Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3574

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
AWB 02/60036
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sudan / taalanalyse / vergewisplicht.

Verweerder hecht op basis van de taalanalyse geen geloof aan de door eiseres opgegeven afkomst en daarmee evenmin aan haar asielrelaas. Dat eiseres voorafgaande aan de besluitvorming nog geen contra-expertise had laten verrichten, betekent niet dat geen redenen aanwezig kunnen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 Awb en artikel 3:9 Awb, aangezien verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte niet is ingegaan op de in de zienswijze naar voren gebrachte punten waarin gefundeerde kritiek op de deskundigheid van de taalanalist is geuit en evenmin heeft gerespondeerd op de in de zienswijze opgeworpen vragen. In zo’n geval ligt het op de weg van verweerder om de betrokken taalanalist met die gefundeerde kritiek te confronteren en om een reactie te vragen en zonodig een tweede taalanalist bij het onderzoek te betrekken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 02/60036

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1974,

van Soedanese nationaliteit,

mede namens haar minderjarige kinderen,

IND-dossiernummer: 0005.30.8119,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noordoost-Nederland te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

voorheen DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 3 juni 2000 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 9 juli 2002 heeft verweerder afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 5 augustus 2002 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. Op 3 september 2002, aangevuld bij brief van 18 september 2002, zijn de gronden van het beroep ingediend.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft op 16 maart 2004 een verweerschrift ingediend.

1.4 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 30 maart 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. Postma, kantoorgenote van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is van belang dat, ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), de aanvraag om toelating als vluchteling na de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Vw 2000 wordt aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vw 2000. Gelet op artikel 117, tweede lid, Vw 2000 zal de wijze waarop de aanvraag is behandeld en de wijze waarop de bestreden beschikking tot stand is gekomen, getoetst worden aan de hand van het recht zoals dat tot 1 april 2001 gold.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Eiseres heeft ter ondersteuning van haar aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiseres behoort tot de Nuba bevolkingsgroep en is geboren in B, gelegen in het Nuba-gebergte. De echtgenoot van eiseres was politiek actief en is acht maanden geleden door drie mannen meegenomen. Na een maand is hij teruggekomen en heeft aan eiseres verteld dat hun zoon C om het leven was gebracht. Daarna is de echtgenoot van eiseres weer weggegaan. Eiseres weet niet waar haar echtgenoot is. Daarna zijn onbekende mannen verschillende keren bij de woning van eiseres langsgekomen om naar haar echtgenoot te informeren. Zij hebben de woning op de aanwezigheid van papieren doorzocht, waarbij eiseres en haar kinderen zijn geslagen. Daarnaast is zij lastiggevallen door de stamleden vanwege het huwelijk met haar echtgenoot. Tevens zijn eiseres en haar kinderen op straat beledigd en soms mishandeld. Verder is eiseres meerdere keren verkracht. Zij heeft op 19 mei 2000 B verlaten, waarna zij per vrachtwagen naar Khartoum is gegaan. Op 24 mei 2000 heeft eiseres haar land van herkomst verlaten.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen, waardoor de oprechtheid van haar asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van dit relaas. Voorts heeft verweerder overwogen dat geen geloof wordt gehecht aan het asielrelaas van eiseres om reden dat ze onjuiste gegevens heeft verstrekt over haar afkomst. Op 28 februari 2001 heeft een gesprek voor een taalanalyse plaatsgevonden. Uit het rapport taalanalyse van 1 mei 2001 blijkt dat eiseres eenduidig afkomstig is uit Khartoum en omstreken in Noord-Soedan. Ze komt derhalve niet uit het Nuba-gebergte. Met betrekking tot het door eiseres gestelde dat zij twijfelt aan de deskundigheid van de opsteller van het rapport taalanalyse, heeft verweerder overwogen dat, hoewel zij in de gelegenheid is gesteld een contra-expertise uit te voeren, zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Voor zover eiseres het onacceptabel vindt dat verweerder niet inhoudelijk op haar relaas is ingegaan, heeft verweerder opgemerkt dat uit de taalanalyse volgt dat eiseres eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Noord-Soedan. Voorts volgt uit voornoemde taalanalyse dat zij eenduidig niet afkomstig is uit het Nuba-gebergte. Hieruit kan en mag redelijkerwijs worden geconcludeerd dat het relaas van eiseres niet op waarheid berust.

