Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2313

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
29-09-2004
Zaaknummer
AWB 04/15114, 04/15112
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / laisser-passer / discriminatie / herhaalde aanvraag.

Het beroep is gericht tegen de afwijzing van een herhaald asielverzoek, waarbij tevens is besloten geen staatlozenvergunning te verlenen. Eiser is een etnische Armeen uit Azerbeidzjan en stelt dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten weigeren laisser-passers te verstrekken. Ter onderbouwing wijst eiser op een door hemzelf geschreven brief aan de ambassade in Berlijn, naar een verslag van een bezoek aan deze ambassade door een medewerker van VluchtelingenWerk en naar een brief van de IND van 10 juli 2003. Bovendien stelt hij dat deze informatie een novum oplevert, omdat dit zijn asielrelaas in een ander daglicht stelt. Verweerder stelt dat geen sprake is van nova in de zin van artikel 4:6 Awb en dat het verkijgen van een laissez-passer door etnische Armenen lastig is maar niet onmogelijk. Ter onderbouwing wijst verweerder op een ‘démarche’ waaruit e.e.a. zou blijken. De voorzieningenrechter stelt vast dat het dossier geen afschrift bevat van een stuk waarin de uitkomsten van de démarche zijn neergelegd. Dit betekent dat de hierin verwoorde informatie niet kan worden beoordeeld in het licht van de door verzoeker naar voren gebrachte informatie. Hieruit volgt dat de bestreden beschikking niet zorgvuldig is voorbereid en evenmin draagkrachtig gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

Zittinghoudende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Regnrs.: Awb 04/15114 (voorlopige voorziening) en Awb 04/15112 (beroep)

uitspraak: 22 april 2004

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1962,

van Azerbajdzjaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9909.15.2083,

verzoeker,

gemachtigde: mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Hofstee, ambtenaar bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 28 maart 2004 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 31 maart 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tevens heeft verweerder ambtshalve overwogen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van het beleid inzake staatloze vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (hierna: staatlozen-vergunning).

1.2 Bij beroepschrift van 1 april 2004 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen voornoemd besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 04/15112. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 1 april 2004 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Bij faxbericht van 13 april 2004 heeft verzoeker de gronden van het beroep, tevens gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening, ingediend.

1.3 Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 16 april 2004. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen, zakelijk weergegeven en voor zover in geschil

2.1 Verzoeker heeft eerder, te weten op 16 september 1999, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 11 augustus 2000 afgewezen. Door de uitspraak van 20 oktober 2003 (Awb 02/36119) van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, is dit besluit onherroepelijk geworden. Vervolgens heeft hij op 28 maart 2004 wederom een asielaanvraag ingediend. Hij heeft aan zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat de Azerbajdzjaanse autoriteiten weigeren een laissez passer en andere documenten te verstrekken aan hun eigen burgers, indien zij een Armeense achtergrond hebben. Hierbij is niet doorslaggevend de officiële etnische afkomst, maar wordt gekeken naar de ‘etnische wortels’. Dat de Azerbajdzjaanse autoriteiten etnische criteria hanteren bij de afgifte van documenten blijkt volgens verzoeker onder meer uit zijn brief d.d. 9 december 2003 aan de Azerbajdzjaanse ambassade te Berlijn, het verslag d.d. 17 april 2003 van W. Kamminga, crisismanager noodopvang Winsum, van een bezoek aan die ambassade op 16 april 2003 en verweerders brief d.d. 10 juli 2003 aan mr. drs. L.J. Blijdorp, een collega van zijn gemachtigde. Verzoeker is met verwijzing naar de uitspraak van 7 november 2003 van de AbRS (JV 2004, 15) van mening dat deze omstandigheid een novum is, omdat dit zijn asielrelaas in een ander daglicht stelt. Bovendien illustreert voornoemde informatie dat hij zich thans in een situatie bevindt waarin hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat voornoemde brieven en het verslag geen nova in de zin van artikel 4:6, tweede lid, Awb zijn. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat verzoeker geen etnische Armeen is; gelet op de etnische afkomst van zijn vader moet hij worden beschouwd als een Azeri. Zo hij wel moet worden beschouwd als een etnische Armeen, is van belang dat het verkrijgen van een laissez passer voor een etnische Armeen, alhoewel lastig, niet onmogelijk is. In dit verband heeft verweerder gewezen op een zogenoemde démarche d.d. 18 juli 2003. Hieruit blijkt dat namens het Azerbajdzjaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken tegenover het hoofd van het Nederlandse ambassadekantoor te Baku is ontkend dat etniciteit een rol speelt bij de afgifte van documenten; elke Azerbajdzjaanse staatsburger heeft het recht terug te keren naar Azerbajdzjan, ongeacht zijn of haar etniciteit. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een staatlozen-vergunning, omdat hij niet heeft aangetoond staatloos te zijn. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat verzoeker zowel tijdens de eerste asielprocedure als tijdens de huidige procedure heeft gesteld de Azerbajdzjaanse nationaliteit te bezitten.

