Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3274

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
05-10-2004
Zaaknummer
KG 04/1134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[...] Eiseres vordert -zakelijk weergegeven-:

a. gedaagden te veroordelen de roerende zaken aan eiseres terug te geven en de daaruit verworven kennis niet te gebruiken;

b. gedaagden sub 1, 2 en 3 te veroordelen de vereniging Vereniging LPF op te heffen, althans de naam daarvan te veranderen in een naam zonder de aanduidingen 'Lijst Pim Fortuyn' en/of 'LPF';

c. gedaagde sub 4 te veroordelen de domeinnamen te doen overschrijven op naam van eiseres;

d. gedaagden sub 5 tot en met 11 te verbieden om de namen 'Lijst Pim Fortuyn' en 'LPF (fractieleden)' te gebruiken of zich met die namen te doen aanspreken, zowel in als buiten de Tweede Kamer van de Staten-Generaal; [...]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2004,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 04/1134 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Politieke Vereniging Lijst Pim Fortuyn,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J.L.J.M. van de Mortel,

advocaat mr. F.C. Staehle te Amsterdam,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

4. de stichting [gedaagde sub 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

niet verschenen,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

8. [gedaagde sub 8],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

9. [gedaagde sub 9],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

10. [gedaagde sub 10],

wonende te [woonplaats]

niet verschenen,

11. [gedaagde sub 11],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur voor gedaagden sub 1, 4 en 11 mr. A.L.Chr.M. Oomen.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagden doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 28 september 2004. Gedaagden sub 2, 3 en 5 tot en met 10 zijn niet verschenen. Gedaagden sub 1, 4 en 11 (hierna ook '[gedaagden sub 1, 4 en 11]') zijn wel verschenen en hebben bij monde van hun procureur verweer gevoerd tegen de vorderingen van eiseres.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 september 2004 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Op 31 mei 2002 heeft eiseres de woordmerken 'Lijst Pim Fortuyn' en 'LPF' doen deponeren bij het Benelux-Merkenbureau.

2.2. Gedaagden sub 1, 2 en 3 zijn in ieder geval van 19 juni 2004 tot 17 augustus 2004 bestuurslid geweest van eiseres.

2.3. Voor 17 augustus 2004 hebben gedaagden sub 1, 2 en 3 aan eiseres toebehorende roerende zaken waaronder administratie (hierna ook 'de roerende zaken') meegenomen. Voorts heeft gedaagde sub 1 op 11 augustus 2004 diverse aan eiseres toebehorende domeinnamen (hierna ook 'de domeinnamen') doen overschrijven op naam van gedaagde sub 4.

2.4. Op 11 augustus 2004 is de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Vereniging LPF opgericht. Gedaagden sub 1, 2 en 3 zijn bestuurders van die vereniging.

2.5. Gedaagden sub 5 tot en met 11 (hierna ook 'de fractieleden') zijn leden van de LPF fractie in de Tweede Kamer. Bij brieven van 24 augustus 2004 hebben zij hun lidmaatschap van eiseres opgezegd.

2.6. Bij brief van 25 augustus 2004 hebben gedaagden sub 1, 2 en 3 eiseres bericht: '(..) Voor zover het je ontgaan is breng ik je in herinnering dat ik met jou en [betrokkene] intensief telefonisch contact heb gehad op 17 en 18 augustus 2004 waarbij ik jullie twee dingen kenbaar heb gemaakt:

1. wij treden terug als bestuurslid met ons drieën

2. er wordt ter bevestiging hiervan een overdrachtsdocument gemaakt.

In die telefoongesprekken en in de telefoongesprekken daarna heb ik je bevestigd dat het overdrachtsdocument getekend moet worden ten einde een overdracht van bestuurstaken en verantwoordelijkheden in zijn geheel te bewerkstelligen.(..)'

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert -zakelijk weergegeven-:

a. gedaagden te veroordelen de roerende zaken aan eiseres terug te geven en de daaruit verworven kennis niet te gebruiken;

b. gedaagden sub 1, 2 en 3 te veroordelen de vereniging Vereniging LPF op te heffen, althans de naam daarvan te veranderen in een naam zonder de aanduidingen 'Lijst Pim Fortuyn' en/of 'LPF';

c. gedaagde sub 4 te veroordelen de domeinnamen te doen overschrijven op naam van eiseres;

d. gedaagden sub 5 tot en met 11 te verbieden om de namen 'Lijst Pim Fortuyn' en 'LPF (fractieleden)' te gebruiken of zich met die namen te doen aanspreken, zowel in als buiten de Tweede Kamer van de Staten-Generaal;

alles op straffe van een dwangsom.

Daartoe voert eiseres -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

Gedaagden sub 1, 2 en 3 waren niet bevoegd de roerende zaken mee te nemen. Zij zijn derhalve gehouden deze terug te geven aan eiseres.

De naam 'Vereniging LPF' is misleidend en vormt een inbreuk op de merkrechten van eiseres, althans is jegens haar onrechtmatig.

Gedaagde sub 1 was niet bevoegd de domeinnamen over te schrijven op naam van gedaagde sub 4. Gedaagde sub 4 dient deze overschrijving derhalve ongedaan te maken.

Het gebruik door gedaagden sub 5 tot en met 11 van de namen 'Lijst Pim Fortuyn' en 'LPF' is verwarrend en mitsdien onrechtmatig, in strijd met de Kieswet en een inbreuk op de merkrechten van eiseres.

[gedaagden sub 1, 4 en 11] voeren gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De procureur van [gedaagden sub 1, 4 en 11] heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig is en dat derhalve tegen de niet verschenen gedaagden geen verstek kan worden verleend, omdat in de laatste alinea van pagina 2 van de dagvaarding ten onrechte gesteld is dat gedaagden vertegenwoordigd door een procureur dienen te verschijnen.

4.2. Nu de dagvaarding op twee eerdere plaatsen wèl vermeldt dat gedaagden ook in persoon kunnen verschijnen, wordt geoordeeld dat in de betreffende alinea van de dagvaarding sprake is van een kennelijke verschrijving die niet tot nietigheid leidt. Tegen de niet verschenen gedaagden zal daarom verstek worden verleend.

4.3. [gedaagden sub 1, 4 en 11] hebben aangevoerd dat gedaagden sub 1, 2 en 3 nog steeds bestuurslid van eiseres zijn. Dit kort geding is derhalve aanhangig gemaakt door personen die niet bevoegd zijn eiseres te vertegenwoordigen. Daarbij hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] aangevoerd dat gedaagden sub 1, 2 en 3 weliswaar bij brief van 25 augustus 2004 aan eiseres hun bestuurslidmaatschap hebben opgezegd, maar dat die opzegging werd gedaan onder de opschortende voorwaarde dat er een overdrachtsdocument getekend zou worden. Nu het overdrachtsdocument nog niet is getekend zijn zij -aldus [gedaagden sub 1, 4 en 11]- nog bestuursleden van eiseres.

4.4. Dit verweer van [gedaagden sub 1, 4 en 11] wordt verworpen. Dat gedaagden sub 1, 2 en 3 onder een opschortende voorwaarde zouden hebben opgezegd is onvoldoende aannemelijk geworden. Uit de hiervoor genoemde brief blijkt weliswaar dat er een overdrachtsdocument dient te worden opgemaakt, maar niet dat gedaagden sub 1, 2 en 3 tot die tijd bestuurders zullen blijven. Daarnaast verwijst die brief naar telefoongesprekken op 17 en 18 augustus 2004 in welke telefoongesprekken ook al medegedeeld was dat de bestuurders zouden terugtreden. Dat in die telefoongesprekken een opschortende voorwaarde is gesteld, is gesteld noch gebleken.

4.5. Voorts hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] aangevoerd dat het aanhangig maken van dit kort geding in strijd zou zijn met artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW). Ook dit verweer wordt verworpen. Geoordeeld wordt dat het instellen van vorderingen als de onderhavige niet in strijd is met de ingevolge dat artikel in acht te nemen redelijkheid en billijkheid.

4.6. Voor wat betreft de hierboven onder a. genoemde vordering inzake het meenemen van de roerende zaken hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] gesteld dat gedaagden sub 1, 2 en 3 daartoe wèl bevoegd waren. Voorts hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] aangegeven dat zij de roerende zaken hebben meegenomen om deze in veiligheid te stellen en dat zij deze bij hun decharge aan de algemene vergadering van eiseres terug willen geven.

4.7. Nu [gedaagden sub 1, 4 en 11] erkend hebben dat gedaagden sub 1, 2 en 3 aan eiseres in eigendom toebehorende roerende zaken hebben meegenomen en nog onder zich hebben terwijl zij niet meer bevoegd zijn die zaken onder zich te hebben uit hoofde van hun bestuurslidmaatschap, wordt geoordeeld dat zij deze roerende zaken dienen terug te geven aan eiseres als rechthebbende; zij zullen daartoe veroordeeld worden. Redenen waarom zij de teruggave van deze roerende zaken mogen opschorten zijn niet gebleken. Het te geven gebod zal zich uitstrekken tot alle gedaagden nu niet valt uit te sluiten dat enkele roerende zaken zich inmiddels onder hen bevinden. Het door eiseres gevorderde verbod tot het gebruiken van uit die roerende zaken verkregen kennis zal worden afgewezen, nu niet gebleken is van (dreigend) onrechtmatig gebruik van die kennis.

4.8. Voor wat betreft de hierboven onder c. genoemde vordering inzake de domeinnamen, hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] aangevoerd dat de overschrijving heeft plaatsgevonden omdat gedaagde sub 4 de domeinnamen heeft betaald.

4.9. De domeinnamen zijn op 11 augustus 2004 overgeschreven door toedoen van gedaagde sub 1 die toen nog bestuurder van eiseres was. Eiseres stelt weliswaar dat gedaagde sub 1 niet bevoegd was de domeinnamen te doen overdragen, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 4 van die onbevoegdheid op de hoogte was c.q. redelijkerwijs had moeten zijn. Gelet op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW kan eiseres die (eventuele) onbevoegdheid daarom niet aan gedaagde sub 4 tegenwerpen. De hierboven onder c. genoemde vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10. Voor wat betreft de hierboven onder b. en d. genoemde vorderingen hebben [gedaagden sub 1, 4 en 11] aangevoerd dat:

- de fractieleden ingevolge artikel 71 Grondwet (Gw) immuniteit genieten;

- het gebruik van de namen 'LPF' en 'Lijst Pim Fortuyn' alleen dan misleidend is indien deze worden gebruikt door personen die het gedachtegoed van Pim Fortuyn niet (langer) dragen;

- eiseres deze namen niet mag monopoliseren, nu zulks tegen de openbare orde is;

- gedaagden deze namen niet in het economisch verkeer gebruiken;

- de fractieleden aan hun kiezers verplicht zijn hun activiteiten te blijven verrichten onder de naam waaronder zij verkozen zijn.

4.11. Vooropgesteld wordt dat de fractieleden op grond van artikel 71 Gw niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd. Nu de vorderingen van eiseres dit deels miskennen, zijn deze in elk geval niet onverkort toewijsbaar. Voor zover de vorderingen van eiseres zullen worden toegewezen zullen deze daarom -voor zover nodig- worden beperkt op de wijze als hierna vermeld.

4.12. Zowel gedaagden sub 1, 2 en 3 (als bestuurders van de Vereniging LPF) als de fractieleden maken gebruiken van de namen 'LPF' en/of 'Lijst Pim Fortuyn', precies dezelfde namen worden door eiseres gebruikt, voor zo goed als dezelfde activiteiten. Het gevaar voor verwarring bij het publiek is groot.

4.13. Dat er nu kennelijk twee groeperingen zijn die het gedachtegoed van Pim Fortuyn beweren uit te dragen, brengt niet met zich mee dat zij beide bevoegd zijn de namen 'LPF' en Lijst Pim Fortuyn' te gebruiken. Eiseres heeft immers de oudste rechten. Leden die zich afscheiden, zoals gedaagden sub 1, 2 en 3 en de fractieleden, kunnen hun werkzaamheden onder een nieuwe naam voortzetten die evenwel niet verwarring bij het publiek mag geven.

4.14. Of gedaagden sub 1, 2 en 3 en de fractieleden gebruik van de namen 'LPF' en Lijst Pim Fortuyn' maken 'in het economisch verkeer', als vereist door artikel 13 Eenvormige Beneluxwet op de merken, kan in het midden blijven, nu eiseres de onrechtmatigheid van het gebruik van deze namen ook baseert op artikel 6:162 BW.

4.15. Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat het door gedaagden sub 1, 2 en 3 en de fractieleden gemaakte gebruik van de namen 'LPF' c.q. 'Lijst Pim Fortuyn' onrechtmatig is. De hierboven onder b. genoemde vordering zal daarom in die zin worden toegewezen dat gedaagden sub 1, 2 en 3 veroordeeld zullen worden de naam van de Vereniging LPF te wijzigen op de wijze als hierna vermeld. Voor zover deze vordering strekt hen te veroordelen de Vereniging LPF op te heffen, zal deze worden afgewezen, nu zulks onnodig en te ingrijpend is. De hierboven onder d. genoemde vordering zal worden toegewezen, met een beperking als genoemd onder 4.11.

4.16. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Er zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.17. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verleent verstek tegen gedaagden sub 2, 3 en 5 tot en met 10;

gebiedt gedaagden de aan eiseres toebehorende administratie waaronder ledenbestanden, software en alle vermenigvuldigingen daarvan en (mobiele) telefoons en alle andere aan eiseres toebehorende zaken binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan eiseres terug te geven;

gebiedt gedaagden sub 1, 2 en 3 de naam van de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Vereniging LPF binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis te wijzigen in een naam zonder de aanduidingen 'Lijst Pim Fortuyn' en/of 'LPF';

verbiedt gedaagden sub 5 tot en met 11 om zich na twee werkdagen na betekening van dit vonnis buiten de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit aan te (doen) spreken met de namen 'Lijst Pim Fortuyn' en/of 'LPF' en/of 'LPF fractieleden', en/of deze namen te voeren;

veroordeelt iedere gedaagde tot betaling aan eiseres van een dwangsom van € 2.500,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat hij of zij de hiervoor gegeven geboden niet mocht naleven c.q. voor iedere keer dat hij of zij het hiervoor gegeven verbod of enige gedeelte daarvan niet mocht naleven, met een maximum van € 100.000,-- per gedaagde;

bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.16. is vermeld;

veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.614,24, waarvan € 703,-- aan salaris procureur, € 241,-- aan griffierecht en € 670,24 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

jwo