Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0109

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/790 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoeker medegedeeld dat op zijn aanvraag om bijstand voor levensonderhoud op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 04/790 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

met betrekking tot het besluit van 16 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat op zijn aanvraag om bijstand voor levensonderhoud op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend is beslist.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 25 november 2003, aangevuld bij brief van 30 december 2003, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 februari 2004 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Dit verzoek is op 29 maart 2004 ter zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat mr. F.C. Werts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verweerder heeft zich blijkens de overgelegde stukken op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat er bij verzoekers aanvraag van 1 oktober 2003 sprake is van een wijziging van feiten en omstandigheden ten opzichte van de beëindiging van verzoekers bijstandsuitkering per 1 juni 2003. Verzoekers uitkering was per 1 juni 2003 beëindigd wegens onvolledige inlichtingen over zijn woonsituatie waardoor het recht op bijstand niet beoordeeld kon worden.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat verzoeker op 26 januari 2004 een nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend. Bij brief van 12 maart 2004 heeft verweerder aan verzoeker om aanvullende gegevens gevraagd met betrekking tot deze aanvraag. Hierop heeft verweerder van verzoeker nog geen reactie ontvangen.

Verzoeker is van mening dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet woonachtig is op de [adres]. Hij is eigenaar van deze woning, hij staat in het bevolkingsregister op dit adres ingeschreven en heeft op 5 december 2003 de electriciteit weer laten aansluiten. Dat verweerder bij een huisbezoek op 15 oktober 2003 nauwelijks spullen aantrof, kwam doordat hij in detentie heeft verbleven, zijn woning gedurende deze periode onbevoegd bewoond is geweest en de onbevoegde bewoners bij vertrek alle spullen hebben meegenomen. Verzoeker verzoekt om schorsing van het bestreden besluit en om toekenning van een bijstandsuitkering voor de duur van de bezwaarprocedure.

Ter zitting heeft verzoekers gemachtigde toegelicht dat verzoeker met ingang van 9 maart 2004 wederom gedetineerd is en dat thans gevraagd wordt om een voorziening voor het moment dat verzoeker uit detentie komt aangezien niet te verwachten is dat de detentie lang zal duren.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bestreden besluit is tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Verweerder zal, gelet op artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) op het bezwaarschrift, nu dit vóór 1 januari 2004 is ingediend, met toepassing van de Abw moeten beslissen.

Met ingang van 1 januari 2004 gelden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet WWB door het college van burgemeester en wethouders op grond van de Algemene bijstandswet genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat degene die in detentie verblijft geen recht op bijstand heeft.

Verzoeker is, kort nadat zijn verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, voor nog onbekende periode gedetineerd.

In het geval dat verweerder aan verzoeker op zijn aanvraag van 1 oktober 2003 bijstand ingevolge de Abw had toegekend, had deze uitkering met ingang van 1 januari 2004 ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet WWB gegolden als een uitkering ingevolge de WWB en had verweerder deze uitkering in ieder geval met ingang van 9 maart 2004 dienen te beëindigen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB vanwege verzoekers detentie.

Uitgangspunt is dat een voorziening in een situatie als de onderhavige bedoeld is om de betrokkene in staat te stellen om tijdens de periode dat zijn bezwaar- of beroepsprocedure nog loopt in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit komt onder meer tot uitdrukking door de toewijzing van een dergelijke voorziening in de regel niet eerder te laten ingaan dan de datum van indiening van het verzoek. Nu verzoeker door zijn detentie thans in elk geval sedert 9 maart 2004 voor een onbekende periode uitgesloten is van het recht op bijstand komt het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ten behoeve van zijn levensonderhoud niet voor inwilliging in aanmerking.

Gelet op het voorgaande, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling of het bestreden besluit, na heroverweging in bezwaar, in rechte zal standhouden.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: