Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4388

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2004
Datum publicatie
05-08-2004
Zaaknummer
AWB 04/19074
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / voortvarendheid / schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat de bewaring onrechtmatig is vanaf veertien dagen na 24 maart 2004. Nadat reeds op 9 maart 2004 het resultaat van de taalanalyse bekend was, heeft verweerder immers op 24 maart 2004 ter terechtzitting meegedeeld dat de aanvraag voor een laissez-passer spoedig bij de Guinese vertegenwoordiging zal worden ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder een sedert 24 maart 2004 - in casu door de rechtbank op veertien dagen bepaalde - redelijke termijn om een vervolgactie te nemen. Deze termijn heeft verweerder ten onrechte niet benut. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb 04/19074 VRONTN A 04 G32 S4

uitspraak: 10 mei 2004

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1983,

van Guinese nationaliteit,

alias A,

geboren op [...] 1979,

van Guinese nationaliteit,

alias A,

geboren op [...] 1974,

van Congolese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0104.14.8005,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Ter Apel,

eiser,

gemachtigde: mr N. Mulders, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel noord-oost Groningen te Groningen,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: drs. C.L.W. van Dort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 maart 2004 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 31 maart 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat het voortduren en de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig zijn.

Namens verweerder is de rechtbank op 23 april 2004 op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

Verweerder heeft de bewaring op 28 april 2004 opgeheven.

Eiser is op 3 mei 2004 niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft kennis genomen van de brieven van 28 en 29 april 2004 van de gemachtigde van eiser, waarin om schadevergoeding wordt verzocht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Naar aanleiding van een eerder ingediende kennisgeving heeft de rechtbank bij uitspraak van 31 maart 2004 (het voortduren van) de bewaring niet onrechtmatig geoordeeld.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel van bewaring op 28 april 2004 heeft opgeheven, zodat de rechtbank ingevolge artikel 106 Vw 2000 nog slechts heeft te beslissen op het verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de bewaring is opgeheven omdat onvoldoende voortvarendheid is betracht.

De rechtbank is van oordeel dat de bewaring onrechtmatig is (geweest) vanaf veertien dagen na 24 maart 2004, dat wil zeggen vanaf 8 april 2004. Nadat reeds op 9 maart 2004 het resultaat van de taalanalyse bekend was heeft verweerder immers op 24 maart 2004 ter terechtzitting - naar aanleiding van de eerdere kennisgeving -meegedeeld dat de aanvraag voor een laissez passer spoedig bij de Guinese vertegenwoordiging zal worden ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder een sedert 24 maart 2004 - in casu door de rechtbank op veertien dagen bepaalde - redelijke termijn om een vervolgactie te nemen. Deze termijn heeft verweerder ten onrechte niet benut.

Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe van €70 Euro per dag voor de 20 (twintig) dagen die eiser sedert 8 april 2004 tot 28 april 2004 onrechtmatig in een huis van bewaring heeft doorgebracht. Dit betekent dat ten laste van de Staat aan eiser een schadevergoeding van €1400,-- zal worden toegekend.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van €1400,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad €322,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr J.L. Boxum, rechter, in tegenwoordigheid van drs. E. ten Houten als griffier en uitgesproken op 10 mei 2004.

Afschrift verzonden: 10 mei 2004

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuit-voerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1400,--.

Aldus gedaan op 10 mei 2004 door mr. J.L. Boxum, fungerend voorzitter.