Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0141

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
09/757507-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

schietincident 11 augustus 2003 station HS te Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757507-03

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 26 mei 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[Z],

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Rijnmond", huis van bewaring Noordsingel te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 mei 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr M.B. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Meulmeester heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [S] hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van ? 8.029,20, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van ? 8.029,20, subsidiair 160 dagen hechtenis.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverwegingen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting van 14 mei 2004, waaronder de eigen waarneming door de rechtbank ter zitting van de bewegende beelden van de toezichtcamera's, alsmede gelet op de inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat de navolgende feiten zijn komen vast te staan.

Verdachte is op 11 augustus 2003 aanwezig geweest bij een vechtpartij tussen medeverdachte [M] en het latere slachtoffer [C], welke vechtpartij omstreeks 18.03 uur plaatsvond op de hoek van het Stationsplein en de Stationsweg te 's-Gravenhage. Voorts is verdachte die dag samen met de medeverdachten [L], [M] en [H] in de vestiging van Burger King in het Centraal Station te 's-Gravenhage geweest, alwaar door de aanwezigen nadrukkelijk is gesproken over het "afrekenen" met [C]. Vervolgens is verdachte omstreeks 18.45 uur in het Huygenspark te 's-Gravenhage betrokken geweest bij een ruzie met [C]. Bij deze ruzie is door die [C] een bierflesje tegen, dan wel in de richting van verdachte gegooid. Hierop is verdachte weggegaan teneinde samen met de medeverdachten [L], [M] en [H] op zoek te gaan naar een vuurwapen. Nadat door medeverdachte [G] het vuurwapen aan verdachte was overhandigd, waarbij die [G] aanwijzingen heeft gegeven omtrent het gebruik van het wapen, dit wapen heeft doorgeladen en heeft gezegd dat hij het wapen alleen afgeeft als het ook gebruikt zal worden, is de verdachte in bijzijn van [L], [M], [H] en [G] en met medeneming van het geladen vuurwapen richting het station HS gegaan waar, naar grote waarschijnlijkheid, [C] zou kunnen worden aangetroffen. Voordat de groep bij het station HS aankwam, heeft verdachte donkerkleurige kleding aangetrokken en een zwarte muts opgezet. Ook is door verdachte en de medeverdachten toen gesproken over de wijze waarop kon worden voorkomen dat na het schieten hulzen op straat zouden achterblijven door een panty om de loop van het pistool te doen. Afgesproken werd dat één van de medeverdachten de hulzen zou oprapen. Omstreeks 19.35 uur komen verdachte, [L], [M], [H] en [G] bij het Stationsplein aan en zien aldaar [C] staan praten met medeverdachten [K] en [RM]. Medeslachtoffer [A] zit achterop de scooter van [C] en houdt zich van het gesprek afzijdig. Terwijl [G] enigszins achterblijft en [L], [M] en [H] direct naar [C] toefietsen, zet verdachte zijn fiets - zonder deze op slot te zetten - in tegenovergestelde richting op het trottoir en loopt vervolgens op [C] toe. Op het moment dat verdachte de groep nadert, nemen de medeverdachten meer afstand van [C] doch blijven met hem in gesprek. Als [C] verdachte bemerkt, wil hij met de scooter wegrijden. Medeverdachte [RM] gaat hierop aan de achterkant van de scooter van [C] hangen om op die wijze het wegrijden door [C] te beletten althans te bemoeilijken. Slechts luttele seconden daarna lost verdachte met het vuurwapen het eerste schot. Terwijl medeslachtoffer [A] gewond van de scooter afvalt en zich met moeite naar het trottoir begeeft, blijft verdachte met het vuurwapen op [C] schieten. Hierbij wordt tevens een toevallig aldaar aanwezige persoon door een kogel in haar been geraakt. Verdachte rent vervolgens over het trottoir terug in de richting van zijn fiets en komt al rennende, de reeds gewonde [A] tegen die tegen de pui van een Chinees restaurant is gaan staan. Van zeer korte afstand vuurt verdachte vervolgens met gestrekte arm nogmaals op het bovenlichaam van [A]. Hierna vluchten alle medeverdachten weg. Even later heeft verdachte het wapen en zijn telefoon aan een medeverdachte overhandigd teneinde te bewerkstelligen dat het wapen aan [G] zou worden teruggegeven.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tezamen met anderen tevoren het besluit heeft genomen om [C] van het leven te beroven. In het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan heeft verdachte kunnen nadenken over, en heeft zich rekenschap kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Derhalve heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit met voorbedachten rade gehandeld.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit gaat de rechtbank uit van de volgende - uit de bewijsmiddelen - vaststaande omstandigheden. Verdachte heeft meermalen op / in de richting van het slachtoffer [A] geschoten. Allereerst heeft verdachte op / in de richting van die [A] geschoten toen deze zich achterop de scooter van [C] bevond. Bij dit eerste schietmoment is [A] gewond geraakt. De verdachte vuurt nogmaals van zeer korte afstand op de reeds gewonde [A] nadat verdachte meermalen op [C] heeft geschoten en over het trottoir wegvlucht. Het is een wonder dat [A] bij dit tweede schietmoment niet door een kogel is geraakt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verklaard dit tweede schietmoment op de dagvaarding onder 2 te hebben tenlastegelegd en heeft ten aanzien van dit tweede schietmoment requisitoir gevoerd. De verdediging heeft eveneens ten aanzien van het tweede schietmoment pleidooi gevoerd.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bij de beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde feit uitgaan van de feiten en omstandigheden van het hierboven vermelde tweede schietmoment. De rechtbank is hierbij van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte - nadat hij met het vuurwapen meermalen op [C] had geschoten en wegvluchtte - het besluit heeft genomen om [A] van het leven te beroven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte in de korte periode tussen het besluit en de uitvoering voldoende tijd heeft gehad om na te denken over dit voorgenomen besluit om nogmaals op de reeds gewonde [A] te schieten. Aldus heeft de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit met voorbedachten rade gehandeld.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit overweegt de rechtbank dat de verdachte op klaarlichte dag met een vuurwapen heeft geschoten terwijl hij zich op een openbare weg vlak voor een groot treinstation bevond. Op het moment dat de schietpartij plaatsvond waren vele voetgangers en andere verkeersdeelnemers ter plaatse. Ongelukkigerwijs kwam [S] - die niets met de verdachte of met [C] te maken had - terecht in de schietpartij en raakte zij gewond door een van de kogels die verdachte heeft afgevuurd. Door op die plaats, dat moment en deze wijze meermalen met een vuurwapen te schieten, heeft verdachte samen met zijn mededaders willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook andere personen dodelijk verwond zouden raken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft gehandeld vanuit een situatie van noodweer, noodweerexces, dan wel psychische overmacht, op grond waarvan de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Wil een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces slagen, dan moet er gelet op het bepaalde in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht sprake zijn van een noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Gelet op de hiervoor aangegeven door de rechtbank aangenomen feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nadat hij in het bezit is gekomen van een vuurwapen willens en wetens met dit geladen vuurwapen zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Daarbij was het voor de verdachte op meerdere momenten mogelijk zich uit de groep van zijn mededaders te verwijderen en zodoende niet in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer te geraken. Op grond hiervan is het niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voorts is komen vast te staan dat het slachtoffer [C] wilde vertrekken nadat hij kennelijk had waargenomen dat verdachte ter plaatse was gearriveerd. Nu aan de vereisten voor het bestaan van noodweer niet is voldaan, dient ook een beroep op noodweerexces te worden verworpen.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze gestaafd en ook overigens niet aannemelijk geworden dat verdachte uit psychische overmacht heeft gehandeld en aldus niet anders kon of behoorde te handelen dan hij feitelijk heeft gedaan. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

