Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ1720

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
05-08-2004
Zaaknummer
AWB 02/58740, 03/8906
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / contra-expertise.

In deze zaak zijn taalanalyses verricht door de taalanalist met code Arm 4. Er is geen contra-expertise uitgevoerd. VluchtelingenWerk heeft een klacht ingediend tegen twaalf andere zaken, waarin de taalanalyse door deze taalanalist is uitgevoerd. Daarbij zijn contra-expertises overgelegd. Dit is voor verweerder aanleiding geweest in die zaken ter controle nogmaals een onderzoek te laten verrichten. Dit is gebeurd door het Franse instituut INALCO. Uit het door verweerder overgelegde rapport van het Bureau Land en Taal blijkt dat de Franse expert andere uitgangspunten hanteert bij een taalanalyse dan het Bureau Land & Taal. De conclusie is dat de Franse resultaten geen aanleiding geven aan te nemen dat Arm 4 vooringenomen is geweest, aangezien de resultaten van de contra-expert en die van Arm 4 elkaar grotendeels overlappen. Het rapport maakt echter niet inzichtelijk hoe die conclusie tot stand is gekomen, en de uitkomsten van het Franse onderzoek zijn niet eenduidig. Verweerder heeft niet zorgvuldig heeft gehandeld door zonder nader onderzoek vast te houden aan de resultaten van de taalanalyses. Dat inmiddels op grond van onderzoek van INALCO de klacht van VluchtelingenWerk ongegrond is verklaard, kan aan dat oordeel niet afdoen omdat de klacht enkel ziet op de vooringenomenheid van de taalanalist met de code Arm 4. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/58740 en Awb 03/8906

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1959,

eiser en zijn echtgenote,

B,

geboren op [...] 1968,

eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen,

allen van Azerbeidjaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9901.21.8138,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Amsterdam,

eisers;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. A. Fanoy, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 22 januari 1999 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikkingen van 28 november 2000, uitgereikt op 3 januari 2001, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 3 januari 2001 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikkingen van 18 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij brief van 31 juli 2002 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Bij beschikkingen van 18 juli 2002 heeft verweerder ambtshalve beslist dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Bij brief van 31 juli 2002 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikkingen van 16 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij brief van 11 februari 2003 is daartegen beroep ingesteld.

1.3 De beroepen zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van 23 maart 2004. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

3 Standpunten

3.1 In de bestreden besluiten asiel heeft verweerder geoordeeld dat geen geloof wordt gehecht aan de door eisers gestelde identiteit en nationaliteit, zodat daarom evenmin aan het asielrelaas van eisers geloof kan worden gehecht. Eisers hebben derhalve onjuiste gegevens verstrekt. Daartoe heeft verweerder gewezen op de conclusies van de taalanalyses dat eisers, anders dan zij stellen, eenduidig zijn te herleiden tot de Republiek Armenië. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om contra-expertises te laten uitvoeren, zodat de resultaten van de taalanalyses onverminderd van kracht blijven.

Nu eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt, komen zij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘tijdsverloop in de asielprocedure’.

3.2 Eisers hebben gemotiveerd de juistheid van het oordeel van verweerder betwist. De taalanalyses zijn onzorgvuldig tot stand gekomen. Daarom heeft verweerder niet de uitkomst van die analyses ten grondslag kunnen leggen aan zijn oordeel.

Ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt in hun asielprocedure. Eisers komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

4 Overwegingen

asiel

4.1 De rechtbank stelt vast dat het geschil is toegespitst op de vraag of verweerder in redelijkheid op grond van de conclusies van de taalanalyses zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen geloof wordt gehecht aan de gestelde identiteit en nationaliteit en, in het verlengde daarvan, aan het asielrelaas van eisers.

4.2 De rechtbank stelt vast dat op grond van vaste jurisprudentie het uitvoeren van een taalanalyse in beginsel als een goede en geoorloofde methode kan worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit c.q. het land van herkomst van betrokkenen. Tevens stelt de rechtbank vast dat de taalanalyses zijn uitgevoerd door de taalanalist met code ARM 4, die werkt onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, zijnde het Bureau Land en Taal. De taalanalisten die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van dit Bureau worden, zo is de rechtbank ambtshalve bekend, onderworpen aan een selectieprocedure en staan onder voortdurende kwaliteitscontrole.

4.3 De rechtbank ziet niettegenstaande het voorgaande in deze zaak grond voor de conclusie dat er gerede twijfel is ontstaan omtrent de resultaten van de taalanalyses, verricht door de taalanalist met de code Arm 4.

