Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1241

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
25-06-2004
Zaaknummer
AWB 04/18770
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / strafrechtelijk voortraject / inspanningsverplichting.

In geschil is de vraag welke gevolgen moeten worden toegekend aan de door verweerder niet nagekomen inspanningsverplichting neergelegd in hoofdstuk A4/6.11 en hoofdstuk A5/5.3.7.1Vc 2000. De inspanningsverplichting biedtde vreemdeling geen garantie dat hij na zijn strafrechtelijke detentie niet in bewaring zal worden gesteld. De tekortkoming maakt echter niet dat er voor een belangenafweging geen plaats is. De rechtbank neemt in aanmerking dat de detentie van relatief korte duur is geweest. De vreemdeling beschikt niet over identiteitspapieren, beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft zich niet gemeld bij de korpschef. Bovendien is hij veroordeeld ter zake van een misdrijf. Voorts is gesteld noch aannemelijk geworden dat aanknopingspunten bestaan om het ervoor te houden dat verweerder de uitzetting van de vreemdeling inmiddels had kunnen effectueren zo verweerder de eigen inspanningsverplichting wel zou zijn nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 04/18770 VRONTN

Inzake : A, CRV nummer 2703254280, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. drs. E.F. de Wit, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1977 en de Surinaamse nationaliteit te hebben.

2. Op 22 april 2004 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 21 april 2004 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd.

In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 29 april 2004. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2. Ter zitting is gebleken dat de vreemdeling niet is verschenen omdat hij, hoewel op 27 april 2004 een transportorder is afgegeven, niet naar de rechtbank is vervoerd. Gelet op deze omstandigheid heeft verweerder ter zitting toegezegd zorg te zullen dragen dat de bewaring uiterlijk nog op de dag van de behandeling van dit beroepschrift zal worden opgeheven.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring als zodanig van meet af aan onrechtmatig is aangezien verweerder geheel geen inspanningen heeft betracht ten aanzien van de uitzettingshandelingen gedurende de periode van drie maanden waarin de vreemdeling in strafrechtelijke detentie verbleef.

Verweerder heeft in reactie hierop aangevoerd dat het enkele feit dat nagelaten is uitzettingsactiviteiten te verrichten op zich niet leidt tot de onrechtmatigheid van de inbewaringstelling.

Blijkens de aanvullende stukken van 28 april 2004 was de vreemdeling ingevolge een uitspraak van 20 januari 2004 van de rechtbank Amsterdam strafrechtelijk gedetineerd van 22 januari 2004 tot 21 april 2004.

4. De rechtbank overweegt het navolgende.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag welke gevolgen in het onderhavige geval moeten worden toegekend aan de door verweerder niet nagekomen inspanningsverplichting zoals vastgelegd in Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf (A4/6.11. en ) A5/5.3.7.1 (hierna: de Vc 2000). Daarin is, voorzover thans van belang, bepaald:

“Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld moeten worden (...). Toch kan het voorkomen dat de vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit geval kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis en kortdurende detentie”.

4.1 Deze inspanningsverplichting van verweerder biedt geen garantie aan de vreemdeling dat hij na zijn strafrechtelijke detentie niet in bewaring zal worden gesteld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 februari 2002, nr 200200103/1 (JV 2002/141).

4.2 De onderhavige tekortkoming maakt echter niet dat er voor een belangenafweging geen plaats is. Verwezen zij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2003 (200206618/1).

In aanmerking wordt genomen dat de detentie van relatief korte duur is geweest.

De vreemdeling beschikt niet over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het vreemdelingenbesluit 2000, beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft zich niet gemeld bij de korpschef. Bovendien is hij veroordeeld ter zake van een misdrijf.

Voorts is gesteld noch aannemelijk geworden dat aanknopingspunten bestaan om het ervoor te houden, dat verweerder de uitzetting van de vreemdeling inmiddels had kunnen effectueren zo verweerder de eigen inspanningsverplichting wel zou zijn nagekomen.

4.3 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen grond is voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

5. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

6. Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

7. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: