Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0501

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
11-06-2004
Zaaknummer
AWB 04/5880, 04/5885
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AP0476
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

DRC / geloofwaardigheid asielrelaas / authenticiteit documenten.

De zijdens verweerder gestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers verklaringen doet, gelet op paragraaf 199 UNHCR Handboek, niet af aan verweerders eigen onderzoeksplicht zoals die volgt uit hoofdstuk C1/5 sub 8.3 Vc 2000. Gelet op het uit de Vc 2000 voortvloeiende beoordelingskader en acht slaand op het uiteindelijk in beroep voorhanden zijnde materiaal heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen volstaan met de constatering dat wegens het ontbreken van referentiemateriaal de authenticiteit van het door verzoeker overgelegde arrestatiebevel niet kan worden vastgesteld. Op geen enkele wijze is immers inzichtelijk gemaakt in welke mate het referentiemateriaal van de KMar toereikend is om hieraan deze conclusie te verbinden. Voorts kan de authenticiteit ook op andere wijze worden vastgesteld. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Regnr.: AWB 04/5880 (beroep)

AWB 04/5885 (voorlopige voorziening)

uitspraak: 27 februari 2004

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1965,

burger van de Democratische Republiek Congo,

IND dossiernummer 0402.04.0430,

verzoeker,

gemachtigde: mr. S. R. Nohar, advocaat te Lemmer;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Gullen, ambtenaar bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 4 februari 2004 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 7 februari 2004 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 7 februari 2004 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 04/5880. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 7 februari 2004 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 20 februari 2004. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verzoeker is afkomstig uit Kinshasa en behoort tot de bevolkingsgroep der Suku. Hij was lid van de kerk ‘Eglise de Reveil en tevens lid van de beweging die door deze kerk was opgericht, genaamd ‘Sauvant le Congo’. Begin juni 2003 begon hij met het verspreiden van pamfletten om nieuwe leden voor deze beweging te werven. Dientengevolge is hij in de periode 3 juni 2003 tot en met 8 juni 2003 drie keer gearresteerd en na enkele uren weer vrijgelaten. Op 10 juni 2003 vond er een grote vergadering van deze beweging plaats in de kerk. Toen de voorzitter van de vergadering, de voorganger Kutino, tijdens de vergadering kritiek begon te leveren op de regering en de president, grepen de autoriteiten in. Er werd geschoten in en buiten de kerk en vele mensen, onder wie verzoeker, werden gearresteerd. Hij werd naar de gevangenis CIRCO gebracht. Gedurende zijn detentie aldaar werd hij gemarteld. Ook werd hij door zijn celgenoten meerdere malen verkracht. Via een gat in de muur dat zijn celgenoten hadden gemaakt, is hij samen met zijn celgenoten op 18 juni 2003 ontsnapt. Hij is naar zijn huis gevlucht, heeft diamanten en geld opgehaald en is met zijn vrouw naar haar familie in de commune B gegaan. Daar heeft hij tot 19 juli 2003 verbleven. Toen is hij naar een boerderij even buiten Kinshasa gegaan, genaamd ‘C’, alwaar hij op traditionele wijze voor zijn verwondingen is behandeld. Op 24 december 2003 keerde hij terug naar Kinshasa om met zijn vrouw en kinderen kerst te vieren. Tijdens een bezoek aan de kerk op 31 december 2003 werd hij door drie agenten in burger gearresteerd. Hem werd verteld dat de gevangenen met wie hij was ontsnapt zware criminelen waren en dat hij werd beschuldigd van medeplichtigheid. Verzoeker had een van deze agenten ooit geld geleend. Deze agent heeft de andere agenten overgehaald om verzoeker in ruil voor geld vrij te laten en hem het arrestatiebevel mee te geven wat tegen hem was uitgevaardigd. Verzoeker is vervolgens naar de grensplaats D gevlucht. Daar kwam hij op 4 januari 2004 zijn chef tegen. Verzoeker heeft hem over zijn problemen verteld en hem vervolgens geld gegeven om zijn reis te regelen. Op 17 januari 2004 heeft verzoeker onder begeleiding van een reisagent het land per vliegtuig verlaten.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig is. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat verzoeker toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Door deze handelwijze wordt de oprechtheid van het relaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van dit relaas. Voorts merkt verweerder op dat de twijfel aan de geloofwaardigheid wordt versterkt doordat verzoeker op essentiële punten ongeloofwaardige, vage en bevreemdingwekkende verklaringen heeft afgelegd. Zo is uit de verklaringen van verzoeker gebleken dat zijn kennis aangaande de beweging ‘Sauvant le Congo’ onvoldoende overtuigend is om aan te nemen dat hij daadwerkelijk lid was van deze beweging en een vooraanstaande rol vervulde op het gebied van voorlichting en werving van aanhangers. Bij de beoordeling van de kennis van verzoeker van de beweging ‘Sauvant le Congo’is gebruik gemaakt van informatie uit openbare bronnen zoals bijvoorbeeld de internetsites www.kutino.org en www.sauvinslecongo.com. Het genoemde in de zienswijze leidt op dit punt niet tot een ander oordeel. Voorts wordt opgemerkt dat er geen geloof wordt gehecht aan de door verzoeker beschreven ontsnapping uit de CIRCO gevangenis en de omkoping van de drie agenten. Het door verzoeker overgelegde justitiële bevel doet niet af aan de ongeloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas nu de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld. Het argument dat verzoeker in staat is om meer documenten in te brengen indien hij meer tijd zou krijgen wordt van de hand gewezen nu van hem wordt verwacht dat hij alle ter zake doende documenten bij zijn asielaanvraag overlegt en niet pas op een later tijdstip. Verzoeker komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Voorts bestaat geen rechtsgrond voor toelating van verzoeker op een van de overige in artikel 29, eerste lid, Vw 2000 genoemde gronden. Ten slotte merkt verweerder op verzoeker niet te volgens waar hij stelt dat de 48-uurstermijn is overschreden doordat voorafgaand aan de aanvraag onderzoek heeft plaatsgevonden, namelijk nazoeking in het NRI-register en de eventuele signalering in het OPS/NSIS/LIST, welk onderzoek op 19 januari 2004 heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek is niet gericht op de inwilligbaarheid van de aanvraag.

2.3 Verzoeker heeft, onder meer en samengevat, het volgende aangevoerd. Verzoeker verwijst allereerst naar hetgeen hij in de zienswijze heeft gesteld. Voorts merkt hij op dat het tegenwerpen van het ontbreken van documenten aan hem op gespannen voet staat met het commentaar van het UNHCR op verweerders standpunt inzake ongedocumenteerde asielzoekers en met de paragrafen 196 en 197 van het UNHCR-Handboek. Verzoeker is in het land van herkomst mishandeld en seksueel misbruikt. Als gevolg van deze gebeurtenissen is hij getraumatiseerd. Mede vanwege zijn trauma kan niet van verzoeker worden verwacht dat hij meer details met betrekking tot zijn reis verstrekt dan die hij reeds naar voren heeft gebracht tijdens zijn gehoor. Voorts bestrijdt verzoeker de stelling van verweerder dat hij ongeloofwaardige, vage, summier en bevreemdingwekkende verklaringen zou hebben afgelegd. In dit verband verwijst verzoeker allereerst naar hetgeen hij in de zienswijze en in het nader gehoor heeft opgemerkt met betrekking tot de beweging ‘Sauvant le Congo’. Dat verzoeker wellicht niet van alle details met betrekking tot de beweging op de hoogte is, kan hem niet worden toegerekend. Hij was lid van deze beweging, niet één van de leiders. Dat verzoeker wel degelijk lid is geweest van deze beweging en een rol vervulde op het gebied van voorlichting en werving van aanhangers blijkt uit de fax van 14 februari 2004 die pastoor E hem heeft gestuurd, welke verzoeker overlegt. Uit de fax blijkt eenduidig dat verzoeker lid is geweest van de beweging als ‘mobilisateur’. Ook de twee arrestaties van verzoeker worden bevestigd in voormelde fax. Verder wordt de arrestatie van verzoeker in juni 2003 bevestigd door de stukken uit het proces-verbaal afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC), welke de pastoor hem eveneens heeft toegefaxt. Verzoeker heeft voorts bij zijn asielaanvraag een arrestatiebevel overgelegd. Uit voornoemde stukken blijkt dat eenduidig dat verzoeker in de DRC is gearresteerd vanwege zijn betrokkenheid bij de beweging en thans wordt gezocht door de autoriteiten. Verzoeker merkt op dat het arrestatiebevel een origineel stuk is. Dat de KMar niet kan vaststellen of het document echt is kan aan de echtheid van het document niet afdoen. Het lijkt er zelfs op dat de KMar het document niet zorgvuldig heeft onderzocht, omdat op 4 februari 2004 is aangegeven dat nader onderzoek noodzakelijk is, terwijl op dezelfde dag wordt geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld of dit document echt is. Het lijkt erop de KMar een overhaaste en derhalve niet zorgvuldige conclusie heeft getrokken. Het asielrelaas van verzoeker is derhalve aannemelijk. Verweerder had het asielrelaas derhalve inhoudelijk moeten beoordelen en de aanvraag van verzoeker niet reeds in het aanmeldcentrum mogen afwijzen. Ten slotte betoogd verzoeker, dat de 48-uurs termijn is overschreden zodat zijn aanvraag ook daarom niet reeds in het aanmeldcentrum had mogen worden afgewezen. In dit kader wijst verzoeker op de uitspraak van de AbRS van 28 oktober 2003 (nr. 200304447/1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 15 januari 2004 (AWB 03/64888).

Beoordeling van het verzoek

2.4 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, gewezen op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in de onderhavige zaak het geval.

2.5 In geding is primair de vraag of binnen de daarvoor gestelde termijn door verweerder op de aanvraag is beslist. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Voor de aanmeldcentra Rijsbergen en Ter Apel geldt volgens paragraaf C3/12.1.3 van de Vc 2000 dat de 48-uurstermijn aanvangt op het moment waarop de vreemdelingen-dienst begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker. In paragraaf C3/12.2.1 Vc 2000 staat vermeld dat onderzoek, als bedoeld in artikel 55, tweede lid, Vw 2000 op de aanwezigheid van documenten aan kleding en lichaam alsmede zijn bagage de aanmeldcentrumprocedure niet doet aanvangen. Daarnaast wordt gecontroleerd of de asielzoeker voorkomt in het opsporingsregister OPS) of in het nationaal Schengen Informatie Systeem (NSIS) en worden de handelingen uitgevoerd, vermeld in artikel 3.109 Vb 2000. Voornoemde handelingen doen de aanmeldcentrumprocedure evenmin aanvangen, want zij zien niet op de behandeling van de asielaanvraag, maar worden gedaan vanuit beheersmatige redenen, aldus de circulaire. Blijkens de uitspraak van de AbRS van 28 oktober 2003 (nr. 200304447/1, gepubliceerd in JV 2003, 559 met noot van mr. F.H. Koers) dient voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurstermijn aansluiting te worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het aanmeldcentrum, gericht op de beoordeling van de aanvraag. Op het moment dat er handelingen zijn verricht die niet van administratieve of beheersmatige aard zijn, vangt de 48-uurstermijn aan. Uit artikel 69, tweede lid, Vw 2000 valt af te leiden dat de 48-uurstermijn in ieder geval aanvangt op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend.

Uit de stukken kan worden opgemaakt dat verzoeker zich op 19 januari 2004 heeft aangemeld bij het aanmeldcentrum Ter Apel voor het indienen van een asielaanvraag. Op die dag heeft verzoeker een “Personalia formulier bij aanmelding” ingevuld en is een pasfoto van verzoeker gemaakt. Op die dag zijn eveneens verzoekers vingerafdrukken afgenomen en is een rapport betreffende zijn identiteitsvaststelling opgemaakt. Met betrekking tot de vingerafdrukken is op die dag voorts vastgesteld dat het onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd, in die zin dat verzoekers vingerafdrukken niet zijn aangetroffen in de bestanden NRI, OPS, NSIS en LIST. Op 4 februari 2004 heeft verzoeker het formulier model M35-H ingevuld ter zake van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op die dag zijn de vingerafdrukken van verzoeker gecontroleerd in het zogeheten EURODAC-systeem, waarmee kan worden bepaald of verzoeker heeft verbleven in een van de bij de Overeenkomst van Dublin aangesloten landen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het onderhavige geval niet gebleken dat door verweerder handelingen zijn verricht die niet staan vermeld in artikel 3.109 Vb 2000 en C3/12.2.1 Vc 2000 of die niet van administratieve of beheersmatige aard zijn. Weliswaar is hetgeen verzoeker heeft ingevuld op het “Personalia formulier bij aanmelding” mogelijk van belang in het kader van de asielaanvraag, doch daaruit vloeit niet voort dat daarmee het onderzoek naar identiteit, nationaliteit en reisroute is aangevangen. Naar het oordeel van de voorzieningen-rechter heeft het laten invullen van dit formulier een administratief en beheersmatig karakter. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens de uitspraak van de AbRS van 16 februari 2004 (nr 200307534/1, aangehecht) met het gebruik maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 om van een vreemdeling een dactyloscopisch signalement te maken, de 48-uurstermijn evenmin aanvangt omdat deze bevoegdheid van louter administratieve aard is. Uit voormelde uitspraak van de AbRS blijkt ook dat het gebruikmaken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000 om een vreemdeling aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te onderzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, de aanmeldcentrumprocedure niet doet aanvangen omdat het niet gericht is op de beoordeling van de aanvraag. Tot slot blijkt uit de uitspraak van de AbRS van 16 februari 2004 (nr 200308695/1, aangehecht) dat ook het vergelijken van de vingerafdrukken van een vreemdeling met de in het bestand van de NRI voorkomende vingerafdrukken de 48-uurstermijn niet doet aanvangen omdat dit onderzoek wordt verricht met het oog op de openbare orde en om louter beheersmatige redenen en geen sprake is van op de beoordeling van de asielaanvraag gericht onderzoek. Niet aannemelijk is geworden dat het onderzoek in het OPS/NSIS/LIST verricht wordt met een ander oogmerk.

Gelet op het voorgaande is de 48-uurstermijn aangevangen op 4 februari 2004 om 14:41 uur. De bestreden beschikking is op 7 februari 2004 om 07:58 uur aan verzoeker uitgereikt. De termijn van 48 procesuren is derhalve niet overschreden.

2.6 Nu de 48-uurstermijn niet is overschreden, dient de voorzieningenrechter vervolgens te beoordelen of verweerder de aanvraag van verzoeker op goede gronden heeft afgewezen.

2.7 Alvorens over te gaan tot een beoordeling van het geding ten gronde overweegt de voorzieningenrechter dat de door verzoeker in de voorlopige voorziening ingebrachte stukken, de verklaring van pastoor Bidiki en het proces-verbaal door de voorzieningenrechter in de beoordeling van de voorlopige voorziening wordt betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze stukken worden gezien als een nadere onderbouwing van verzoekers standpunt dat hij, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, wel geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn lidmaatschap van evenbedoelde beweging, zijn arrestatie en zijn ontsnappingen.

2.8 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de aanvraag van verzoeker heeft afgewezen wegens de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen.

2.9 De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder de aanvraag van verzoeker mede heeft afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw 2000. Ingevolge dit artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Niet in geschil is dat verzoeker ter staving van de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde stellingen geen reispapieren heeft overgelegd. In de door de verzoeker gestelde feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond hoeven vinden hem de gevolgen daarvan niet toe te rekenen. De stelling van verzoeker dat van hem niet gevergd kan worden documenten te overleggen, omdat hij afhankelijk was van een reisagent, heeft verweerder niet hoeven volgen. Deze omstandigheid kan namelijk niet afdoen aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing -waar mogelijk- van zijn reis -en asielrelaas. De verwijzing van verzoeker naar het standpunt van de UNHCR inzake de Wet Ongedocumenteerden heeft verweerder evenmin afdoende hoeven achten. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid.

2.10 Voor de beoordeling van de vraag of verweerder vervolgens de verklaringen van verzoeker in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de Vw 2000 (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40) de bewijslastverdeling neergelegd in de paragrafen 195 tot en met 219 van het ‘Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status” van de UNHCR (Handbook) het uitgangspunt is bij de beoordeling van in Nederland ingediende asielverzoeken. Voor de toepassing van deze bewijslastverdeling heeft verweerder beleid vastgesteld dat is gepubliceerd in de Vreemdelingencirculaire 2000.

In C1/3 sub 2.2 Vc 2000 is onder meer bepaald:

“De bewijslast inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de bewoordingen van artikel 4:2, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 31, eerste lid en 37, onder c, Vreemdelingenwet en artikel 3.114 Vreemdelingenbesluit.

Ook in het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan. Het Handboek stelt daarbij wel vast dat een aanvrager vaak niet in staat zal zijn om sluitend bewijs te leveren. De aanvrager en de staat hebben dan een gedeelde taak om de feiten vast te stellen.

(…)

Daarnaast heeft het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht een eigen onderzoeksplicht. Het dient de nodige kennis omtrent de aangedragen relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Dit kan soms inhouden dat de beslisser moet trachten bewijs te vinden dat in het voordeel van de aanvraag werkt.”

Voorts is in C1/5 sub 8.3 Vc 2000 onder “Asielrelaas” onder meer bepaald:

“Voordat kan worden overgegaan tot de beoordeling van het asielrelaas zullen eerst de identiteit, de nationaliteit en de reisroute zoveel mogelijk moeten worden vastgesteld. Wanneer (een van) deze eerste drie elementen niet (kan) kunnen worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, zal ook het vluchtrelaas in geloofwaardigheid worden aangetast.

Vervolgens geldt: naar mate het vluchtrelaas geloofwaardiger is, zal een diepgaander onderzoek naar de feiten moeten worden gedaan. De geloofwaardigheid van een vluchtrelaas is in ieder geval groter wanneer de gestelde feiten worden onderbouwd met documenten, zoals arrestatiebevelen, artikelen in kranten (bijvoorbeeld indien men stelt als 'gezocht' in de krant te hebben gestaan) of oproepen van rechtbanken en dergelijke.”.

In paragraaf 199 van het Handbook is voor zover van belang bepaald:

“Untrue statements by themselves are not a reason for refusal of refugee status and it is the examiner's responsibility to evaluate such statements in the light of all the circumstances of the case.”

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan zijn onderzoeksplicht, zoals nader uitgewerkt in C1/5 sub 8.3 Vc 2000, door te stellen dat de door verzoeker overgelegde documenten niet afdoen aan zijn conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, omdat wegens het ontbreken van referentiemateriaal de authenticiteit van het arrestatiebevel niet kan worden vastgesteld en aan de verklaring van de pastoor en het proces-verbaal geen waarde kan worden gehecht, omdat het kopieën zijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het weergegeven beoordelingskader dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vreemdeling zijn aanspraak op een verblijfsvergunning aannemelijk moet maken. Wanneer de vreemdeling in dat kader ter onderbouwing van zijn asielrelaas documenten overlegt en de authenticiteit daarvan niet op voorhand kan worden ontkend, noopt de uit het Handbook en de Vc 2000 voortvloeiende eigen verantwoordelijkheid van verweerder er vervolgens toe de aldus onderbouwde feiten nader te onderzoeken. Uit de uit C1/5 sub 8.3 Vc 2000 aangehaalde passage volgt dat naar de mate waarin het asielrelaas met documenten wordt onderbouwd, de onderzoeksverplichting in diepgang behoort toe te nemen. Uit deze taakverdeling blijkt de gedeelde verantwoordelijkheid van zowel de vreemdeling als verweerder bij de feitenvaststelling.

Gelet op het uit de Vc 2000 voortvloeiende beoordelingskader en acht slaand op het uiteindelijk in beroep voorhanden zijnde materiaal heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen volstaan met de constatering dat wegens het ontbreken van referentiemateriaal de authenticiteit van het betreffende document niet kan worden vastgesteld. Het ontbreken van referentiemateriaal bij de KMar kan reeds op zichzelf niet het standpunt van verweerder onderbouwen dat de authenticiteit van het arrestatiebevel niet kan worden vastgesteld. Op geen enkele wijze is immers inzichtelijk gemaakt in welke mate het referentiemateriaal van de KMar in een geval als het onderhavige toereikend is om hieraan deze conclusie te verbinden. Voorts kan de authenticiteit ook op andere wijze worden vastgesteld, bijvoorbeeld door het opvragen van een individueel ambtsbericht bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het document betrekking heeft op zijn asielraas, wordt deze stelling door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Verzoeker heeft in zijn nader gehoor verklaard dat de heer F - een van de agenten van wie hij het arrestatiebevel had gekregen - hem vertelde dat de mannen met wie hij uit de gevangenis was ontsnapt zware criminelen waren en dat verzoeker werd beschuldigd van medeplichtigheid. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom de artikelen uit het wetboek van strafrecht die in het arrestatiebevel staan genoemd deze verklaring niet ondersteunen. Dat verzoeker beschikt over een kopie van het proces-verbaal is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in redelijkheid niet aan verzoeker tegen te werpen, nu niet valt in te zien hoe van verzoeker kan worden gevergd het origineel van het proces-verbaal, dat zich naar alle waarschijnlijkheid in een politiedossier bevindt, over te leggen. Ten aanzien van het feit dat verzoeker een faxkopie heeft overgelegd van de verklaring van de pastoor overweegt de voorzieningenrechter dat dit evenmin de conclusie rechtvaardigt dat aan deze faxkopie geen waarde kan worden gehecht. Pastoor E is, nu zijn adres, telefoon- en faxnummer bekend zijn, als een verifieerbare bron aan te merken, terwijl er geen termen zijn de objectiviteit van deze pastoor op voorhand in twijfel te trekken. Derhalve kan van verweerder worden gevergd nader onderzoek te doen naar de inhoud en afzender van deze fax.

De zijdens verweerder gestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers verklaringen doet op grond van de aangehaalde passage uit paragraaf 199 van het Handbook niet af aan verweerders eigen onderzoeksplicht zoals die volgt uit C1/5 sub 8.3 Vc 2000.

Nu uit nader onderzoek kan blijken dat verzoeker lid is geweest van de beweging “Sauvant le Congo” en vanwege dat lidmaatschap is gearresteerd en gedetineerd, kan dat onderzoek voor verweerder aanleiding zijn tot een ander oordeel van de geloofwaardigheid van het relaas. Onder deze omstandigheden valt niet op voorhand uit te sluiten dat nader onderzoek van belang kan zijn voor de beoordeling van het asielrelaas. Derhalve mag in redelijkheid van verweerder worden verlangd dat hij gevolg geeft aan zijn onderzoeksplicht.

2.11 Het vorenstaande voert tot de slotsom dat verweerder ten onrechte de aanvraag van verzoeker binnen 48 proces-uren heeft afgewezen. De bestreden beschikking is in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb tot stand gekomen. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de bestreden beschikking zal wegens strijd met genoemde Awb-artikelen worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van verzoeker, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.12 Gelet op het vorenstaande is het belang aan de gevraagde voorlopige voorziening komen te ontvallen. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

2.13 Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoekers € 966,= (beroepschrift 1 punt, verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 04/5880, gegrond en vernietigt de bestreden beschikking;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer AWB 04/5885, af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten te begroten op €966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan verzoeker moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. W. Keuning, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W. van Seijen, als griffier op 27 februari 2004.

griffier

voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 27 februari 2004