Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
08-10-2004
Zaaknummer
09/900667-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[...] Verdachte heeft gedurende ruim een maand samen met een ander twee minderjarige meisjes, nadat zijn mededader deze meisjes had geholpen van huis weg te lopen, bij zich in huis gehaald en hen in de prostitutie gebracht. De medeverdachte heeft één van de meisjes voorgespiegeld dat zij een relatie met hem had. Bij het andere meisje hebben verdachte en zijn medeverdachte seksuele handelingen verricht onder het mom van inwerken. Dagelijks zijn de beide meisjes weggebracht naar en opgehaald van een tippelzone. Het aldaar verdiende geld dienden zij aan de medeverdachte af te geven. Voorts werden de meisjes in hun bewegingsvrijheid beperkt, doordat zij afgezonderd zijn gehouden en verdachte en zijn medeverdachte altijd in de buurt bleven wanneer zij als prostituee werkzaam waren. [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/900667-04

rolnummer 0012

's-Gravenhage, 08 oktober 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in P.I. Haaglanden, P.C.S. Unit 3 te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 september 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Jordan heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

Door de uit de bewijsmiddelen blijkende rol van verdachte bij het plegen van de strafbare feiten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich heeft aangesloten bij zijn medeverdachte, die de feiten geïnitieerd heeft, en dat derhalve de samenwerking met de medeverdachte zo nauw en volledig is geweest dat de rechtbank concludeert tot medeplegen van de feiten zoals bewezenverklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende ruim een maand samen met een ander twee minderjarige meisjes, nadat zijn mededader deze meisjes had geholpen van huis weg te lopen, bij zich in huis gehaald en hen in de prostitutie gebracht. De medeverdachte heeft één van de meisjes voorgespiegeld dat zij een relatie met hem had. Bij het andere meisje hebben verdachte en zijn medeverdachte seksuele handelingen verricht onder het mom van inwerken. Dagelijks zijn de beide meisjes weggebracht naar en opgehaald van een tippelzone. Het aldaar verdiende geld dienden zij aan de medeverdachte af te geven. Voorts werden de meisjes in hun bewegingsvrijheid beperkt, doordat zij afgezonderd zijn gehouden en verdachte en zijn medeverdachte altijd in de buurt bleven wanneer zij als prostituee werkzaam waren.

De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij deze twee zeer kwetsbare meisjes, van 15 respectievelijk 16 jaar, van wie hij wist dat zij problemen in de thuissituatie hadden, heeft uitgebuit. Door deze handelwijze heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, er blijk van gegeven minachting te hebben voor jonge meisjes en hun lichamelijke integriteit.

Voorts is vast komen te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, reeds eerder is veroordeeld.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, rechtvaardigt. Gezien de jeugdige leeftijd van verdachte, zal de rechtbank echter een gedeelte daarvan voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dient verdachte er van te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan soortgelijke of andere strafbare feiten. De rechtbank zal aan verdachte een lagere straf opleggen dan aan zijn medeverdachte, gezien zijn geringere rol bij het plegen van de strafbare feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 250a van het Wetboek

van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 1 en 2:

een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is en het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op 25 juni 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op 28 juni 2004;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Donker, voorzitter,

Sentrop en Hartmann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van Vugt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 08 oktober 2004.