Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0456

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2004
Datum publicatie
15-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/43603
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AR5855
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / artikel 1F VSV.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op rechtens juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder a en b, Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat eiser in 1982 is aangesteld als plaatsvervangend hoofd technische zaken van divisie 18 van het Afghaanse regeringsleger en dat hij toen de officiersrang van tweede luitenant bekleedde. Blijkens een in de zaak van een andere vreemdeling uitgebracht individueel ambtsbericht heeft divisie 18 tot 1992 op grote schaal en systematisch mensenrechten geschonden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser binnen het bereik van de zogenoemde ‘personal and knowing participation-test’ valt. Gelet op zijn leidinggevende functie en taken heeft eiser substantieel bijgedragen aan het operationeel houden van divisie 18. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 02/43603

Datum uitspraak: 17 mei 2004

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1960,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. H.F.J.L. van Pelt,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

gemachtigde mr. A. van Blankenstein.

Het procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 september 1999 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 6 juni 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 februari 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Het toetsingskader

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil staat de vraag centraal of verweerder terecht artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: het Verdrag) op eiser van toepassing heeft geacht.

3. Artikel 1F van het Verdrag bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

4. Verweerder heeft zijn beleid inzake artikel 1F van het Verdrag neergelegd in hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Dit beleid komt, voor wat betreft de bewijslast, op het volgende neer. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, dient de ‘personal and knowing participation test’ te worden toegepast. Dit wil zeggen dat moet worden bezien of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

5. Ingevolge voornoemd beleid wordt ‘knowing participation’ onder andere aangenomen indien betrokkkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, bijvoorbeeld voor een onderdeel van het leger, de veiligheidsdienst of de politie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke bronnen op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Verdrag heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was, zodat hij geacht kon worden daarvan op de hoogte te zijn, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

6. Onder ‘personal participation’ wordt, ingevolge voornoemd beleid, niet slechts verstaan het door betrokkene persoonlijk of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan. In het beleid worden meerdere situaties onderscheiden. Voor zover hier van belang is sprake van ‘personal participation’ indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1F door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

De standpunten van partijen

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn standpunt, zoals verwoord in het voornemen en in het bestreden besluit, als volgt gemotiveerd. Eisers verklaringen over zijn werkzaamheden als plaatsvervangend hoofd van de afdeling technische zaken van divisie 18 te Mazar-i-Sharif -een infanterie-eenheid van het Afghaanse regeringsleger belast met de veiligheid in de noordelijke provincies van Afghanistan- zijn consistent en geloofwaardig. Eisers verklaring in het aanvullend gehoor dat hij geen plaatsvervangend hoofd was, maar coördinator acht verweerder niet geloofwaardig, nu deze verklaring in strijd is met eisers eerdere verklaring afgelegd in het nader gehoor. Verweerder heeft vervolgens het op een andere vreemdeling betrekking hebbende individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 november 2000 aan zijn standpunt ten grondslag gelegd. Uit dit ambtsbericht is gebleken dat voornoemde divisie 18 vanaf 1978 tot 1992 op grote schaal en systematisch mensenrechtenschendingen heeft gepleegd. Eiser heeft naar de mening van verweerder geweten of had moeten weten dat deze mensenrechtenschendingen werden gepleegd. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers handelen in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de door het Afghaanse regeringsleger gepleegde mensenrechtenschendingen. Gelet op zijn verantwoordelijkheid voor reparaties en technisch onderhoud van voertuigen en apparatuur heeft eiser de omstandigheden geschapen waaronder het Afghaanse regeringsleger de misdrijven heeft kunnen plegen. Verweerder komt tot de conclusie dat artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Verdrag op eiser van toepassing is en dat eiser derhalve een gevaar vormt voor de openbare orde. Er bestaat mitsdien geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) heeft verweerder evenmin een verblijfsvergunning op één van de andere inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 aan eiser verleend.

8. Eiser heeft daartegen het volgende aangevoerd. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen en kan daarvoor evenmin verantwoordelijk worden gehouden. Eiser is geen plaatsvervangend hoofd bij divisie 18 geweest, maar coördinator technische zaken. Er is geen sprake van tegenstrijdige verklaringen. Omdat de tolk Dari sprak en de moedertaal van eiser Pastu is, heeft dit in het nader gehoor tot misverstanden geleid. Hij behoorde tot het lagere militaire kader en had de leiding over ongeveer vijftien ongeschoolde soldaten, die zich uitsluitend bezig hielden met reparaties van motoren en kleine -en zoals eiser ter zitting heeft verklaard niet militaire- voertuigen. Gelet op eisers lage rang en zijn technische functie kan eiser niet verantwoordelijk worden gehouden voor de in Afghanistan gepleegde oorlogsmisdaden. Nu er naar de mening van eiser geen individuele toets heeft plaatsgevonden, is er sprake van willekeur. Ook is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu landgenoten van eiser wel hier te lande als vluchteling zijn toegelaten, terwijl deze landgenoten een veel hogere militaire rang hebben bekleed.

De beoordeling

9. In het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft verweerder verwezen naar eerdergenoemd, op een andere vreemdeling betrekking hebbend, individueel ambtsbericht van 21 november 2000, waarin -voor zover hier van belang- het volgende staat vermeld over divisie 18 van het Afghaanse regeringsleger:

‘Divisie 18 was gelegerd in Dehdadie in de omgeving van Mazar-i-Sharif, aan de aanvoerroute van materieel uit Oezbekistan, hetgeen een strategische positie was. Tot 1992 was divisie 18 goed uitgerust en goed getraind. Naast materieel voor grondgevechten beschikte de divisie ook over een luchtbrigade. Divisie 18 is in de periode 1978-1992 actief ingezet in de strijd tegen de tegenstanders van het communistische regime in de noordelijke provincies van Afghanistan. Daarnaast verleende divisie 18 tevens ondersteuning aan gevechtshandelingen elders in Afghanistan. Tot 1992 heeft divisie 18 op grote schaal en systematisch mensenrechten geschonden. Zij is zeer actief ingezet bij gevechtshandelingen. Het Afghaanse regeringsleger was in de jaren 1979-1992 in een bloedige burgeroorlog verwikkeld met de Mudjahedin. Het Afghaanse regeringsleger heeft zich daarbij op grote schaal schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven en schendingen van de mensenrechten. Er was dikwijls sprake van excessief geweld, waarbij tienduizenden, zo niet honderdduizenden mensen om het leven kwamen. Dorpen werden gebombardeerd, landerijen vernietigd, dorpelingen die verdacht werden banden te onderhouden met de Mudjahedin vermoord, vrouwen verkracht en krijgsgevangenen en verzetsleiders gemarteld en gedood.’

10. Eisers stelling in beroep dat verweerder voornoemd ambtsbericht niet ten grondslag had mogen leggen aan het bestreden besluit, omdat dit ambtsbericht betrekking heeft op een andere vreemdeling, wordt niet door de rechtbank gevolgd. De in voornoemd ambtsbericht opgenomen informatie betreft algemene informatie over divisie 18 en kan derhalve ook in andere zaken worden gebruikt.

11. Voorts heeft verweerder in het voornemen verwezen naar meerdere gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages, waaronder de rapportages van de speciale VN-rapporteur voor Afghanistan van 17 februari 1986 en 5 november 1995, alsmede naar het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 mei 2000, waarin de grootschaligheid, de systematiek en het wrede karakter van de door het Afghaanse regeringsleger gepleegde schendingen van de mensenrechten zijn beschreven.

12. Verweerder heeft deze mede door divisie 18 van het Afghaanse regeringsleger gepleegde mensenrechtenschendingen gekwalificeerd als zowel oorlogsmisdrijven als misdrijven tegen de menselijkheid en tevens als ernstige, niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a en b van het Verdrag. Eiser heeft deze kwalificatie niet betwist. De rechtbank zal dan ook van de juistheid van deze kwalificatie uitgaan.

13. Thans dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door divisie 18 van het Afghaanse regeringsleger gepleegde misdrijven. Zoals reeds is overwogen, heeft verweerder aan zijn beleid de ‘personal and knowing participation test’ ten grondslag gelegd. Eiser heeft dit beleid als zodanig niet betwist. Mitsdien spitst de beoordeling zich toe op twee deelvragen, namelijk (1) of eiser wist of had behoren te weten dat divisie 18 voormelde misdrijven beging (knowing participation) en (2) of eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven (personal participation).

14. Nu uit gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages is gebleken dat het Afghaanse regeringsleger, waaronder divisie 18, op grote schaal en systematisch mensenrechten heeft geschonden, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser wist of had behoren te weten dat deze mensenrechtenschendingen werden gepleegd. De enkele stelling van eiser in beroep dat hij niet op de hoogte was van de mensenrechtenschendingen is niet nader onderbouwd en strookt bovendien niet met zijn verklaringen afgelegd in het aanvullend gehoor. Zo heeft eiser in het aanvullend gehoor verklaard dat het best zou kunnen dat de rechten van de mens door het voormalige regime van Najibullah zijn geschonden, maar dat hij zich daartegen niet kon verzetten vanwege zijn beperkte bevoegdheden. Voorts heeft eiser verklaard dat onschuldige mensen werden opgepakt en in de gevangenis gezet en dat mensen die niet sympathiseerden met het regime werden vervolgd (pagina 7/8 van het aanvullend gehoor). Eiser heeft derhalve niet aangetoond dat, zoals het door verweerder gevoerde beleid eist, in zijn geval sprake is van significante uitzondering.

15. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen aan de door divisie 18 gepleegde mensenrechtenschendingen, in die zin dat eiser deze schendingen direct heeft gefaciliteerd. Hiertoe is het volgende redengevend.

16. De rechtbank overweegt dat in de jurisprudentie van het International Tribunal for the Prosecution of Persons Responsible for Serious Violations of International Humanitarian Law Committed in the Territory of Former Yugoslavia since 1991 (hierna: het Joegoslavië-Tribunaal) de criteria voor het vaststellen van individuele (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid nader zijn uitgewerkt. Deze criteria kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden toegepast in de onderhavige zaak, nu de in de artikelen 3, 5 en 7 van het Statuut van het Joegoslavië-Tribunaal opgenomen definities van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en de individuele verantwoordelijkheid daarvoor overeenkomen met de in het internationale recht opgenomen definities, zoals in de artikelen 7, 8 en 25 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof.

17. In de uitspraken van de Trial Chamber van het Joegoslavië-Tribunaal van 7 mei 1997 (Tadic) en 2 november 2001 (Kvocka en anderen), gepubliceerd op www.un.org/icty, zijn, voor zover hier van belang, de volgende criteria vermeld:

Er is sprake van individuele verantwoordelijkheid indien een persoon de planning, voorbereiding of uitvoering van een oorlogsmisdrijf of misdrijf tegen de menselijkheid heeft geassisteerd of gefaciliteerd (‘aiding and abetting’). ‘Aiding and abetting’ bestaat uit het verschaffen van praktische hulp, het aanmoedigen of het geven van morele steun, die een substantieel effect heeft op het begaan van het misdrijf. Voorts kan ‘aiding and abetting’ bestaan uit een handelen of een nalaten, dat kan plaatsvinden vóór, gedurende of nadat het misdrijf door een ander is gepleegd en dat van dat misdrijf geografisch gescheiden kan zijn. Indien een persoon weet of had moeten weten dat de organisatie waarvoor hij werkzaam was oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid pleegde en hij desondanks de aan hem toebedeelde werkzaamheden heeft voortgezet en daardoor het functioneren van de organisatie (mede) in stand heeft gehouden, is sprake van het substantieel assisteren en faciliteren van de door de organisatie gepleegde misdrijven. De rechtbank verwijst hiervoor in het bijzonder naar de rechtsoverwegingen 265 tot en met 312 van voornoemde uitspraak van het Joegoslavië-Tribunaal van 2 november 2001 (Kvocka en anderen), gepubliceerd op voormelde website.

18. Het door eiser ter zitting gemaakte bezwaar tegen kennisname van voornoemde uitspraak van het Joegoslavië-Tribunaal van 2 november 2001 treft geen doel, nu deze uitspraak openbare informatie betreft en deze uitspraak de interpretatie van internationaal recht behelst, welke relevant is voor de beoordeling van het bestreden besluit.

19. Blijkens eisers verklaringen afgelegd in het nader gehoor is hij in 1982 aangesteld tot plaatsvervangend hoofd technische zaken van divisie 18 van het Afghaanse regeringsleger, in welke hoedanigheid hij was belast met de reparaties en het technisch onderhoud van voertuigen en apparatuur. Tevens gaf eiser les aan chauffeurs. Hij legde uit hoe zij om moesten gaan met de voortuigen en gaf instructies over de technische achtergrond van de voertuigen. Eisers verklaring in het aanvullend gehoor dat hij geen plaatsvervangend hoofd was, maar coördinator heeft verweerder in redelijkheid niet geloofwaardig kunnen achten, nu eiser zijn verklaring dat hij plaatsvervangend hoofd is geweest niet heeft gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor. Eisers stelling in beroep dat er in het nader gehoor sprake was van misverstanden tussen hem en de tolk vanwege een verschillend taalgebruik, kan evenmin worden gevolgd. Eiser heeft aan het einde van het nader gehoor immers verklaard dat hij de tolk goed heeft kunnen verstaan en goed heeft begrepen. Eisers stelling in de aanvullende gronden van beroep dat vermoedelijk sprake is geweest van een onjuiste vertaling van zijn functie, acht de rechtbank voorts niet overtuigend. Het had in dat geval op weg van eiser gelegen om deze vertaling in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor te wijzigen. Dat de contactambtenaar niet heeft doorgevraagd naar de inhoud van de functie van plaatsvervangend hoofd en dat de periode bij divisie 18 slechts een stageperiode betrof doet, wat daar verder ook van zij, niet af aan feit dat eiser zelf heeft verklaard dat hij gedurende deze periode plaatsvervangend hoofd is geweest, nadat hij zijn studie aan de militaire academie had afgerond.

20. Voorts is uit eisers verklaringen gebleken dat hij de rang van tweede luitenant bezat toen hij werkzaam was bij divisie 18. Eisers betoog dat hij tot het lagere militaire kader behoorde en het om die reden niet aannemelijk is dat hij plaatsvervangend hoofd is geweest, wordt evenmin door de rechtbank onderschreven. Blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 mei 2000, waarnaar verweerder in het voornemen en in het verweerschrift heeft verwezen, is de rang van tweede luitenant een officiersrang. Eisers stelling dat hij in 1982 nog geen hogere officiersrang bekleedde, is feitelijk juist, maar voor het onderhavige geschil niet relevant. Verweerder heeft immers niet aan eiser tegengeworpen dat hij reeds in 1982 een hogere officiersrang heeft bekleed en enkel vanwege die omstandigheid individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij, gelet op zijn leidinggevende functie en taken, de door divisie 18 gepleegde misdrijven direct heeft gefaciliteerd.

21. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op eisers leidinggevende functie en taken bij divisie 18, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser substantieel heeft bijgedragen aan het operationeel houden van deze divisie. Nu eiser de aan hem toebedeelde werkzaamheden heeft voortgezet, terwijl hij -zoals reeds is overwogen- wist of had moeten weten dat divisie 18 oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid pleegde, heeft hij het functioneren van divisie 18 (mede) in stand gehouden en bevorderd. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser door (zijn verantwoordelijkheid voor) het repareren van (kleine) voertuigen, het uitvoeren van technisch onderhoud en het geven van (rij)lessen aan soldaten rechtstreeks praktische hulp aan divisie 18 heeft verschaft, waardoor deze divisie beter in staat was zijn misdadige doelstellingen te realiseren. Eisers werkzaamheden hebben derhalve een substantieel effect gehad op het begaan van voornoemde misdrijven. Aan eisers verklaring ter zitting dat hij slechts personenauto’s repareerde waarmee legerpersoneel van huis naar het werk werd vervoerd, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig gelet op de functie en de eerdere verklaringen van eiser. Daarenboven blijkt uit deze verklaring dat de personenauto’s voor het vervoer van militairen dienden en de reparaties van deze personenauto’s er derhalve toe hebben bijgedragen dat deze militairen eerdergenoemde misdrijven konden plegen. Mitsdien heeft eiser de door divisie 18 gepleegde misdrijven substantieel geassisteerd en gefaciliteerd. Verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiser een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de omstandigheden waaronder (divisie 18 van) het Afghaanse regeringsleger oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid heeft kunnen begaan, kan derhalve de rechterlijke toets doorstaan.

22. Gelet op het voorgaande faalt eisers stelling dat er geen individuele toets heeft plaatsgevonden en bestaat evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van willekeur. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. Eiser heeft dit beroep niet nader onderbouwd. Voor zover eiser heeft betoogd dat in het verleden in vergelijkbare situaties geen artikel 1F is tegengeworpen, overweegt de rechtbank dat het verweerder vrijstaat om zijn beleid te wijzigen, dan wel aan te scherpen.

23. Voorts heeft eiser ter zitting nog gesteld dat uit meergenoemd ambtsbericht van 21 november 2000 niet blijkt dat de door divisie 18 gepleegde schendingen van de mensenrechten vanaf 1978 hebben plaatsgevonden. Deze stelling mist feitelijke grondslag. In dit ambtsbericht is immers vermeld dat divisie 18 in de periode 1978-1992 actief is ingezet in de strijd tegen de tegenstanders van het communistische regime in de noordelijke provincies van Afghanistan en dat divisie 18 tot 1992 op grote schaal en systematisch mensenrechten heeft geschonden. Daarenboven heeft eiser geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waaruit blijkt dat dit ambtsbericht onjuist, dan wel onvolledig is.

24. Uit het voorgaande volgt dat eiser binnen het bereik valt van de door verweerder gehanteerde ‘personal and knowing participation test’, zodat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door divisie 18 gepleegde oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven.

25. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder op rechtens juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Verdrag aan eiser heeft tegengeworpen en op die grond terecht de aanvraag om toelating als vluchteling heeft geweigerd.

26. Tegen verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiser ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, onder k, van de Vw 2000 en artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden, heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd. Mitsdien maakt dit standpunt geen deel uit van de omvang van het geschil en gaat de rechtbank uit van de juistheid van dit standpunt.

27. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, mr. C.G. Peper en mr. E. Klein Egelink, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2004 in tegenwoordigheid van mr. A.T. Boerema als griffier.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).