de daartoe bestemde ruimte op de retourkaart en de (identieke) handtekeningen ook nu weer onleesbaar zijn. Er is niet gereageerd. Mevrouw [D.] en mevrouw [H.S.] zijn per eveneens aangetekend met handtekening-retourkaart verzonden brief van 29 juli 2004 persoonlijk door deze voorzieningenrechter herinnerd aan de brief van 6 juli 2004 en aan zijn wens dat zij op die brief reageren. Opnieuw is geen enkele reactie verkregen, ofschoon uit de retourkaarten blijkt dat de brieven weer daadwerkelijk aan een niet genoemde persoon op het adres Beeklaan 107 Den Haag zijn uitgereikt.

15. De conclusie is dat verzoekster haar verzoekschrift heeft laten indienen zonder vermelding van haar adres danwel door iemand van wie of door een organisatie waarvan de naam niet overeenkomstig de wet in het verzoekschrift is vermeld, terwijl overigens ook vele andere hierboven genoemde gebreken kleven aan het verzoekschrift waardoor het niet voldoet aan de eisen gesteld in de artikelen 6:5 en jo 8:81 Awb terwijl ook niet voldaan is aan het vereiste van artikel 8:82 Awb met betrekking tot het griffierecht. De voorzieningenrechter heeft al het mogelijke gedaan om gelegenheid te geven tot herstel van de verzuimen door de feitelijk indiener, en om verzoekster desnoods zelf in de gelegenheid te kunnen stellen om voor haar belangen op te komen. Dat dit niet tot verzuimherstel heeft geleid moet voor risico komen van verzoekster, die uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de keuze van de persoon of organisatie die haar verzoekschrift al of niet als gemachtigde indient en voor de informatie die in haar verzoekschrift is opgenomen.

16. Ten overvloede vermeldt de voorzieningenrechter dat hem uit het in september 2004 op het internet geraadpleegde Handelsregister niet is gebleken van het staan ingeschreven van een stichting met een naam die ook maar enigszins overeenkomt met de vermelding bovenaan het verzoekschrift, terwijl op het adres Beeklaan 107 Den Haag ook geen stichting gevestigd is.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.

18. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg en in tegenwoordigheid van A.G.A. Velnaar als griffier in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2004.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: