Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ1717

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2004
Datum publicatie
05-08-2004
Zaaknummer
AWB 02/71047
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Angola / geloofwaardigheid asielrelaas.

Eiseres is artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 tegengeworpen. Eiseres heeft geen reisdocumenten overgelegd. Verweerder stelt dat de mededelingen van eiseres ten aanzien van haar reis verifieerbaar zijn. Nu niet gebleken is dat verweerder die heeft geverifieerd, is het besluit op dit punt onzorgvuldig. Ten aanzien van het nationaliteitsdocument heeft verweerder betoogd dat de verklaring van eiseres dat zij geen nationaliteitsdocument heeft, niet wordt geloofd nu eiseres de vragen omtrent Angola onvoldoende heeft beantwoord en haar asielrelaas derhalve ongeloofwaardig is. Dit betreft een cirkelredenering. Verweerder heeft gehandeld in strijd met hoofdstuk C1/5.8.3 Vc 2000, omdat het tegenwerpen van het ontbreken van nationaliteitsdocumenten niet is gebaseerd op hetgeen conform de onderdelen a en b uit dat hoofdstuk aan de orde dient te worden gesteld. Verweerder heeft evenwel in redelijkheid het niet overleggen van een identiteitsdocument kunnen tegenwerpen zodat verweerder ook heeft kunnen concluderen dat eiseres toerekenbaar documentloos is. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert nu eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent haar geboorteplaats en de duur van haar verblijf in Angola. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2004-05-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/71047 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1955, van (gestelde) Angolese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. V.W.J. Kuit, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 13 april 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, thans aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 14 juni 2002 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 8 augustus 2002 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 16 september 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 10 oktober 2002 en aangevuld bij brief van 23 december 2002. Op 7 augustus 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17 oktober 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 17 oktober 2003 heeft eiseres nog enige stukken in het geding gebracht.

3. Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2003. Bij beslissing van 30 januari 2004 is het onderzoek ingevolge artikel 8:68 van de Awb heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

4. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 31 maart 2004. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J.B. Kabasubabu, tolk in de Lingala taal en C, de zus van eiseres.

II. ASIELRELAAS

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is in Kinshasa, voormalig Zaïre, geboren als D. Zij behoort tot de bevolkingsgroep van de Bakongo. Haar ouders hebben de Angolese nationaliteit. Eiseres is nimmer in het bezit geweest van een document, dat haar Angolese nationaliteit aantoont. Eiseres heeft vanaf haar geboorte tot november 1997 in de Democratische Republiek Congo (DRC) gewoond. Zij is op traditionele wijze gehuwd met een staatsburger van de DRC. Eiseres stond geregistreerd bij de Angolese ambassade in de DRC. In de DRC heeft eiseres besloten een andere naam te gebruiken, te weten A in plaats van D. Van een officiële registratie was geen sprake. Zij heeft de Angolese ambassade niet van haar naamsverandering op de hoogte gesteld. In 1997 heeft haar man middels steekpenningen een valse Congolese identiteitskaart voor eiseres geregeld om hiermee uit de DRC te kunnen reizen. Haar man werd gezocht door de Congolese autoriteiten in verband met een conflict met een legercommandant. Haar man is met de kinderen naar Congo Brazzaville vertrokken. Eiseres is afgereisd naar Angola. In Angola is eiseres samen met haar broer door militairen meegenomen en in een kamp nabij Luanda geplaatst. In het kamp is zij diverse malen verkracht door soldaten. Eiseres heeft van november 1998 tot maart 2000 vastgezeten. Eiseres werd naar een ziekenhuis gebracht vanwege inwendige bloedingen. Zij is met hulp van een verpleegkundige uit het ziekenhuis ontsnapt. Gebruikmakend van een vals Angolees paspoort is zij vervolgens van Angola naar Nederland gevlogen met een tussenstop in Nigeria.

III. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Ingevolge de Vw 2000 houdt het bestreden besluit de beslissing in over de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3. Artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 bevat de gronden op grond waarvan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. (….).

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Verweerder heeft eiseres het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen en geconcludeerd dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig is.

6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet tot voornoemde conclusie heeft kunnen komen.

7. In geschil is derhalve of verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is. De rechtbank stelt vast dat de overwegingen uit het voornemen in het bestreden besluit zijn overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd. De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder in redelijkheid het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen.

