Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4390

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2004
Datum publicatie
05-08-2004
Zaaknummer
AWB 04/21797
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / poging tot uitzetting.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitzetting met voldoende voortvarendheid voorbereidt en dat thans nog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat. Om een derde poging tot uitzetting goed te laten verlopen, is een vlucht met escorte naar Marokko geboekt. De rechtbank overweegt dat nu er aan de verblijfstermijn in het uitzetcentrum geen maximum is verbonden en het opschorten van de uitzetting gebeurde in het belang van eiser, de duur van de tenuitvoerlegging niet noopt tot een wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb 04/21797 VRONTN A R05 G32 S4

uitspraak: 24 mei 2004

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende

A,

geboren op [...] 1972,

van Marokkaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0404.08.0356,

eiser,

gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Dokkum,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: drs. A.M. Zeeman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 8 april 2004 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 15 april 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat het voortduren en de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig zijn.

Namens verweerder is de rechtbank op 10 mei 2004 op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

Eiser noch zijn gemachtigde is op 17 ter zitting verschenen. De rechtbank heeft kennis genomen van de brief met bijlage van de gemachtigde van eiser van 14 mei 2004. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere kennisgeving feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die (het voortduren van) de bewaring onrechtmatig maken. Hierbij is mede van belang of nog voldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitzetting met voldoende voortvarendheid voorbereidt en dat thans nog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder reeds tweemaal eerder - te weten op 19 april 2004 en 25 april 2004 - een vlucht had geboekt. Beide vluchten zijn evenwel op de valreep geannuleerd, omdat eiser te kennen had gegeven dat zijn bagage niet (volledig) aanwezig was. Om een en ander een derde maal goed te laten verlopen, is thans een vlucht met escorte naar Marokko is geboekt voor 6 juni 2004.

Voldoende is gebleken dat de gronden van de bewaring nog steeds bestaan. De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van de gemachtigde van eiser dat verweerder bij de inbewaringstelling ten onrechte als grond heeft opgenomen dat eiser 'geen vaste woon- of verblijfplaats' heeft, nu deze rechtbank bij uitspraak van 15 april 2004 (Awb 04/16468 en 04/16492) het beroep tegen de opgelegde maatregel van bewaring ongegrond heeft verklaard en deze uitspraak inmiddels onherroepelijk is.

Ten aanzien van hetgeen namens eiser is aangevoerd over de duur van de tenuitvoerlegging van de maatregel in het Uitzetcentrum (UC) overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van eiser geen argumenten heeft aangedragen die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de (duur van de) tenuitvoerlegging in het Uitzetcentrum Schiphol noopt tot gelasting van een wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, nog daargelaten dat de Minister geen maximale verblijfstermijn heeft verbonden aan het UC Schiphol (TK 19 637, 748), de uitzetting van eiser reeds tweemaal op handen was doch in het belang van eiser zelf, die immers om zijn bagage vroeg, is opgeschort. De overgelegde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 26 november 2003 (Awb 03/57732) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu deze uitspraak ziet op het Uitzetcentrum Rotterdam.

Het bovenstaande brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel niet in strijd zijn met de Vreemdelingenwet 2000 noch bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd zijn.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond;

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, in tegenwoordigheid van

drs. E. ten Houten als griffier en uitgesproken op 24 mei 2004.

Afschrift verzonden: 26 mei 2004