4.4 Daartoe is het volgende redengevend.

Middels het schrijven van 31 oktober 2003 heeft verweerder de rechtbank bericht dat een gemotiveerde klacht van Vluchtelingenwerk Midden Twente van 29 april 2003 inzake twaalf zaken, waarin taalanalyses zijn uitgevoerd door de taalanalist met code ARM 4 en waarin contra-expertises waren overgelegd, voor hem aanleiding is geweest om in die zaken ter controle nogmaals een onderzoek te verrichten. De bandopnamen op basis waarvan de taalanalist tot zijn conclusies in die twaalf zaken is gekomen, zijn naar het Institute National des Langues et Cultures Orientales (INALCO) te Parijs verzonden, met het verzoek van verweerder om deze nogmaals te analyseren. Middels het schrijven van 31 oktober 2003 en het schrijven van 6 januari 2004 heeft verweerder vervolgens de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep in deze zaak aan te houden, teneinde hem in de gelegenheid te stellen de algemene bevindingen van INALCO in het geding te brengen.

Uit het door verweerder overgelegde rapport van het Gemeenschappelijke Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling (GC KAD) van het Bureau Land en Taal d.d. 5 februari 2004 blijkt dat de Franse expert andere uitgangspunten hanteert bij het verrichten van een taalanalyse dan het Bureau Land & Taal van de IND. De conclusie luidt dat de resultaten van de Franse onderzoeker geen aanleiding geven om aan te nemen dat ARM 4 vooringenomen is geweest, aangezien de resultaten van de contra-expert en die van ARM 4 elkaar grotendeels overlappen. In het rapport wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe die conclusie tot stand is gekomen. Mede gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de uitkomsten van het Franse onderzoek niet eenduidig zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door zonder nader onderzoek vast te houden aan de resultaten van de taalanalyses in de onderhavige zaak. Het feit dat eisers zelf geen contra-expertise hebben laten verrichten, doet hier niet aan af, nu verweerder zelf aanleiding gezien heeft, weliswaar in andere zaken, nader onderzoek te laten verrichten naar de resultaten van de taalanalyses.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande niet de conclusies van de taalanalyses, tezamen met de constatering dat eisers geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om contra-expertises te laten uitvoeren, ten grondslag mogen leggen aan zijn oordeel dat geen geloof wordt gehecht aan de gestelde identiteit en nationaliteit en, in het verlengde daarvan, aan het asielrelaas van eisers. Evenmin heeft verweerder derhalve op grond van het voorgaande mogen concluderen dat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt.

Dat inmiddels op grond van onderzoek van INCALCO, zoals is neergelegd in een rapport d.d. 5 februari 2004 van het GC KAD van het Bureau Land en Taal, de klacht van Vluchtelingenwerk ongegrond is verklaard, kan aan dat oordeel niet afdoen, reeds omdat de klacht enkel ziet op de vooringenomenheid van de taalanalist met de code Arm 4.

4.5 Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen zijn de bestreden besluiten niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en ontberen zij een deugdelijke motivering.

Het beroep van eisers is mitsdien gegrond en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.

4.6 Met betrekking tot de in beroep door eisers overgelegde brief van de consulaire afdeling van de ambassade van de Republiek Armenië d.d. 22 oktober 2003 wordt nog overwogen dat die brief een kopie betreft, zodat geen sprake is van een feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 Vw 2000. Bovendien is gesteld noch gebleken dat een brief van deze afdeling met een soortgelijke strekking niet voor de bestreden besluiten had kunnen worden ingebracht, zodat ook daarom geen sprake is van een feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 Vw 2000.

4.7 Gezien het onder 4.4 overwogene, bestaat aanleiding voor de rechtbank om met toepassing van artikel 8:74, vierde lid, Awb te bepalen dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.8 De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten.

regulier

4.9 Zoals onder 4.4 is vermeld, heeft verweerder niet de conclusies van de taalanalyses, tezamen met de constatering dat eisers geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om contra-expertises te laten uitvoeren, ten grondslag mogen leggen aan zijn oordeel dat geen geloof wordt gehecht aan de gestelde identiteit en nationaliteit en, in het verlengde daarvan, aan het asielrelaas van eisers. Evenmin heeft verweerder derhalve op grond van het voorgaande mogen concluderen dat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt.

Uit het voorgaande, tezamen met de omstandigheid dat de aanvragen regulier louter zijn afgewezen op grond van de overweging dat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt, aangezien eisers verklaren afkomstig te zijn uit Azerbeidzjan, vloeit voort dat de bestreden besluiten regulier eveneens niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en een deugdelijke motivering ontberen.

4.10 Het beroep van eisers is mitsdien gegrond en de bestreden besluiten regulier zullen worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.

4.11 De rechtbank ziet in het vorengaande aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten en het door hun betaalde griffierecht.

5 BESLISSING

De rechtbank verklaart:

- de beroepen gegrond;

- vernietigt de beschikkingen van 18 juli 2002 en van 16 januari 2003;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren van 3 januari 2001 en van 31 juli 2002 dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van 966,-- Euro onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffie-recht van 109,- Euro aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. de Haas in tegenwoordigheid van mr. Y. Adams als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2004

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, voor zover in de uitspraak is geoordeeld dat het beroep, gericht tegen de beschikkingen van 18 juli 2002 gegrond is. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover in de uitspraak is geoordeeld dat het beroep, gericht tegen de beschikkingen van 16 januari 2003 gegrond is. Dit moet onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 12 mei 2004