Ook is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Het toe te passen sanctiestelsel.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht betoogd dat aan de verdachte een straf dient te worden opgelegd overeenkomstig de bepalingen voor strafrechtelijk minderjarigen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte - die ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar oud was - niet genoeg was ontwikkeld om als volwassene te worden aangemerkt. Gelet op de ontwikkeling en persoonlijkheid van de verdachte acht de raadsman hem minderjarig.

De rechtbank heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland te Maastricht, betreffende verdachte, d.d. 13 februari 2004 opgemaakt en ondertekend door D. van den Eijnden, unitmanager en M. Roorda - van Eijsinga, reclasseringswerkster. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een pro justitia rapport, betreffende verdachte, d.d. 6 april 2004 opgemaakt en ondertekend door drs. S.M.J. van Zeijl, psycholoog, alsmede op het faxbericht d.d. 14 mei 2004 van S.M.J. van Zeijl, psycholoog, gericht aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Op grond van bovengenoemde rapporten en bovengenoemd faxbericht acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht omtrent de persoon van de verdachte. Uit de artikelen 77a, 77b en 77c van het Wetboek van Strafrecht volgt dat ten aanzien van de verdachte die ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van achttien jaren had bereikt in beginsel de bepalingen van het strafrecht voor meerderjarigen dienen te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan hiervan echter worden afgeweken indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. In de ernst van de met name onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, zoals tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, vindt de rechtbank grond om recht te doen overeenkomstig de bepalingen voor strafrechtelijk meerderjarigen. De rechtbank heeft voorts in de inhoud van de genoemde rapporten aangaande de persoonlijkheid van de verdachte geen aanleiding gezien hieromtrent anders te oordelen.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van moord, poging tot moord en medeplegen van poging tot doodslag. Teneinde [C] en [A] van het leven te beroven heeft hij op klaarlichte dag, op de openbare weg midden op een stationsplein waar zich op dat moment veel mensen bevonden, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [C] en [A] geschoten. Deze handelwijze van de verdachte kan worden omschreven als een kille weloverwogen liquidatie alsmede een poging daartoe. Als gevolg van zijn schotverwondingen is [C] overleden. Op wonderbaarlijke wijze heeft het slachtoffer [A] de schietpartij overleefd. De verdachte heeft door op die plek en op deze wijze te schieten op de koop toegenomen dat vele omstanders en de bezoekers van het Chinese restaurant waar een kogel door de ruit is gegaan (dodelijk) gewond zouden raken. [S] is hierdoor door één van de door de verdachte afgevuurde kogels gewond geraakt. Gelukkigerwijs heeft ook dit slachtoffer de schietpartij overleefd, en zijn er niet meer slachtoffers gevallen. Aldus handelend heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan de ernstigste geweldsdelicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Dergelijke zeer ernstige misdrijven dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Aangenomen moet worden dat deze schietpartij voor de nabestaanden, de slachtoffers alsmede de omstanders een traumatische ervaring is geweest, waarvan de lichamelijke en psychische gevolgen nog lange tijd merkbaar zullen zijn. Daarom dient op een dergelijk delict met een zware sanctie gereageerd te worden. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Het toenemend gebruik van vuurwapens en stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld onderstreept de noodzaak van een strenge bestraffing van onbevoegd bezit van vuurwapens en munitie.

Met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank kennis genomen van een voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland te Maastricht, betreffende verdachte, d.d. 13 februari 2004 opgemaakt en ondertekend door D. van den Eijnden, unitmanager en M. Roorda - van Eijsinga, reclasseringswerkster.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een pro justitia rapport, betreffende verdachte, d.d. 6 april 2004 opgemaakt en ondertekend door drs. S.M.J. van Zeijl, psycholoog. Laatstgenoemd rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als forensisch-psychologische beschouwingen:

'Het lijkt aannemelijk dat de intelligentie in aanleg op laag normaal niveau ligt. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie. Er zijn verder geen aanwijzingen voor een ziekelijke stoornis van de geestvermogens of een gebrekkige ontwikkeling.'

als beantwoording der vragen:

'Ten tijde dat de tenlastegelegde feiten zouden zijn begaan was er bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens namelijk afhankelijkheid van cannabis. Er is echter geen relatie tussen deze stoornis en de tenlastegelegde feiten. Er bestond op dat moment geen gebrekkige ontwikkeling. Ten aanzien van de feiten zou betrokkene derhalve volledig toerekeningsvatbaar moeten worden geacht. Er zijn weinig indicatoren die wijzen op een verhoogde kans op herhaling van soortgelijke feiten.'

Bovendien heeft de rechtbank kennis genomen van het faxbericht d.d. 14 mei 2004 van S.M.J. van Zeijl, psycholoog, gericht aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, welk faxbericht onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

'Vraag d: acht u onderzoek door een psychiater noodzakelijk? kan met "nee" beantwoord worden. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie of een gebrekkige ontwikkeling.'

Op grond van bovengenoemde rapporten en met name de hierboven weergegeven conclusies uit de psychologische rapportage met betrekking tot de verdachte, welke de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde aan de verdachte volledig kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij.

[S], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ? 8.029,20.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is naar het oordeel van de rechtbank door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het onder 3 aan de verdachte tenlastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering - ten aanzien van immateriële schadevergoeding bij wijze van voorschot - toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die terzake van het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte onder meer voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 8.029,20 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [S].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 45, 47, 57, 63, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

feit 1:

Medeplegen van moord;

feit 2:

Poging tot moord;

feit 3:

Medeplegen van poging tot doodslag;

feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 november 2003;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [S], wonende [adres], een bedrag van ? 8.029,20,

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de aan de mededader(s) opgelegde verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot:

? 8.029,20 ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [S];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 160 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs De Boer, voorzitter,

Oskam en Derijks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Kleijne, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2004.