2.4 Eiseres stelt zich in de gronden van het beroep op het standpunt dat het ontbreken van identiteitsdocumenten als grondslag voor de weigering om toelating in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. In dit kader wijst eiseres op de brief van de UNHCR van 5 oktober 1998. Voorts meent eiseres dat zij tijdens het eerste gehoor binnen haar mogelijkheden informatie op de door haar gestelde vragen aan verweerder heeft verstrekt. Indien verweerder van mening is dat eiseres in de verstrekking van informatie in tekortgeschoten had het gelet op het bepaalde in C/13, hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) op de weg van verweerder gelegen aanvullende vragen te stellen. Verder meent eiseres dat verweerder op het in de zienswijze onder punt 4 tot en met 11 aangevoerde had moeten reageren. In zoverre acht zij de bestreden beschikking onvoldoende voorbereid. Tevens stelt eiseres dat de omstandigheid dat zij Arabisch spreekt niet de conclusie rechtvaardigt dat zij niet zou behoren tot de Nuba-stam. In dit verband wijst zij op een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2001 (Awb 01/2639), waarin de rechtbank heeft overwogen ”dat niet op voorhand kan worden uitgesloten, ofschoon verzoeker de Arabische taal spreekt, verzoeker tot de Nuba-stam zou kunnen behoren”. Eiseres is afkomstig uit B en zij heeft aangegeven ook het gangbare dialect van haar gebied te spreken. Niet gebleken is dat zij de aan haar tijdens het eerste en het nader gehoor gestelde vragen onjuist zou hebben beantwoord. Bovendien gaat verweerder er aan voorbij dat de Soedanese autoriteiten langere tijd een hardhandig opgelegde islamisering- en arabiseringscampagne voeren waaraan de Nuba-stammen worden onderworpen. In dit kader wijst eiseres op het rapport van de Minority Rights Group en het rapport van de African Rights. Om bovengenoemde redenen acht eiseres de conclusie van verweerder dat zij eenduidig afkomstig is uit Noord-Soedan en eenduidig niet afkomstig is uit het Nuba-gebied, niet gerechtvaardigd. Verweerder heeft nagelaten om ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alle relevante omstandigheden bij de besluitvorming te betrekken. Tot slot stelt eiseres onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 15 oktober 2001 (Awb 01/50447), dat slechts van een inhoudelijk oordeel over de aangedragen asielmotieven kan worden afgezien, indien buiten redelijke twijfel staat dat de door de vreemdeling opgegeven nationaliteit onjuist is. Eiseres acht het dan ook onzorgvuldig dat verweerder het asielrelaas niet inhoudelijk heeft getoetst. Dit klemt te meer daar uit de verklaringen van eiseres blijkt dat haar man werd vervolgd vanwege oppositionele activiteiten. Uit haar verklaringen en uit overige aanwijzingen is gebleken dat eiseres als gevolg daarvan slachtoffer is geworden van (seksueel) geweld door overheidsfunctionarissen tijdens de uitoefening van hun functie en ten gevolge daarvan is getraumatiseerd. Daarnaast is zij omwille van de veiligheid van haar kinderen gevlucht.

Verder heeft de gemachtigde van eiseres bij brieven van respectievelijk 18 september 2002, 11 maart 2004 en 15 maart 2004 nadere informatie aan de rechtbank doen toekomen omtrent de medische situatie van eiseres en haar dochter.

Tot slot heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 18 maart 2004 een contra-expertise, gedateerd op 16 maart 2004, aan de rechtbank doen toekomen.

Beoordeling van het beroep

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Soedan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag. Voor zover eiseres in de gronden van het beroep de stelling heeft opgeworpen dat zij afhankelijk was van haar reisagent, wijst de rechtbank op onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 8 oktober 2002, onder kenmerknummer 200204720/1, waarin de ABRS heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat eiseres afhankelijk was van een reisagent niet kan afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing – waar mogelijk – van haar reis- en asielrelaas. Verweerder heeft aan het bovenstaande gelet op vaste jurisprudentie van de ABRS zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hiermee de oprechtheid van het asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres. De verwijzing naar de brief van de UNHCR van 5 oktober 1998, doet hier niet aan af. Dit geldt evenzeer de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 maart 2002 (Awb 00/65302 en Awb 00/65298).

Met betrekking tot het door de gemachtigde van eiseres in de gronden van beroep betoogde dat, indien verweerder van mening is dat eiseres in de verstrekking van informatie tekort is geschoten, het ingevolge het bepaalde in C3/13, hoofdstuk 4 paragraaf 4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) op de weg van verweerder had gelegen aanvullende vragen te stellen, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie van de ABRS is het aan eiseres om met name in het nader gehoor zelf haar vluchtmotieven naar voren te brengen en niet aan verweerder om deze met aanvullende vragen aan het licht te brengen.

2.9 Onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van 15 juli 2003, nr. 200302083/1, van de ABRS, overweegt de rechtbank dat indien er sprake is van omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker, in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.10 Aan de orde is de vraag of verweerder zich op basis van de conclusie in het rapport van de taalanalyse van 1 mei 2001 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het asielrelaas van eiseres geen geloof wordt gehecht.

2.11 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres – zakelijk weergegeven – primair naar voren gebracht dat de door haar in de procedure ingebrachte contra-expertise van 16 maart 2004 ingevolge artikel 83 Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep dient te worden betrokken. In dit kader wordt daartoe aangevoerd dat stelling is genomen tegen de conclusie van het rapport taalanalyse en dat de contra-expertise voortbouwt op het al eerder ingenomen standpunt dat het rapport taalanalyse niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Nu verweerder vasthoudt aan de conclusie van het rapport taalanalyse, is alsnog een contra-expertise opgestart.

Subsidiair heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting de stelling opgeworpen dat verweerder niet heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de relevante punten in de zienswijze, voor zover deze de conclusie van de taalanalist betroffen. Nu in de zienswijze gefundeerde kritiek op de kwalificaties van de taalanalist zijn geuit en in dat kader vele vragen zijn opgeworpen, had het op de weg van verweerder gelegen het Bureau Taalanalyse met de in de zienswijze naar voren gebrachte kritiekpunten te confronteren teneinde een reactie te vragen.

2.12 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de in de procedure ingebrachte contra-expertise van 16 maart 2004 ingevolge artikel 83 Vw 2000 niet bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken, aangezien dit geen nieuw feit betreft. In dit kader is verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 18 december 2003, onder kenmerknummer 200305222/1, gepubliceerd in JV 2004/54.

Voorts heeft verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd aangegeven dat, indien eiseres zich niet in de uitkomst van het rapport taalanalyse kon vinden, zij in de fase van totstandkoming van het bestreden besluit een contra-expertise had moeten laten verrichten. Dat eiseres in de zienswijze gefundeerde kritiek op de deskundigheid van de taalanalist heeft geuit en in dat verband vele vragen heeft gesteld, doet hier niet aan af.

2.13 De rechtbank overweegt als volgt.

2.14 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 3:2 Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:9 Awb dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

2.15 Verweerder heeft, als methode van onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiseres, gebruik gemaakt van een taalanalyse. Op 28 februari 2001 is in de vorm van een extra aanvullend gehoor een gesprek, gevoerd tussen eiseres en een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in aanwezigheid van een tolk, op band opgenomen. Op 1 mei 2001 is eiseres in kennis gesteld van het resultaat van het rapport taalanalyse. De uitkomst van voormeld rapport taalanalyse was dat eiseres eenduidig valt te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Noord-Soedan, Khartoum en omstreken, en dat zij derhalve niet uit het Nuba-gebergte afkomstig is. Verweerder hecht op basis van dit rapport taalanalyse geen geloof aan de door eiseres opgegeven afkomst en daarmee evenmin aan haar asielrelaas.

2.16 Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 12 februari 2004, in zaak nummer 200307258/1, overweegt de rechtbank dat uit artikel 3:2 Awb en artikel 3:9 Awb voorvloeit dat verweerder, indien hij in het kader van de beoordeling van een asielaanvraag een taalanalyse laat verrichten, zich ervan dient te vergewissen dat het rapport niet zodanige gebreken vertoont dat hij daarop zijn besluitvorming niet mede kan baseren.

Voorts bestaat op grond van vaste jurisprudentie geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van het Landelijk Bureau Taalanalyse en het uitvoeren van een taalanalyse kan in beginsel als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit of het land van herkomst van de asielzoeker. Dit laat evenwel onverlet dat in concrete gevallen aanknopingspunten kunnen bestaan om aan de deskundigheid van de onderzoeker en de juistheid van de conclusie van de taalanalyse te twijfelen. Dat eiseres voorafgaande aan de besluitvorming nog geen contra-expertise had laten verrichten, betekent niet dat geen redenen aanwezig kunnen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de taalanalyse. De rechtbank acht dergelijke aanknopingspunten in het onderhavige geval aanwezig.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op grond van het resultaat van het rapport taalanalyse in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen geloof wordt gehecht aan de door eiseres opgegeven afkomst en daarmee evenmin aan haar asielrelaas. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat verweerder niet heeft voldaan aan de aldus op hem rustende vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 Awb en artikel 3:9 Awb, aangezien verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte niet is ingegaan op de in de zienswijze naar voren gebrachte punten waarin gefundeerde kritiek op de deskundigheid van de taalanalist is geuit en evenmin heeft gerespondeerd op de in de zienswijze opgeworpen vragen. De enkele verwijzing door verweerder in de bestreden beschikking en ter zitting naar de mogelijkheid van het laten verrichten van een contra-expertise ligt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in de rede in die situaties waarin op concrete wijze de uitkomst van het rapport taalanalyse is bestreden. In dit kader kent de rechtbank betekenis toe aan de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres in de zienswijze van 18 december 2001 onder de punten vier tot en met tien vele vragen heeft opgeworpen met betrekking tot de deskundigheid van de taalanalist en de wijze waarop het advies tot stand is gekomen. In zo’n geval ligt het, mede gelet op de op verweerder rustende vergewisplicht als bedoeld in eerdergenoemd artikel 3:2 Awb en artikel 3:9 Awb, op de weg van verweerder om de betrokken taalanalist – in het onderhavige geval was slechts één taalanalist bij het onderzoek betrokken – met die gefundeerde kritiek, zoals gesteld in de zienswijze, te confronteren en om een reactie te vragen en zonodig een tweede taalanalist bij het onderzoek te betrekken. Daartoe bestond in het onderhavige geval te meer aanleiding, aangezien de gemachtigde van eiseres - anders dan de ABRS in onder meer haar uitspraak van 26 augustus 2003, nr. 200303048/1 heeft geoordeeld - in de zienswijze niet volstaan heeft met het plaatsen van enkel kritische kanttekeningen bij het rapport van de taalanalyse. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen volgt de rechtbank het door verweerders gemachtigde ter zitting ingenomen standpunt dat de conclusie van het rapport taalanalyse uitsluitend via de weg van een contra-expertise kan worden betwist, dan ook niet.

2.18 Aangezien, gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 2.14 tot en met 2.17 is overwogen, niet is gebleken dat het rapport taalanalyse met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, heeft verweerder zich niet op basis van het resultaat van het rapport taalanalyse in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het asielrelaas van eiseres geen geloof wordt gehecht om reden dat zij onjuiste informatie over haar afkomst heeft verstrekt.

2.19 Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste als bedoeld in artikel 3:46 Awb en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen als bedoeld in artikel 3:2 Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.20 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

2.21 Voor zover de gemachtigde van verweerder ter zitting – onder verwijzing naar de uitspraak van 18 december 2003, nr. 200305222/1, gepubliceerd in JV 2004/5 – heeft betoogd dat de contra-expertise van 16 maart 2004 ingevolge artikel 83 Vw 2000 niet bij de beoordeling kan worden betrokken, omdat voornoemde contra-expertise niet als nieuw feit als bedoeld in voormeld artikel 83 Vw 2000 kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat meergenoemde contra-expertise dient te worden beschouwd als een nadere onderbouwing van eerder door eiseres in de procedure ingenomen stellingen, die betrekking heeft op de inhoud van de besluitvorming

De rechtbank geeft verweerder mee dat hij bij het nemen van een nieuw besluit de conclusies van de contra-expertise van 16 maart 2004 betrekt. Tevens gaat de rechtbank ervan uit dat, aangezien de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat hij het resultaat van de contra-expertise aan het Landelijk Bureau Taalanalyse heeft voorgelegd, die daarop haar reactie heeft gegeven, verweerder deze reactie van voornoemd Landelijk Bureau Taalanalyse aan de gemachtigde van eiseres zal doen toekomen, teneinde haar de gelegenheid te geven hierop te reageren. De rechtbank gaat er tevens van uit dat verweerder de door de gemachtigde van eiseres nog nader te geven reactie eveneens bij het nemen van een nieuw besluit betrekt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 9 juli 2002;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te voldoen.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 18 mei 2004.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 27mei 2004