2.3 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb heeft afgewezen. Hij begrijpt niet dat verweerder de uitkomsten van de démarche zonder nader onderzoek heeft overgenomen. Immers, deze uitkomsten staan haaks op de mededelingen die zijn gedaan door een medewerker van de Azerbajdzjaanse ambassade te Berlijn tijdens het bezoek aan deze ambassade op 16 april 2003. Ook staan de uitkomsten van de démarche haaks op de inhoud van de verweerders brief van 10 juli 2003. Met betrekking tot de weigering een reguliere staatlozen-vergunning te verlenen, merkt verzoeker tenslotte op dat staatloosheid ingevolge het ter zake geldende beleid geen voorwaarde is voor verlening van een dergelijke vergunning.

Beoordeling van het verzoek

2.4 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, gewezen op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in de onderhavige zaak het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat het dossier geen afschrift bevat van een stuk waarin de uitkomsten van de démarche zijn neergelegd. Dit betekent dat de hierin verwoorde informatie niet kan worden beoordeeld in het licht van de door verzoeker naar voren gebrachte informatie. Zo kan niet worden nagegaan op grond van welke argumenten namens de Azerbajdzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken is ontkend dat sprake is van etnische criteria bij de afgifte van documenten of dat sprake is van een enkele, niet nader onderbouwde stelling. Evenmin kan worden geverifieerd of en zo ja in hoeverre de Armeense achtergrond, daargelaten de officiële etniciteit, een rol speelt bij de afgifte van documenten. Hieruit volgt dat de beschikking van 31 maart 2004 onzorgvuldig is genomen en niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de bestreden beschikking zal wegens strijd met genoemde Awb-artikelen worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van verzoeker, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6 Ingevolge 8 Vw, aanhef en onder f, Vw 2000 heeft de vreemdeling, die in afwachting is van een beslissing op zijn asielaanvraag, rechtmatig verblijf, terwijl bij of krachtens deze wet uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, Vb 2000 heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen een verblijfsvergunning tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de aanvraag naar het voorlopig oordeel van Onze Minister een herhaalde aanvraag betreft.

Nu verweerder de aanvraag van verzoeker heeft beschouwd als een herhaalde aanvraag moet worden aangenomen dat hij, hangende een nieuwe beslissing op deze aanvraag, met uitzetting wordt bedreigd. Derhalve ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich dient te onthouden van iedere maatregel dan wel voorbereiding gericht op uitzetting van verzoeker tot vier weken nadat opnieuw is beslist op de aanvraag van verzoeker.

2.7 Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoeker € 966,= (beroepschrift 1 punt, verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 31 maart 2004;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, te begroten op € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 22 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (het hoger beroepschrift) en een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC DEN HAAG

In het hoger beroepschrift dient u te vermelden waarom u de uitspraak niet juist vindt (de grieven). Er is geen mogelijkheid tot herstel verzuim indien het hoger beroepschrift geen grieven bevat.

Afschrift verzonden op: 22 april 2004