Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/41254, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rusland / joden / bescherming autoriteiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gebeurtenissen waar eiseressen het slachtoffer van geworden zijn worden aangemerkt als ‘serious discriminatory or other offensive acts’ als bedoeld in paragraaf 65 handboek UNHCR. Met betrekking tot de vraag of eiseressen de bescherming van de Russische overheid (hebben) kunnen inroepen, merkt de rechtbank op dat eiseressen zowel in de stukken als ter zitting uitvoerig uiteen hebben gezet welke pogingen zij hebben ondernomen om van de autoriteiten de benodigde hulp en bescherming te verkrijgen. Enige hulp of bescherming hebben eiseressen van die zijde evenwel niet ondervonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op het ambtsbericht van 29 april 2003 alsmede op de door eiseressen gestelde problemen van de zijde van de KGB, van een leidingggevende op het werk, en van een lid van de OMON, verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseressen de bescherming van de hogere autoriteiten hadden kunnen inroepen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

enkelvoudige kamer

regnr.: Awb 02/41254, 02/41256, 02/55244 en 02/41226 BEPTDN BE

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1945,

eiseres 1,

B,

geboren op [...] 1972,

eiseres 2,

alsmede haar minderjarige kind C, geboren op

[...] 1998,

D,

geboren op [...] 1973,

eiseres 3,

alsmede haar minderjarige kind E, geboren op

[...] 1991,

F,

geboren op [...] 1980,

eiseres 4,

allen van Russische nationaliteit,

IND dossiernummers 0108.08.8110, 0108.08.8106, 0201.17.8003 en 0108.08.8103,

eiseressen,

gemachtigde: mr. J.G. Wiebes, advocaat te Dronten;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. N.A.P. Trommelen, ambtenaar ten departemente.

1 Procesverloop

1.1 Op 8 augustus 2001 hebben eiseressen 1, 2 en 4 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres 2 is de schoondochter van eiseres 1. Eiseres 4 is een nicht van eiseres 1. Gelet op de samenhang tussen de asielrelazen van bovengenoemde eiseressen worden hun beroepen tezamen beoordeeld.

Op 16 januari 2002 heeft verweerder kennisgevingen van het voornemen tot afwijzing van de aanvragen bekend gemaakt. Bij brief van 1 maart 2002 hebben eiseressen hierop gereageerd met een zienswijze. Bij besluiten van 26 april 2002, verzonden op 1 mei 2002, heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij brief van 29 mei 2002 is daartegen beroep ingesteld.

Eiseres 3, die een zuster is van eiseres 4 en dus ook een nicht van eiseres 1, heeft op 17 januari 2002 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Op 26 april 2002 heeft verweerder een kennisgeving van het voornemen tot afwijzing van de aanvraag bekend gemaakt. Bij brief van 31 mei 2002 heeft eiseres hierop gereageerd met een zienswijze. Bij besluit van 20 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 18 juli 2002 is daartegen beroep ingesteld. Aangezien het asielrelaas van eiseres 3 een grote samenhang vertoont met de relazen van de hiervoor genoemde eiseressen zal het beroep van eiseres 3 gelijktijdig met deze beroepen behandeld worden.

1.2 De beroepen zijn ter zitting van 14 april 2004 behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. De rechtbank zal daarbij op grond van artikel 83 Vw 2000 rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden besluiten zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaken daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 De asielrelazen van eiseressen 1, 2 en 4, komen, kort samengevat, op het volgende neer.

