Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1294

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
02/44938, 02/44949. 02/44988, 02/44990
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft afwijzend beslist op de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/273 met annotatie van EvdL

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummers: 02/44938, 02/44949, 02/44988 en 02/44990

Datum uitspraak: 28 mei 2004

UITSPRAAK

op het beroep in de geschillen tussen:

[eiser 1]

geboren op […] 1963

[eiser 2] e.v. [eiser 1]

geboren op […] 1965

[kind 1]

geboren op […] 1985

[kind 2]

geboren op […] 1986,

allen van Armeense nationaliteit,

eisers,

gemachtigde: mr. Th. Arts, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) te Arnhem,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de IND te Zwolle.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 1 februari 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij uitspraak van 13 februari 2002 heeft de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij beslissingen van 17 mei 2002 heeft verweerder wederom afwijzend beslist op de voornoemde aanvragen van eisers.

Bij brief van 12 juni 2002 hebben eisers tegen deze beslissingen beroep ingesteld bij de rechtbank. De beroepen zijn behandeld ter zitting van 3 juni 2003, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Arts voornoemd en J. Chatsjatrian, als tolk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Jonkman voornoemd.

De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, waarna partijen desgevraagd toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb hebben verleend.

2. Motivering

2.1 De rechtbank heeft nadat het onderzoek ter zitting in onderhavige zaken was gesloten ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 25 maart 2002 (reg.nr.: 200201046/1) waarbij het door verweerder tegen de onder 1 genoemde uitspraak van 13 februari 2002 ingestelde hoger beroep gegrond is verklaard, die uitspraak is vernietigd en het bij de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ingestelde beroep alsnog ongegrond is verklaard.

2.2 De rechtbank heeft daarop met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend en partijen verzocht haar mee te delen hoe de thans bestreden beslissingen zich naar hun mening verhouden tot voornoemde uitspraak van de ABRS.

2.3 Bij brief van 7 oktober 2003 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij niet eerder op de hoogte is geraakt van de uitspraak van de ABRS dan door toezending daarvan door de rechtbank. Aangezien de beslissingen een uitvloeisel vormen van de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2002 en deze uitspraak is vernietigd, stelt verweerder zich op het standpunt dat de thans bestreden beslissingen zonder rechtsgevolg zijn gebleven en het beroep derhalve niet-ontvankelijk is.

Bij brief van 10 oktober 2003 heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat hij weliswaar verbaasd was toen verweerder op 17 april 2002 een voornemen uitbracht doch dat hij dat toen heeft aangemerkt als verweerders wens om de eerdere negatieve beschikkingen, ambtshalve te heroverwegen. Hij is dan ook van mening dat er sprake is van een ambtshalve beslissing om opnieuw op eisers aanvragen te beslissen.

2.4 Uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder de thans bestreden beslissingen heeft genomen anders dan met de kennelijke bedoeling om uitvoering te geven aan de uit de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2002 voortvloeiende plicht om opnieuw op de aanvragen van eisers te beslissen.

De rechtbank heeft geen enkel aanknopingspunt gevonden voor eisers veronderstelling dat verweerder bedoeld zou hebben om ambtshalve zijn besluiten van 1 februari 2002 te heroverwegen.

2.5 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met de thans bestreden beslissingen niet anders dan bedoeld heeft uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2002.

Aangezien die uitspraak van de rechtbank bij de uitspraak van de ABRS van 25 maart 2002 is vernietigd, dient te worden geoordeeld dat een grondslag aan de bestreden beslissingen heeft ontbroken, en dat deze om die reden niet kunnen worden gekwalificeerd als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.6 Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank aanleiding zich onbevoegd te verklaren. Voor een proceskostenveroordeling acht de rechtbank geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd.

Aldus gegeven door mr. M.J.H. Schuurman en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2004 in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Bunt als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: