Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ2090

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
26-08-2004
Zaaknummer
AWB 03/55536
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Détournement de pouvoir / motivering / verbeuring dwangsom.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 september 2003 geoordeeld dat verweerder opnieuw niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar te nemen en heeft tevens een dwangsom vastgesteld. Deze uitspraak kan alleen aldus worden verstaan dat is opgedragen een besluit te nemen waaraan de noodzakelijke inhoudelijke afweging ten grondslag ligt. Gezien de minuut van het bestreden besluit stelt de rechtbank vast dat het besluit is genomen met het enkele doel daarmee te voldoen aan eerdergenoemde uitspraak om te beslissen binnen de gestelde termijn en daarmee te voorkomen dat de gestelde dwangsom werd verbeurd. Dit is door verweerder ter zitting ook erkend. Nu bij het nemen van het besluit verweerder uitsluitend de bedoeling heeft gehad om de verbeuring van de dwangsom te ontlopen, terwijl bijzondere feiten en omstandigheden ter rechtvaardiging van deze handelswijze zich niet hebben voorgedaan, heeft verweerder de bevoegdheid tot het nemen van zijn besluit voor een ander doel aangewend dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met het in artikel 3:3 Awb opgenomen verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld. Beroep gegrond. Het verzoek van eiseres te bepalen dat verweerder de bij eerdere uitspraak opgelegde dwangsom heeft verbeurd wordt afgewezen. De vaststelling of dwangsommen daadwerkelijk zijn verbeurd, behoort niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/55536 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1960, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.A.K. Sol, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 18 april 2002 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 op grond van het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/29. Daarbij heeft zij aan verweerder de vrijheid gelaten om aan de te verlenen verblijfsvergunning een bij het feitencomplex passende beperking toe te kennen.

2. Bij bezwaarschrift van 27 november 2002 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Eiseres heeft bij beroepschrift van 7 maart 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Bij uitspraak van 2 juni 2003 heeft deze rechtbank en zittingsplaats (AWB 03/14944 BEPTDN) het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar dient te nemen.

3. Bij beroepschrift van 17 juli 2003 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar alsmede tegen het niet tijdig nemen van een reële beslissing. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 september 2003 (AWB 03/39339 BEPTDN) het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar dient te nemen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 115,-- voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden.

4. Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

5. Bij beroepschrift van 21 oktober 2003 heeft eiseres tegen dit besluit gemotiveerd beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is aangevuld bij brieven van 5, 6 en 29 januari 2004. Op 5 februari 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 30 januari 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Rimena, als tolk in de Russische taal.

II. FEITEN

1. Eiseres heeft haar aanvraag onderbouwd bij brief van 18 april 2002. In deze brief wordt - voor zover hier van belang - gesteld dat zij in en buiten Azerbeidzjan verschillende traumatische ervaringen heeft gehad. Blijkens het bij de brief gevoegde model M50 (checklist mvv-vereiste) beroept eiseres zich op vrijstelling van het vereiste van het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat het voor haar gelet op haar gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen alsmede omdat het stellen van het mvv-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule).

2. Verweerder heeft bij brief van 1 september 2003 aan eiseres meegedeeld dat haar aanvraag wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het ondergaan van medische behandeling en heeft eiseres verzocht de toestemmingsverklaring voor medische informatie ingevuld terug te zenden. Bij brief van 12 september 2003 heeft eiseres de machtigingsformulieren ondertekend teruggezonden en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de beperking “medische behandeling” te beperkt is en in strijd is met zowel internationale als nationale bepalingen.

3. In beroep heeft eiseres haar standpunt onderbouwd onder overlegging van de volgende stukken:

- een brief van H.J. Stradmeijer, psychiater bij de GGZ Drenthe, van 5 september 2003, waarin deze verklaart dat hij eiseres sinds de negatieve beslissing niet meer heeft gezien en dat een toename van de posttraumatische stressklachten alsmede een toename van de kans op zelfdoding als gevolg van de afwijzing zeer waarschijnlijk is;

- een brief van H.J. Stradmeijer van onbekende datum in 2003, waarin deze verklaart dat het leven volgens eiseres geen betekenis meer heeft, als ze teruggestuurd wordt, en dat de rechter zelf wel kan bedenken wat voor effect dat zou kunnen hebben op de hier in Nederland bereikte stabilisatie; en

- een brief van H.J. Stradmeijer van 23 januari 2004, waarin deze verklaart dat de laatste keer dat hij eiseres zag de situatie onveranderd was en dat het op straat zetten van eiseres inhumaan is.

