Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0137

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
09/752040-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

schietincident 11 augustus 2003 station HS te Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/752040-03

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 26 mei 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[L],

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 13 mei 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr A.B. Baumgarten, advocaat te Voorburg, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Meulmeester heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair (impliciet subsidiair: medeplegen van poging tot doodslag), 3 primair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van voorarrest, en dat aan de verdachte zal worden opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [S] hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van ? 8.029,20, alsmede oplegging van een schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van ? 8.029,20, subsidiair 160 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerp vermeld onder nummer 14, zal worden onttrokken aan het verkeer en dat het voorwerp vermeld onder nummer 13 zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair (impliciet primair: medeplegen van poging tot moord) is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair (impliciet subsidiair: medeplegen van poging tot doodslag), 3 primair en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverwegingen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting van 13 mei 2004, waaronder de eigen waarneming door de rechtbank ter zitting van de bewegende beelden van de toezichtcamera's, alsmede gelet op de inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat de navolgende feiten zijn komen vast te staan.

Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting is de verdachte op 11 augustus 2003 aanwezig geweest bij een vechtpartij tussen medeverdachte [M] en het latere slachtoffer [C], welke vechtpartij omstreeks 18.03 uur plaatsvond op de hoek van het Stationsplein en de Stationsweg te 's-Gravenhage. Voorts is verdachte die dag samen met de medeverdachten [H], [M] en [Z] in de vestiging van Burger King in het Centraal Station te 's-Gravenhage geweest, alwaar door de aanwezigen nadrukkelijk is gesproken over het "afrekenen" met [C]. Vervolgens is verdachte omstreeks 18.45 uur in het Huygenspark te 's-Gravenhage aanwezig geweest bij een ruzie tussen [C] en medeverdachte [Z]. Bij deze ruzie is door die [C] een bierflesje tegen, dan wel in de richting van [Z] gegooid. Hierop is verdachte weggegaan teneinde samen met de medeverdachten [H], [M] en [Z] op zoek te gaan naar een vuurwapen. Nadat door medeverdachte [G] het vuurwapen aan medeverdachte [Z] was overhandigd, waarbij die [G] aanwijzingen heeft gegeven omtrent het gebruik van het wapen, dit wapen heeft doorgeladen en heeft gezegd dat hij het wapen alleen afgeeft als het ook gebruikt zal worden, is de verdachte in bijzijn van [H], [M], [G] en [Z] - die het geladen vuurwapen bij zich droeg - richting het station HS gegaan waar, naar grote waarschijnlijkheid, [C] zou kunnen worden aangetroffen. Voordat de groep bij het station HS aankwam, heeft medeverdachte [Z] donkerkleurige kleding aangetrokken en een zwarte muts opgezet. Ook is door verdachte en de medeverdachten toen gesproken over de wijze waarop kon worden voorkomen dat na het schieten hulzen op straat zouden achterblijven door een panty om de loop van het pistool te doen. Afgesproken werd dat één van de medeverdachten de hulzen zou oprapen. Omstreeks 19.35 uur komen verdachte, [H], [M], [Z] en [G] bij het Stationsplein aan en zien aldaar [C] staan praten met medeverdachten [K] en [RM]. Medeslachtoffer [A] zit achterop de scooter van [C] en houdt zich van het gesprek afzijdig. Terwijl [G] enigszins achterblijft, fietsen verdachte, [H] en [M] direct naar [C] toe. Medeverdachte [Z] zet zijn fiets - zonder deze op slot te zetten - in tegenovergestelde richting op het trottoir en loopt vervolgens op [C] toe. Op het moment dat medeverdachte [Z] de groep nadert, nemen verdachte en zijn medeverdachten meer afstand van [C] doch blijven met hem in gesprek. Als [C] [Z] bemerkt, wil hij met de scooter wegrijden. Medeverdachte [RM] gaat hierop aan de achterkant van de scooter van [C] hangen om op die wijze het wegrijden door [C] te beletten althans te bemoeilijken. Slechts luttele seconden daarna lost [Z] met het vuurwapen het eerste schot. Terwijl medeslachtoffer [A] gewond van de scooter afvalt en zich met moeite naar het trottoir begeeft, blijft [Z] met het vuurwapen op [C] schieten. Hierbij wordt tevens een toevallig aldaar aanwezige persoon door een kogel in haar been geraakt. [Z] rent vervolgens over het trottoir terug in de richting van zijn fiets en komt al rennende, de reeds gewonde [A] tegen die tegen de pui van een Chinees restaurant is gaan staan. Van zeer korte afstand vuurt [Z] vervolgens met gestrekte arm nogmaals op het bovenlichaam van [A]. Hierna vluchten alle medeverdachten weg. Even later heeft [Z] het wapen aan een medeverdachte overhandigd teneinde te bewerkstelligen dat het wapen aan [G] zou worden teruggegeven. Na de schietpartij is de verdachte aanwezig geweest bij de overdracht van het vuurwapen via [M] en anderen aan [G], in een woning aan de Vaillantlaan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tezamen met anderen tevoren het besluit heeft genomen om [C] van het leven te beroven. In het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan heeft verdachte kunnen nadenken over, en heeft zich rekenschap kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Derhalve heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit met voorbedachten rade gehandeld.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit gaat de rechtbank uit van de volgende - uit de bewijsmiddelen - vaststaande omstandigheden. Medeverdachte [Z] heeft meermalen op / in de richting van het slachtoffer [A] geschoten. Allereerst heeft [Z] op / in de richting van die [A] geschoten toen deze zich achterop de scooter van [C] bevond. Bij dit eerste schietmoment is [A] gewond geraakt. Medeverdachte [Z] vuurt nogmaals van zeer korte afstand op de reeds gewonde [A] nadat hij meermalen op [C] heeft geschoten en over het trottoir wegvlucht. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verklaard het eerste schietmoment op de dagvaarding onder 2 te hebben tenlastegelegd en heeft ten aanzien van dit eerste schietmoment requisitoir gevoerd. De verdediging heeft eveneens ten aanzien van het eerste schietmoment pleidooi gevoerd.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bij de beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde feit uitgaan van de feiten en omstandigheden van het hierboven vermelde eerste schietmoment.

Zoals hiervoor vermeld, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten aanzien van het schieten op [C] met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank heeft echter niet de overtuiging bekomen dat die voorbedachten rade tevens gericht was op de dood van [A], zodat verdachte van de tenlastegelegde poging tot moord moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank voorts dat medeverdachte [Z] op klaarlichte dag met een vuurwapen heeft geschoten terwijl hij zich op een openbare weg vlak voor een groot treinstation bevond. Op het moment dat de schietpartij plaatsvond waren ter plaatse veel voetgangers en andere verkeersdeelnemers aanwezig. Zowel [A] als [S] - die niets met [Z], verdachte of met [C] te maken had - kwamen in deze schietpartij terecht en raakten gewond door kogels die [Z] heeft afgevuurd. Doordat [Z] op die plaats, op dat moment en op deze wijze meermalen met een vuurwapen heeft geschoten, heeft verdachte samen met zijn mededaders willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat andere personen dodelijk gewond zouden raken. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van de verdachte voorwaardelijk gericht was op de dood van [A] en [S]. De rechtbank zal om deze reden bewezen verklaren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van moord en meermalen aan medeplegen van poging tot doodslag. Verdachte is betrokken is geweest bij het maken van het plan om [C] van het leven te beroven, dan wel op de hoogte geweest van dat plan. Hij heeft hiertoe samen met zijn mededaders een vuurwapen gezocht waarmee mededader [Z] op klaarlichte dag, op de openbare weg midden op een stationsplein waar zich op dat moment veel mensen bevonden, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [C] heeft geschoten. Verdachte is aanwezig geweest voor, tijdens en na deze schietpartij en heeft hieraan een actieve bijdrage geleverd. De handelwijze van de verdachte en zijn mededaders kan worden omschreven als een kille weloverwogen liquidatie alsmede een poging daartoe. Als gevolg van zijn schotverwondingen is [C] overleden. Verdachte heeft doordat op die plek en op deze wijze is geschoten op de koop toegenomen dat vele omstanders en de bezoekers van het Chinese restaurant waar een kogel door de ruit is gegaan (dodelijk) gewond zouden raken. [A] en [S] zijn hierdoor door één van de door de medeverdachte [Z] afgevuurde kogels gewond geraakt. Gelukkigerwijs hebben deze slachtoffers de schietpartij overleefd en zijn er niet meer slachtoffers gevallen. Aldus handelend heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan de ernstigste geweldsdelicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Dergelijke zeer ernstige misdrijven dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Aangenomen moet worden dat deze schietpartij voor de nabestaanden, de slachtoffers alsmede de omstanders een traumatische ervaring is geweest, waarvan de lichamelijke en psychische gevolgen nog lange tijd merkbaar zullen zijn. Daarom dient op een dergelijk delict met een zware sanctie gereageerd te worden. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Het toenemend gebruik van vuurwapens en stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld onderstreept de noodzaak van een strenge bestraffing van onbevoegd bezit van vuurwapens en munitie.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 november 2003, eerder is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict, hetgeen de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De rechtbank heeft kennis genomen van een pro justitia rapport van de stichting Haags ambulatorium, betreffende verdachte, d.d. 22 maart 2004 opgemaakt door drs M.H. Hölscher, psycholoog en Th. Lenz, kinder- en jeugdpsychiater en ondertekend door drs M.H. Hölscher. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als beantwoording van de vraagstelling:

'Anamnestisch zijn er aanwijzingen voor spanning- en agressiegerelateerde hyperactiviteit en impulsiviteit. De gewetensfunctie is weinig tot ontwikkeling gekomen. De totale sociaal-emotionele ontwikkeling is onrijp. Er bestond geen ziekelijke storing van zijn geestesvermogen. Gezien de achterstand op cognitief en sociaal-emotioneel gebied, welke gevolgen heeft voor de ontwikkeling van het - thans lacunaire - geweten, kan wel worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling. De kans op herhaling is groot. Gezien het feit dat verdachte op eigen kracht niet op het rechte pad weet te blijven en moeder hem hierin onvoldoende kan helpen, is hulpverlening geïndiceerd. Er bestaat de kans op verharding en verder afglijden in het criminele circuit. Plaatsing in een Jeugdinrichting (PIJ-maatregel) is geïndiceerd. Gezien de noodzaak van een gesloten setting komt de Rijksinrichting voor jongens Den Engh het meest in aanmerking.'

Daarbij lijkt verdachte - gelet op zijn antwoorden en houding ter terechtzitting - het laakbare van zijn gedrag niet in te zien.

Op grond van bovengenoemd rapport en met name de hierboven weergegeven conclusies, welke de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde aan de verdachte volledig kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de gepleegde feiten aan de verdachte dient te worden opgelegd een geheel onvoorwaardelijke straf van jeugddetentie voor de maximale duur. Tevens acht de rechtbank de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen passend en geboden.

De rechtbank adviseert de opgelegde straf van jeugddetentie en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in de Rijksinrichting voor jongens Den Engh te Den Dolder, dan wel in een daarvoor geschikte inrichting die zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de verdachte is gelegen.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 14 onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 13.

Vordering van de benadeelde partij.

[S], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ? 8.029,20.

Deze vordering is door de verdediging weersproken, doch is naar het oordeel van de rechtbank door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het onder 3 primair aan de verdachte tenlastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering - ten aanzien van immateriële schadevergoeding bij wijze van voorschot - toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die terzake van het onder 3 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte onder meer voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 8.029,20 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [S].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 36b, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77s, 77v, 77gg, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair (impliciet primair: medeplegen van poging tot moord) tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair (impliciet subsidiair: medeplegen van poging tot doodslag), 3 primair en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

feit 1 primair:

Medeplegen van moord;

feiten 2 primair (impliciet subsidiair) en 3 primair:

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van VIERENTWINTIG MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 18 november 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 21 november 2003,

legt aan de verdachte op:

de maatregel van PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN;

verklaart onttrokken aan het verkeer het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 14;

gelast de teruggave aan de verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 13;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [S], wonende [adres], een bedrag van ? 8.029,20,

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de aan de mededader(s) opgelegde verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot:

? 8.029,20 ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [S];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs De Boer, voorzitter,

Oskam en Derijks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Kleijne, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2004.

Mr Derijks is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.