8. Niet in geschil is dat eiseres geen reisdocumenten heeft overgelegd. Verweerder heeft in het voornemen gesteld dat het ontbreken van deze documenten aan eiseres is toe te rekenen nu zij omtrent haar reisverhaal geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd. Ter zitting is namens verweerder gesteld dat de mededelingen van eiseres in het eerste gehoor, waarbij zij de vliegtuigmaatschappij (KLM) en de datum van aankomst te Nederland (3 april 2000) heeft genoemd, voldoende concreet zijn voor een verificatie. Het beleid van verweerder terzake is opgenomen in C1/5.8.3 van de Vc 2000 en luidt, voor zover hier relevant:

"In het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van de documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen."

Gelet op dit beleid en de mededeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiseres verstrekte informatie had dienen te verifiëren. Gesteld noch gebleken is dat dit door verweerder is gedaan, zodat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met de zorgvuldigheid.

Daarnaast is van belang dat, nadat eiseres voornoemde informatie had gegeven, verweerder eiseres niet nader heeft gevraagd naar gegevens over de vlucht van eiseres naar Nederland. De rechtbank is van oordeel dat van eiseres redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij uit eigen beweging meer gedetailleerde gegevens over de vlucht verstrekt, zodat eiseres op dat punt geen tegenwerping kan worden gemaakt.

9. Ten aanzien van de nationaliteitsdocumenten overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat er geen documenten ter staving van de nationaliteit van eiseres zijn overgelegd. Eiseres heeft tijdens het eerste gehoor verklaard dat zij nimmer in het bezit is geweest van een Angolees paspoort. Ter zitting is namens verweerder betoogd dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is, waarbij met name van belang is dat eiseres de haar gestelde vragen omtrent Angola onvoldoende heeft beantwoord en dat derhalve de verklaring van eiseres, dat zij geen nationaliteitsdocumenten heeft, niet wordt geloofd. De rechtbank is van oordeel dat deze redenering een cirkelredenering is omdat de inhoudelijke beoordeling van het relaas de motivering vormt voor het tegenwerpen van het ontbreken van documenten. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 27 januari 2003 (JV 2003, 103) blijkt dat eerst beoordeeld dient te worden of op goede gronden het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is tegengeworpen voordat het relaas inhoudelijk wordt beoordeeld.

Daarnaast is van belang het beleid van verweerder. Blijkens paragraaf C1/5.8.3 van de Vc 2000 dient het bij de beoordeling van de toerekenbaarheid immers steeds te gaan om de volgende vragen:

“a. Zijn de verklaringen omtrent het betreffende element en het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig?

b. Komen deze verklaringen overeen met hetgeen overigens bekend is?”

Op grond van het dossier en het gestelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met voornoemd beleid omdat het tegenwerpen van het ontbreken van nationaliteitsdocumenten niet is gebaseerd op hetgeen conform a en b voornoemd aan de orde dient te komen. Derhalve is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de zorgvuldigheid en ontbeert het een draagkrachtige motivering.

10. Ten aanzien van het identiteitsdocument heeft eiseres, kort weergegeven, verklaard dat zij ten tijde van haar vertrek uit de DRC in het bezit was van een Congolese identiteitskaart, welke zij bij het verlaten van dit land te Muanda heeft ingewisseld voor een laissez-passer voor het passeren van de grens van de DRC en Angola. Deze laissez-passer heeft eiseres vervolgens in Angola ingewisseld voor een document dat zij aanvankelijk heeft aangeduid als cedula. Later heeft zij in twijfel getrokken of dit document wel een cedula was. Dit (aanvankelijk als cedula aangeduide) document heeft eiseres in Luanda achtergelaten. Gesteld noch gebleken is dat het voor eiseres niet mogelijk is geweest om het document, dat is achtergelaten in Luanda, over te leggen. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid het niet overleggen van een identiteitsdocument aan eiseres kunnen tegenwerpen.

11. Bij brief van 17 oktober 2003 is namens eiseres verzocht om haar zus Veronica Lukwikila Mbunga ter zitting te horen. Dit verzoek is tijdens de zitting van 31 maart 2004 niet herhaald. Afgezien daarvan heeft de rechtbank geen aanleiding kunnen vinden om de zus van eiseres te horen omdat eiseres in haar eerste gehoor heeft verklaard dat zij sinds 1979 geen contact meer had met deze zus en de zus derhalve niets kan verklaren over het ontbreken van identiteitsdocumenten.

12. Het vaststellen dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, ondanks hetgeen onder III.8 en 9 is overwogen, dan ook in redelijkheid het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kunnen tegenwerpen.

13. Aan de orde is dan de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert of, zoals door verweerder in het voornemen is verwoord, dat de verklaringen van eiseres dermate summier, vaag en tegenstrijdig zijn dat er aan de verklaringen omtrent de gestelde gebeurtenissen geen waarde kan worden gehecht.

14. Verweerder heeft een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt. Verweerder heeft betoogd dat eiseres ten aanzien van haar arrestatie tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. In het voornemen stelt verweerder:

“Daarnaast heeft betrokkene over haar gestelde arrestatie tegenstrijdig verklaard. Zo verklaart zij in het nader gehoor dat haar broer werd geslagen en werd meegenomen naar het gevangenenkamp. In de correcties en aanvullingen verklaart betrokkene dat zij, nadat haar broer bij diens woning was geslagen, hem niet meer heeft gezien.”

De correcties en aanvullingen luiden, voor zover hier van toepassing:

“Ik was bij mijn broer in Luanda. Mijn zus was al weggegaan. Er waren problemen tussen Zaïrezen en Angolezen, waarmee ik doel op vervolging van Bakongo afkomstig uit Uige door de Angolese autoriteiten. De mannen die mij en mijn broer arresteerden zeiden: ‘dat is ze’; kennelijk dachten ze dat ik mijn zus C was die tot voor kort op dat adres had gewoond. Ik verstond het Portugees van de mannen niet goed. Ik begreep niet wat ze mijn broer verweten. Mijn broer werd verschrikkelijk hard geslagen, zo erg dat ik niet wist of hij nog leefde. Ik heb hem sindsdien niet meer gezien of van hem gehoord.”

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat, anders dan verweerder in het voornemen stelt, eiseres in de correcties en aanvullingen niet heeft verklaard dat haar broer bij diens woning was geslagen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet die interpretatie heeft kunnen geven aan de correcties en aanvullingen zoals in het voornemen is gedaan.

15. Voorts heeft verweerder gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres de Angolese nationaliteit heeft nu zij onjuiste en incomplete antwoorden heeft gegeven op essentiële vragen over Angola. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een aantal feiten niet weet omdat zij van de periode van tweeëneenhalf jaar dat zij in Angola heeft verbleven twee jaar was gedetineerd. Verweerder heeft betoogd dat dit geen afdoende verklaring is voor de onwetendheid van eiseres. Verweerder heeft dit standpunt echter niet nader gemotiveerd, zodat er in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek.

16. Verweerder heeft gesteld dat eiseres omtrent haar overstaptijd tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd nu zij in het eerste gehoor omtrent haar reis heeft verklaard dat zij op 2 april 2000 in Nigeria aankwam en op 3 april 2000 uit dit land vertrok terwijl zij in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat zij in Nigeria alleen de overstaptijd heeft doorgebracht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gereageerd op de verklaring in de zienswijze dat eiseres ’s nachts is overgestapt, zodat hier eveneens sprake van een motiveringsgebrek.

17. Het vorenstaande leidt evenwel niet tot een gegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent haar geboorteplaats. Hierbij is van belang dat eiseres onder meer bij de aanmelding hier te lande, bij de ondertekening van de aanvraag om toelating als vluchteling en bij het eerste gehoor heeft verklaard te zijn geboren in Kimbenzi (Angola). Tijdens het nader gehoor heeft zij echter verklaard te zijn geboren in Kinshasa (DRC). In beroep heeft eiseres gesteld dat in Afrika de plaats van (stam)afkomst doorgaans bepalend is en niet de geboorteplaats en dat een tolk- of interpretatiefout heel snel gemaakt is. Mede gelet op het feit dat eiseres na het eerste en het nader gehoor bevestigend heeft geantwoord op de vraag of zij de tolk goed had verstaan begrepen, is de rechtbank van oordeel dat voornoemde verklaringen onvoldoende zijn om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen.

18. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent de duur van haar verblijf in Angola. In het eerste gehoor heeft eiseres verklaard dat zij vanaf haar geboorte tot 1970 in Angola heeft gewoond terwijl zij dit in het nader gehoor heeft herzien en heeft gesteld dat zij eerst in 1979 naar Angola is verhuisd en voordien nimmer in Angola heeft gewoond. Ook hiervoor heeft eiseres geen afdoende verklaring gegeven.

19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is.

20. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

21. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, en mrs. H.B. van Gijn en C.H. Rombouts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.A.P.J. Corbey, griffier, en openbaar gemaakt op: 24 mei 2004

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 24 mei 2004

Conc.: KV/BC

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.