Eiseres 1 (hierna: eiseres) werd na haar terugkeer uit de Verenigde Staten in de gaten gehouden door de KGB. Eiseres werkte als tolk voor buitenlanders en in een valuta-winkel. Zij woonde in Rostov-na-Donu. Eiseres had een Amerikaanse vriend. Hij is naar Rostov-na-Donu gekomen en is met eiseres gehuwd met de bedoeling dat zij terug zou kunnen keren naar de Verenigde Staten. Na enige dagen is de KGB er achtergekomen dat zij waren gehuwd. Eiseres werd door de KGB opgeroepen voor gesprek. De inspecteur van de KGB, G, was boos op eiseres. Hij vertelde dat hij de handelswijze van eiseres nooit zou vergeven omdat hij door eiseres zijn functie was kwijtgeraakt. Hem werd verweten dat hij eiseres niet voldoende had gecontroleerd. Eiseres werd binnen 24 uur ontslagen. Zij mocht ook nooit meer als tolk werken of voor een internationaal bedrijf. Eiseres vond ander werk als hoofd van een afdeling bij het stedelijk desinfectie-station. Eiseres werd later gebeld door G en hij wilde haar spreken. G liet tijdens hun ontmoeting eiseres de geboorteakte van haar moeder zien waaruit de joodse afkomst van haar moeder bleek. G vertelde eiseres dat zij nieuwe documenten moest aanvragen waarop haar joodse etniciteit stond vermeld. Eiseres heeft dit vervolgens gedaan. Eiseres werd hierna gedegradeerd en uitgescholden voor zid (scheldwoord voor joden). Eiseres heeft sedert 1985 problemen ondervonden vanwege het bekend raken van haar joodse etniciteit. Eiseres is uiteindelijk in 1992/1993 ontslagen. Daarna ging eiseres thuis les geven in de Engelse taal.

Eiseres 4 heeft vanaf april 2000 bij eiseres gewoond. Tijdens de mei-feesten van 2000 kwamen leden van de OMON (speciale eenheid strijdkrachten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken) de huizen langs op zoek naar Tsjetsjenen. Eén van hen vond eiseres 4 aantrekkelijk en heeft haar sedertdien lastiggevallen. Eind juli 2000 heeft deze man eiseres 4 verkracht en mishandeld. Eiseres is met eiseres 4 naar de politie gegaan. De politie vertelde dat eiseres 4 de man wel uitgelokt zou hebben. Dezelfde nacht heeft de verkrachter, samen met andere mannen, hen thuis bezocht en gedreigd dat zij niet naar de politie moesten gaan en dat het de volgende keer hun leven zou kosten. De vrienden van de verkrachter bleven eiseres 4 ook daarna lastigvallen. Rond 1 oktober 2000 werden er stenen door de ruiten van de woning van eiseres gegooid met een papier met daarop de tekst: “sla ze dood, red Rusland”.

Op 15 november 2000 is de woning van eiseres in brand gestoken en geheel afgebrand. Eiseres is met een document van de brandweer naar het politiebureau gegaan. Het hoofd van het politiebureau vertelde eiseres dat dit soort zaken niet opgelost kon worden. Eiseres werd de volgende dag door drie mannen in elkaar geslagen. Zij werd uitgescholden voor zidovka. Eiseres is vervolgens bij haar moeder gaan wonen.

Op 8 maart 2001 is de zoon van eiseres en echtgenoot van eiseres 2, H, in elkaar geslagen. Eiseres heeft een ambulance gebeld. Toen de politie kwam is aangifte gedaan. De politiemensen vroegen om hun documenten. Nadat de politiemensen deze hadden ingezien zeiden ze dat het om een kleinigheid ging, want om een zidovski-bloedneus (joden-bloedneus), en dat eiseressen er niet op moesten rekenen dat zij de daders zouden vinden aangezien zij wel belangrijker dingen te doen hadden dan een gebroken neus van een jood. Nadat H hersteld was is eiseres 2 op 19 maart 2001 naar het politiebureau gegaan om te informeren naar de vorderingen van het onderzoek inzake de mishandeling van haar echtgenoot. De wijkagent was niet aanwezig en eiseres 2 heeft met een hulpagent gesproken. Deze zei dat het slechts om een bloedneus ging en het bovendien een zid betrof en dat één zid meer of minder niet uitmaakte. De volgende dag ontvingen zij een dreigbrief dat zij niet meer naar de politie moesten gaan.

Op 13 juli 2001 zijn de zonen van eiseres, H en I, niet teruggekomen van hun werk. Eiseres en eiseres 2 zijn op 16 juli 2001 naar de politie gegaan. De politie vertelde hun dat H en I wellicht naar een feest waren en dat pas na vier maanden een officiële aangifte mogelijk was. Eiseres alsmede de eiseressen 2 en 4 hebben op 27 juli 2001 hun land van herkomst verlaten. Zij zijn op 29 juli 2001 Nederland ingereisd.

Het asielrelaas van D (eiseres 3) wordt als volgt samengevat.

Eiseres 3 kreeg in januari 2000 problemen op haar werk met de nieuwe leidinggevende, J. J was lid van een antisemitische organisatie en had een hekel aan eiseres 3 vanwege haar joodse afkomst. Op het bureau van J stond een swastika met de letters RNE (Russische nationale eenheid). Eiseres 3 werd door hem bedreigd en uitgescholden voor zidovskaja morda (joodse bek). Ook is zij in april 2000 door hem aangevallen. Eiseres 3 heeft geen aangifte gedaan. J had immers goede contacten met het hoofd van het provinciebestuur, Tsjoeb, en met de burgemeester, Tsjernisjov. De politie valt onder deze twee personen.

In maart 2001 is eiseres 3 met haar moeder, de zuster van eiseres, naar K gegaan. Haar moeder is op 30 juli 2001 met een mes in haar borst gestoken. De aanvallers riepen dat zij een smerige jodin was en moest verdwijnen. De moeder van eiseres 3 is naar het ziekenhuis gegaan. Daar werd zij bezocht door politie. Zij zeiden dat zij daar illegaal was en terug moest keren naar de plaats waar zij vandaan kwam.

Eiseres 3 en haar moeder zijn eind augustus 2001 teruggekeerd naar Rostov-na-Donu. Eiseres 3 is op 13 september 2001 door twee mannen op straat mishandeld. Hierbij werd eiseres 3 beledigd vanwege haar joodse afkomst. De aanvallers droegen ook een embleem met een swastika. Eiseres 3 raakte buiten bewustzijn en kwam pas bij in het ziekenhuis. Eiseres 3 heeft vervolgens twee dagen in het ziekenhuis gelegen. Eiseres 3 is in het ziekenhuis bezocht door politiemensen. Zij hebben proces verbaal opgemaakt. Toen eiseres bij de politie navraag ging doen naar haar zaak werd haar te kennen gegeven dat als zij zich verder zou beklagen drugs bij haar konden worden gevonden. Eiseres 3 heeft op 26 december 2001 Rostov-na-Donu verlaten en is op 29 december 2001 Nederland ingereisd.

3.2 Verweerder heeft de aanvraagen afgewezen om de volgende redenen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na 1985 nog problemen heeft ondervonden van de zijde van de KGB vanwege haar geboorte in West-Europa, haar verblijf in de Verenigde Staten en haar werk met buitenlanders.

Niet valt in te zien dat eiseressen, eerst in de periode van februari tot mei 2001 diverse documenten hebben aangevraagd.

Gesteld noch gebleken is dat eiseressen van de zijde van de autoriteiten in de negatieve belangstelling staan. De gestelde problemen in verband met de joodse afkomst leiden niet tot de conclusie dat eiseressen moeten worden aangemerkt als verdragsvluchtelingen. Eiseressen hadden tegen de gestelde problemen de bescherming van de (hogere) autoriteiten kunnen inroepen. Verweerder verwijst hierbij naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 april 2000 (DPC/AM-678740). Verweerder merkt daarbij op dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat de lagere autoriteiten soms onwelwillend kunnen zijn voor wat betreft het bieden van bescherming, in dat geval een beroep kan worden gedaan op de hogere autoriteiten om bescherming.

Eiseressen hebben dit volgens verweerder niet geprobeerd hetgeen voor hun rekening komt. Zij hebben niet met documenten onderbouwd dat zij, alvorens zij de hogere autoriteiten kunnen inschakelen, een bewijs nodig hebben waaruit blijkt dat zij het lagere traject hebben doorlopen.

Het wekt bevreemding dat eiseres, na het verdwijnen van haar zoons, niet in Rusland is gebleven om aangifte van vermissing te doen.

Eiseressen kunnen zich voorts aan de problemen van de zijde van antisemitische mensen onttrekken door zich elders in de Russische Federatie te vestigen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk was; eiseressen hebben immers geen poging ondernomen. Eiseressen kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat zij zich vanwege het registratiesysteem niet eenvoudig elders zouden kunnen vestigen. Verweerder verwijst daarbij naar het eerdergenoemde ambtsbericht waaruit blijkt dat Russische joden zich overal in de Russische Federatie kunnen vestigen, hoewel het in de praktijk kan voorkomen dat lokale onwillige ambtenaren een geldbedrag willen incasseren om woonregistratie mogelijk te maken of andere bureaucratische belemmeringen opwerpen.

Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat zij bij terugkeer in het land van herkomst zullen worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De verklaringen van eiseressen zijn niet van dien aard, en ook overigens zijn er geen aanwijzingen die leiden tot de conclusie, dat aannemelijk is dat van eiseressen als gevolg van traumatische ervaringen, die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst.

Ook overigens zijn door eiseressen geen klemmende redenen van humanitaire aard aangevoerd die tot de conclusie leiden dat in redelijkheid niet van hen kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst.

Terugkeer van eiseressen naar het land van herkomst is niet van bijzondere hardheid in verband met de algehele situatie aldaar, aldus verweerder.

3.3 Eiseressen stellen zich op het standpunt dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De asielrelazen zijn consistent en geloofwaardig en worden met documenten onderbouwd.

Eiseressen merken ten aanzien van het verkrijgen van documenten op dat zij deze reeds eerder hadden aangevraagd, namelijk eind november of begin december 2000, maar dat deze documenten pas in de periode van februari tot mei 2001 zijn afgegeven.

Eiseres wijst erop dat zij in de periode vanaf 1961 reeds problemen heeft ondervonden van de KGB na een eerder verblijf in de Verenigde Staten van 1953 tot 1961. Zij werd gecontroleerd door KGB-beambte G. G heeft de joodse afkomst van eiseres achterhaald en bekend gemaakt.

Eiseressen hebben vanwege hun joodse etniciteit, dan wel hun huwelijk met een joodse man, blootgestaan aan een reeks van ernstige gebeurtenissen. Eiseressen hebben zich meermalen gewend tot de autoriteiten voor bescherming. Zij werden niet serieus genomen en zijn zelfs beledigd. Bijvoorbeeld is geen aangifte opgenomen na de verdwijning van de zonen van eiseres op 13 juli 2001. Ook kregen zij elke keer problemen kort nadat zij bij de politie waren geweest. Hieruit komt naar voren dat de politie hun belagers informeerde. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat hun joodse afkomst een belemmerende factor is om overheidsbescherming te verkrijgen.

Eiseressen hebben geen vestigingsalternatief elders in de Russische Federatie.

Zij lopen een reëel risico om bij terugkeer slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Terugkeer is in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eiseressen komen in aanmerking voor verblijfsaanvaarding op grond van humanitaire redenen. Zij hebben traumatische ervaringen meegemaakt. Met name eiseres 4 heeft psychische gezondheidsproblemen vanwege de door haar ondervonden verkrachting. Deze verkrachting is gepleegd door een man in dienst van de overheid (lid OMON). Hiertegen wordt door de overheid geen bescherming geboden. Eiseressen beroepen zich derhalve op het traumatabeleid.

Terugkeer van eiseressen naar de Russische Federatie betekent een onevenredige hardheid. Zij stellen in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000.

4 Overwegingen

4.1 Op grond van artikel 1 (A) Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Voorzover hier van belang luidt artikel 29 Vw 2000:

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Voorzover hier van belang luidt artikel 1 Vw 2000:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

4.2 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Rusland zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiseressen zullen daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

De rechtbank stelt voorop dat niet gebleken is dat verweerder in zijn bestreden besluiten en in de verweerschriften niet uitgaat van de geloofwaardigheid van de asielrelazen van eiseressen. Derhalve zal hierna van de geloofwaardigheid van die relazen worden uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat zij verweerder niet kan volgen in zijn stelling dat het bevreemdend is dat eiseres en haar schoondochter eiseres 2 na de vermissing van H en I niet hebben gewacht tot zij aangifte konden doen. Deze eiseressen hebben zich gelet op de uitlatingen van de politie op 19 maart 2001 alsmede gelet op de uitlatingen van de politie op 16 juli 2001 naar aanleiding van de melding van de vermissing van H en I op 13 juli 2001 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aangifte zinloos zou blijven.

De rechtbank acht hierbij van belang dat eiseressen ten tijde van de vermissing van H en I op 13 juli 2001 reeds allen een reeks van ernstige incidenten hadden meegemaakt.

Gelet op vermelde verklaring van eiseressen met betrekking tot het verkrijgen van de diverse documenten, heeft verweerder zich evenmin in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bevreemding wekt dat eiseressen eerst in de periode van februari tot mei 2001 diverse documenten hebben aangevraagd.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de joodse bevolkingsgroep in Rusland in voorkomende gevallen het slachtoffer is van discriminatie.

In paragraaf 65 van het Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee Status (hierna : handboek UNHCR) is opgenomen dat: “Persecution is normally related to action by the authorities of a country. It may also emanate from sections of the population that do not respect the standards established by the laws of the country concerned. A case in point may be religious intolerance, amounting to persecution, in a country otherwise secular, but where sizeable fractions of the population do not respect the religious beliefs of their neighbours. Where serious discriminatory or other offensive acts are committed by the local populace, they can be considered as persecution if they are knowingly tolerated by the authorities, or if the authorities refuse, or prove unable, to offer effective protection”.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gebeurtenissen waar eiseressen het slachtoffer van geworden zijn worden aangemerkt als ‘serious discriminatory or other offensive acts’ als bedoeld in paragraaf 65 van het handboek UNHCR.

De rechtbank wijst in dit verband op het aantal incidenten, het ernstige karakter van de mishandelingen van eiseressen en het antisemitische karakter van deze incidenten.

4.3 Met betrekking tot de vraag of eiseressen de bescherming van de Russische overheid (hebben) kunnen inroepen, merkt de rechtbank het volgende op.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2003 (kenmerk: 200300547/1) dat van een vreemdeling mag worden gevergd dat hij zich, alvorens het land van herkomst te verlaten om elders bescherming te zoeken, tot de autoriteiten van dat land wendt om bescherming te krijgen, tenzij aannemelijk is gemaakt dat dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest.

Eiseressen hebben zowel in de stukken als ter zitting uitvoerig uiteengezet welke pogingen zij hebben ondernomen om van de autoriteiten de benodigde hulp en bescherming te verkrijgen. Enige hulp of bescherming hebben eiseressen van die zijde evenwel niet ondervonden.

Uit de relazen van eiseressen blijkt dat zij zich diverse malen naar aanleiding van incidenten tot de politie hebben gewend om aangifte te doen. Uit de relazen, bijvoorbeeld met betrekking tot de mishandeling van H en de verkrachting van F, blijkt dat de politie het doen van aangifte heeft bemoeilijkt dan wel dat eiseressen een antisemitische bejegening ten deel is gevallen.

Ook is geen onderzoek ingesteld naar de mishandeling van H op 8 maart 2001, hoewel eiseres 2 daarop had aangedrongen. De weigering van de politie om een onderzoek in te stellen ging bovendien gepaard met antisemitische uitlatingen. Naar aanleiding van de verkrachting van eiseres 4 heeft de politie aangegeven dat eiseres die wellicht zelf zou hebben uitgelokt.

Uitgaande van de, overigens niet betwiste, asielrelazen kan niet worden uitgesloten is dat de politie de belager(s) van eiseressen steeds heeft ingelicht over hun komst naar de politie.

Immers eiseressen hebben nadat zij de verkrachting aan de politie hadden gemeld bezoek gehad van de verkrachter en zijn vrienden en zij hebben, nadat eiseres 2 naar aanleiding van haar bezoek aan de politie om te informeren naar de voortgang van het onderzoek naar de mishandeling van haar echtgenoot, de volgende dag een dreigbrief ontvangen waarin nadrukkelijk werd gesteld dat zij niet meer naar de politie moesten gaan. Bovendien heeft de politie eiseres het verdere klagen onmogelijk willen maken door te suggereren dat in dat geval bij haar verdovende middelen zouden worden gevonden, met alle consequenties van dien.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen hiermede voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor hen gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest zich wederom tot de politie te wenden voor bescherming.

4.4 Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseressen zich, indien nodig, (hebben) kunnen melden bij de hogere Russische autoriteiten voor bescherming.

De rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet volgen. Daartoe is het volgende redengevend.

Eiseres heeft gesteld dat zij reeds vóór 1985 de bijzondere aandacht van de KGB op zich gevestigd wist. Dit in verband met haar verblijf van 1953 tot 1961 in de Verenigde Staten.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat eiseres na 1985 geen problemen meer heeft ondervonden van de zijde van de KGB. Eiseres heeft immers tijdens het nader gehoor, pagina 6 e.v., verklaard dat zij ook na 1985 nog problemen had met haar persoonlijke inspecteur van de KGB, G voornoemd, en dat zij nà degradatie en een aantal incidenten uiteindelijk in 1992/1993 is ontslagen. De rechtbank acht daarbij nog van belang dat eiseres verklaard heeft dat G in 1985 de joodse afkomst van eiseres heeft geopenbaard en dat G verklaard zou hebben ervoor te zorgen dat eiseres nimmer Rusland zou kunnen verlaten.

