Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3304

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2004
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/23114
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Leges / internationale verdragsbepalingen.

Eisers aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van de verschuldigde leges. Eiser stelt dat de invoering van legesheffing in strijd is met de Grondwet en enkele internationale verdragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op artikel 94 Grondwet, in het bestreden besluit ten onrechte gesteld dat niet relevant is of artikel 24, tweede lid, Vw 2000 in strijd is met de door eisers genoemde internationale bepalingen en dat eisers aanvraag enkel getoetst dient te worden aan de bepalingen van de Vw 2000. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb. Dat verweerder in zijn verweerschrift bij de rechtbank alsnog een wellicht dragende motivering voor zijn besluit heeft gegeven, doet hieraan niet af. Ter toetsing ligt immers voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 94
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/390
RV20040097 met annotatie van Groenendijk C.A. Kees
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Reg.nr. : AWB 04/23114

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. ZITTING

Datum: 5 augustus 2004.

Zitting hebben:

mr. A. van ‘t Laar, lid van de enkelvoudige kamer,

drs. C.H.M. Pastoors, griffier.

Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. Tevens is verschenen mevrouw Yasa, tolk.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan als onder III. vermeld.

II. OVERWEGINGEN

In geschil is het besluit van 20 april 2004 waarbij het bezwaar van eiser van 26 mei 2003 tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning bepaalde tijd met als doel “verblijf bij echtgenote” ongegrond is verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd terecht buiten behandeling is gesteld wegens het niet betalen van de verschuldigde leges. De omstandigheid dat eiser inmiddels de leges wel heeft voldaan leidt niet tot een ander oordeel, omdat in het geval van een buitenbehandelingstelling in bezwaar ex tunc getoetst wordt. Met de strekking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet te verenigen dat een betrokkene het in zijn macht zou hebben de gevolgen van de buitenbehandelingstelling ongedaan te maken door hangende het bezwaar de oorspronkelijke aanvraag alsnog aan te vullen.

Voorts stelt verweerder dat de door eiser aangevoerde grond dat de invoering van de legesheffing in strijd is met de Grondwet, het Europees Sociaal Handvest, het Europees Vestigingsverdrag en de Associatieovereenkomst EEG/Turkije in het onderhavige geval niet relevant is, nu de aanvraag getoetst wordt aan het gestelde in de Vreemdelingenwet 2000. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is een vreemdeling leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag in de door verweerder te bepalen gevallen. Op grond van artikel 3.34a, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen wordt terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, leges geheven.

Verweerder acht verzoekers bezwaar, gelet op het voorgaande, kennelijk ongegrond.

Eiser stelt – samengevat en voorzover hier van belang – dat verweerder in het bestreden besluit enkel is ingegaan op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot artikel 4:5 van de Awb. Verweerder is ten onrechte niet, althans niet voldoende, ingegaan op hetgeen eiser in bezwaar overigens heeft aangevoerd, namelijk dat de legesheffing in zijn geval in strijd is met artikel 104 van de Grondwet, artikel 18 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 21 van het Europees Vestigingsverdrag en artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Verweerders standpunt dat de genoemde internationale bepalingen niet relevant zijn, is duidelijk onjuist, omdat bij strijdigheid van wetten in formele dan wel materiele zin met internationale verdragen de nationale regelgeving buiten toepassing dient te blijven gelet op het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke bepalingen geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op deze bepaling van de Grondwet, in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet relevant is of artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in strijd is met de door eisers genoemde internationale bepalingen en dat eisers aanvraag enkel getoetst dient te worden aan de bepalingen van de Vw 2000. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte nagelaten aan te geven of de toepassing van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in strijd zou zijn met deze internationale bepalingen en zo nee, waarom niet. Het bestreden besluit ontbeert derhalve een deugdelijke motivering, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Dat verweerder in zijn verweerschrift bij de rechtbank alsnog een wellicht dragende motivering voor zijn besluit heeft gegeven, doet hieraan niet af. Ter toetsing ligt immers voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Het beroep is derhalve gegrond.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74 van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ten behoeve van deze procedure dient te vergoeden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. treft op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening, inhoudende dat verweerder de uitzetting van verzoeker achterwege laat totdat de beroepstermijn tegen het nieuwe besluit op het bezwaar van 26 mei 2003 is verstreken;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

6. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,- vergoedt.

de griffier, de rechter,

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u zich wenden tot www.raadvanstate.nl.

afschrift verzonden op: 11 augustus 2004