4. Eiseres heeft bij brief van 6 januari 2004 de minuut, behorende bij het bestreden besluit, aan de rechtbank toegezonden. In deze minuut staat, naast het procedureoverzicht en voor zover hier van belang, als onderwerp vermeld “kennelijk ongegrond vier weken”. Voorts staat op de minuut de volgende opmerking vermeld: “Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank om binnen vier weken te beslissen, besloten het advies van BMA niet af te wachten, maar te beslissen op het bezwaarschrift.”

III. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

1.1. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

1.2. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 houden de dat artikel bedoelde beperkingen verband met het ondergaan van medische behandeling. Op grond van artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning onder deze beperking worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van verweerder deugdelijk is geregeld. Ingevolge het tweede lid van dit artikel ondertekent de vreemdeling bij de aanvraag een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor toepassing van het eerste lid.

1.3. Volgens hoofdstuk B8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt ter beoordeling van de vraag of de beoogde behandeling in Nederland dient plaats te vinden, advies ingewonnen van het Bureau Medische Advisering (BMA) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Volgens paragraaf 1.1 van voornoemd hoofdstuk van de Vc 2000 - voor zover hier van belang - zullen voor de vraag of Nederland het meest aangewezen land is om de medische behandeling te verrichten in het algemeen inlichtingen worden ingewonnen bij de behandelend arts. Hiervoor is toestemming van de vreemdeling noodzakelijk, middels een toestemmingsverklaring. Om de afhandeling te bespoedigen wordt de (advies)aanvraag, in verband met de beslistermijn, voorzien van de uiterste datum waarop het advies moet zijn ontvangen bij de aanvrager. Dit advies wordt betrokken bij de inhoudelijke afdoening van de aanvraag. Het is in verband met de voortgang van de toelatingsprocedure wenselijk om zo snel mogelijk het BMA in te schakelen.

1.4. Volgens hoofdstuk B8/3 van de Vc 2000 kan in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, verweerder ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid. Volgens paragraaf B1/2.1.1 van de Vc 2000 betreft deze bepaling een bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning te verlenen die niet in het Vb 2000 is geregeld. Deze bevoegdheid, die overigens ook categoraal kan worden toegepast, zal terughoudend worden toegepast.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gronden die namens of door eiseres worden aangevoerd in het bezwaarschrift niet tot het oordeel leiden dat gebleken is dat internationale verplichtingen tot inwilliging van de aanvraag nopen en ook niet dat met de aanwezigheid van eiseres hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Evenmin is gebleken dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een verblijfsvergunning dient te worden verleend. Uit de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiseres is aangevoerd blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren van eiseres ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. In verband hiermee is op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiseres.

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit slechts is genomen om de door de rechtbank opgelegde dwangsom te omzeilen. Er heeft geen enkele inhoudelijke afweging plaatsgevonden. Verweerder heeft beslist zonder eerst medische informatie in te winnen. De beschikking in primo is een fictieve beschikking, die derhalve niet is gemotiveerd, waardoor het bezwaar om die reden niet kennelijk ongegrond kan zijn en waardoor eiseres in bezwaar gehoord had moeten worden. Uit het bestreden besluit valt niet op te maken of het tevens een beslissing op het zogenaamde 14/01-verzoek inhoudt. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de artikelen 3:2, 3:3, 3:46, 3:47, 7:2, 7:3 en 7:12 van de Awb alsmede artikel 13 van de Vw 2000, artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet hierop, verzoekt eiseres de rechtbank het volgende:

a. primair: zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat verweerder een verblijfsvergunning dient te verlenen onder de beperking “beperking conform beschikking Minister” met ingang van de datum van de aanvraag;

b. daarnaast: te bepalen dat, nu het besluit moet worden vernietigd, de opgelegde dwangsom toch verbeurd is en wordt tot het moment dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist;

c. subsidiair: te bepalen dat verweerder binnen een week, althans binnen een andere door de rechtbank te bepalen termijn, alsnog een zorgvuldige beslissing dient te nemen op het bezwaarschrift, en daarbij de dwangsom te verhogen naar € 500,-- per dag, althans een ander door uw rechtbank te bepalen bedrag, en in de uitspraak op te nemen dat aan het besluit een onderzoek van de medisch adviseur ten grondslag moet liggen;

d. meer subsidiair: verweerder te veroordelen tot het betalen van een (immateriële dan wel materiële) schadevergoeding ter waarde van de bij uitspraak van 10 september 2003 opgelegde dwangsom, alsof verweerder tot aan het moment van de uitspraak tot de datum van het ingediende beroep nog steeds niet opnieuw op het bezwaarschrift heeft beslist;

e. verweerder te veroordelen in de proceskosten.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het uitbrengen van een advies door het BMA, ondanks het feit dat een dergelijk advies noodzakelijk is voor de besluitvorming omtrent een aanvraag als de onderhavige, zoals door verweerder ter zitting ook is bevestigd en zoals ook volgt uit het hierboven weergegeven beleid, niet heeft afgewacht en een beslissing op bezwaar heeft genomen. De onderhavige aanvraag is reeds ingediend op 18 april 2002. Bij deze aanvraag is de klemmende situatie waarin eiseres verkeert, kenbaar gemaakt. Verweerder heeft evenwel pas op 1 september 2003, derhalve twee maanden na de eerste uitspraak van deze rechtbank, waarbij het beroep kennelijk gegrond is verklaard, aanleiding gezien om te verzoeken om toestemming voor het inwinnen van medische informatie, op grond waarvan het BMA advies kan uitbrengen. Gelet hierop is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Verweerder heeft voorts in het bestreden besluit volstaan met een standaardmotivering en heeft geen enkele inhoudelijke motivering toegevoegd aan de ongegrondverklaring van het bezwaar. Een dergelijk besluit, dat slechts formeel gesproken de kenmerken van een besluit bevat, kan, zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Voorts heeft verweerder ten onrechte geen aanleiding gezien om eiseres, conform artikel 7:2 van de Awb, te horen op haar bezwaarschrift, ondanks het feit dat het primaire besluit in de onderhavige procedure een fictief besluit betreft. Juist in een geval als dit dient de hoorzitting om informatie te verzamelen en eiseres in de gelegenheid te stellen haar standpunt toe te lichten. Het voorgaande leidt reeds tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld.

6. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de eerdergenoemde uitspraak van 10 september 2003 geoordeeld dat verweerder (opnieuw) niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. De rechtbank heeft het beroep (opnieuw) kennelijk gegrond verklaard en heeft aan verweerder opgedragen om binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank op grond van artikel 8:72, zevende lid, van de Awb tevens een dwangsom van € 115,-- vastgesteld, welke verweerder verbeurt indien hij niet aan de uitspraak voldoet. Deze uitspraak kan alleen aldus worden verstaan dat is opgedragen een besluit te nemen waaraan de noodzakelijke inhoudelijke afweging ten grondslag ligt. Deze afweging ontbreekt in het bestreden besluit, hetgeen tot het oordeel leidt dat verweerder (weer) voorbij is gegaan aan een rechterlijke uitspraak.

7. Gezien de minuut van het bestreden besluit stelt de rechtbank vast dat het besluit is genomen met het enkele doel daarmee te voldoen aan eerdergenoemde uitspraak om te beslissen binnen de gestelde termijn en daarmee te voorkomen dat de gestelde dwangsom werd verbeurd. Dit is door de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd ook erkend. Nu bij het nemen van het besluit verweerder uitsluitend de bedoeling heeft gehad om de verbeuring van de dwangsom te ontlopen, terwijl bijzondere feiten en omstandigheden ter rechtvaardiging van deze handelswijze zich niet hebben voorgedaan, heeft verweerder de bevoegdheid tot het nemen van zijn besluit voor een ander doel aangewend dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in strijd met het in artikel 3:3 van de Awb opgenomen verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld.

8. Nu het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 3:3, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met voornoemde artikelen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal dit nieuwe besluit dienen te nemen binnen een termijn van vier weken na bekendmaking van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding op grond van artikel 8:72, zevende lid, van de Awb een dwangsom vast te stellen, welke de Staat der Nederlanden verbeurt indien verweerder aan de uitspraak niet of niet volledig gevolg geeft. Deze dwangsom wordt, gelet op de hoogte van het bedrag van de eerdere dwangsom en de inhoud van deze uitspraak, vastgesteld op € 230,-- per dag.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding om overeenkomstig het verzoek van eiseres op grond van

artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige procedure reeds langer duurt dan strikt noodzakelijk is, maar dat neemt niet weg dat van deze bevoegdheid in beginsel alleen gebruik mag worden gemaakt als na de vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De verwijzing van eiseres naar het besluit van verweerder dat eiseres in een situatie analoog aan artikel 64 van de Vw 2000 verkeert en dat derhalve de voorzieningen op grond van de Wet Centraal Opvang orgaan Asielzoekers (COA) gecontinueerd moeten worden, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het (wettelijk) toetsingskader in een dergelijke procedure verschilt van het toetsingskader in het geval van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier, al dan niet op grond van medische behandeling.

10. Het verzoek van eiseres om te bepalen dat verweerder de bij de uitspraak van 10 september 2003 opgelegde dwangsom heeft verbeurd, dient te worden afgewezen. Ingevolge artikel 8:76 van de Awb kan een uitspraak, voor zover zij strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag - waaronder begrepen dwangsommen - ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hieruit volgt dat de vaststelling of dwangsommen daadwerkelijk zijn verbeurd niet tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behoort.

11. Eiseres heeft verder gesteld dat zij als gevolg van de handelswijze van verweerder in de onderhavige procedure schade heeft geleden en heeft verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade. De materiële schade is daarin gelegen dat zij, nu enkel een besluit is genomen om ervoor te zorgen dat geen dwangsommen worden verbeurd, ten onrechte de dwangsommen niet ontvangt. De immateriële schade betreft de psychische schade die eiseres lijdt als gevolg van de lange en onzorgvuldige procedure. Eiseres heeft in dat verband gewezen op de onder II.3 vermelde brief van H.J. Stradmeijer van 5 september 2003.

11.1. Verweerder betwist dat materiële schade is geleden. De stelling dat immateriële schade is geleden, acht verweerder onvoldoende onderbouwd.

11.2. Het verzoek van eiseres om vergoeding van materiële schade moet worden afgewezen. Nu de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen, worden daardoor op grond van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb tevens alle rechtsgevolgen van dat besluit vernietigd. Niet ondenkbaar is derhalve, dat verweerder ingevolge de uitspraak van 10 september 2003 alsnog dwangsommen heeft verbeurd, in welk geval de gestelde schade - wat daarvan verder ook zij - niet is geleden. Zoals is overwogen onder rechtsoverweging III.10 is de bestuursrechter niet bevoegd te oordelen over de verbeuring van dwangsommen.

11.3. Voor vergoeding van immateriële schade bestaat ingevolge het hier toepasselijke artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek aanleiding indien de benadeelde als gevolg van het onrechtmatig genomen besluit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld artikelonderdeel moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op opgelopen geestelijk letsel, dan wel ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Uit de door eiseres overgelegde medische verklaringen, genoemd onder II.3, blijkt dat een toename van de posttraumatische stressklachten aannemelijk is. Deze verklaringen kunnen evenwel niet tot de conclusie leiden dat, als rechtstreeks gevolg van het thans te vernietigen besluit (extra) geestelijk letsel is geleden. Daartoe is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld. Evenmin is gebleken dat verweerders handelswijze een ernstige inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van eiseres. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade dient dan ook te worden afgewezen.

12. Gelet op het voorgaande is er tevens aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

13. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht-bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver-goeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit neemt met

inachtneming van deze uitspraak;

4. bepaalt dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 230,-- (zegge: tweehonderddertig euro) voor elke dag dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden, tot en met de dag van de bekendmaking van het besluit;

5. wijst het verzoek om schade af;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

7. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderdzestien euro).

Gewezen door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en openbaar gemaakt op: 26 maart 2004

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 26 maart 2004

Conc: SaS

Coll: EHL

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.