De rechtbank acht in dit verband ook nog van belang dat eiseres 3 heeft verklaard dat haar belager, J, goede contacten onderhield met de burgemeester en het hoofd van het provinciebestuur.

Eiseressen hebben voorts gesteld dat de verkrachting van eiseres 4 door een lid van de OMON is gepleegd.

Met betrekking tot deze stelling kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn betoog dat de verkrachting en bedreiging van eiseres 4 door een lid van de OMON niet uit hoofde van diens functie is gepleegd. Deze man begon eiseres 4 lastig te vallen tijdens een actie van de OMON. Eiseres 4 heeft tevens verklaard dat hij tijdens latere keren dat hij haar lastig viel meestal een uniform droeg. Eiseres 4 heeft voorts ter zitting nog verklaard dat hij ten tijde van de verkrachting een uniform droeg. Eiseres 4 heeft bovendien verklaard dat de politie nadat zij had verteld wie het gedaan had, de zaak ging omdraaien. Niet uitgesloten kan worden dat de politie de medewerker van de OMON heeft verwittigd van het bezoek van eiseres en eiseres 4 aan hen, aangezien uit de verklaringen van eiseressen naar voren komt dat na hun bezoek aan de politie zij dezelfde nacht thuis zijn bezocht door de desbetreffende medewerker van de OMON en zijn vrienden en dat hij hen gezegd heeft dat zij niet naar de politie moesten gaan.

Het standpunt van verweerder kan, gelet op bovenstaande omstandigheden, dan ook niet zonder nadere motivering worden gevolgd.

De rechtbank acht daarbij van belang dat uit pagina 25 van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken van 29 april 2003 (kenmerk: DPV/AM-785571; hierna: het ambtsbericht) blijkt dat, hoewel hooggeplaatste federale ambtenaren antisemitische haat en misdaad herhaaldelijk veroordelen, justitieel onderzoek naar de daders vaak uitblijft of zonder resultaat blijft, en dat rechtshandhavingsorganen in veel gevallen niet overgaan tot vervolging, aangezien aanvallen vaak niet als antisemitisme maar als vandalisme aangemerkt worden.

Op pagina 26 wordt bovendien aangegeven dat zich in Moskou gedurende de afgelopen jaren racistische (waaronder antisemitische) incidenten hebben voorgedaan en dat sommige incidenten door de politie waren veroorzaakt. Voorts wordt aangegeven dat ondanks het feit dat president Poetin racistisch (waaronder antisemitisch) geweld sterk en herhaaldelijk heeft veroordeeld, zijn uitlatingen hieromtrent ondermijnd werden door het uitblijven van pogingen om de politie verantwoordelijk te stellen voor haar racistische acties tegen etnische minderheden.

Tenslotte wordt op pagina 31 van bedoeld ambtsbericht aangegeven dat de Russische overheid antisemitische acties weliswaar veroordeelt, maar dat de effectiviteit van dergelijke veroordelingen vooralsnog gering lijkt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor vermelde gegevens uit het ambtsbericht van 29 april 2003 alsmede de door eiseressen gestelde problemen van de zijde van de KGB, J, en van een lid van de OMON, verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseressen de bescherming van de hogere autoriteiten hadden kunnen inroepen.

4.5 Nu eiseressen aannemelijk hebben gemaakt dat het inroepen van bescherming door de overheid voor hen gevaarlijk zou zijn geweest of bij voorbaat zinloos, heeft verweerder niet zonder nadere motivering eiseressen mogen tegenwerpen dat zij een binnenlands vluchtalternatief hebben.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene berusten de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en kunnen zij derhalve niet in stand blijven.

4.7 De beroepen zijn, gelet op het vorenstaande, gegrond.

4.8 De rechtbank ziet, gelet het vorenoverwogene, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (€ 322,-- per punt, in totaal drie punten, zijnde: 1 punt voor het beroepschrift van de eiseressen 1, 2 en 4, 1 punt voor het beroepschrift van eiseres 3, en 1 punt voor de behandeling van de beroepen ter zitting).

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 966,--, door de Staat der Nederlanden te betalen aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp en in tegenwoordigheid van mr. H.W.A. de Jong als griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2004

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 3 mei 2004