Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9654

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/64488, 02/64485
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afghanistan / artikel 1F VSV.

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Verweerder heeft artikel 1F VSV tegengeworpen op basis van eisers werkzaamheden als militair en zijn werkzaamheden bij het vluchtelingenkantoor. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat door het handelen of nalaten van eiser misdrijven ex artikel 1F VSV direct zijn gefaciliteerd. De verklaringen van eiser noch het individueel ambtsbericht bevatten aanwijzingen dat eiser zelf misdrijven ex artikel 1F VSV heeft gepleegd, daarbij betrokken is geweest of heeft samengewerkt met de KhaD/WAD. Daarnaast bevat het individuele ambtsbericht geen enkele informatie over het doen en laten van eiser. Ook blijkt uit het individuele ambtsbericht niet dat er daadwerkelijk concrete misdrijven als bedoeld in artikel 1F VSV hebben plaatsgevonden die in verband kunnen worden gebracht met de werkzaamheden van eiser. Hoogstens kan uit het individueel ambtsbericht worden afgeleid dat er contacten waren tussen de KhaD/WAD enerzijds en anderzijds het bataljon en het vluchtelingenbureau waarvoor eiser werkzaam is geweest. Dat is echter onvoldoende voor de zwaarwegende conclusie dat het handelen van eiser er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat er misdrijven ex artikel 1F VSV zijn gepleegd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 64488 OVERIO H (beroep)

AWB 02 / 64485 OVERIO H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1950, van Afghaanse nationaliteit, eiser

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde ter zitting op 2 december 2003: mr. A. Pahladsingh, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage;

gemachtigde ter zitting op 23 januari 2004: mr. E.J.W. Spierings, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 18 september 2000 zijn de aanvragen van eiser van 25 juni 1998 om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Tegen dit besluit heeft eiser op 3 oktober 2000 bezwaar gemaakt.

1.2 Bij besluit van 26 juli 2002 heeft verweerder het bezwaar van 3 oktober 2000 ongegrond verklaard zowel ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als ten aanzien van de afwijzing van de reguliere vergunningaanvraag. Hiertegen heeft eiser op 21 augustus 2002 beroep ingesteld.

1.3 Bij verzoekschrift van 21 augustus 2002 heeft eiser verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5 Bij brief van 6 november 2002 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht van 14 mei 2001 (kenmerk: DPV/AM-702558) aan de rechtbank toegezonden met de mededeling als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, dat uitsluitend de rechtbank daarvan zal mogen kennisnemen. Bij beslissing van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 4 juli 2003 is op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb bepaald dat het beroep op beperking van de kennisname van de onderliggende stukken is gerechtvaardigd. Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 december 2003. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. A. Pahladsingh. Als getuige is gehoord de heer B. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. De nadere behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 januari 2004, waarbij eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. E.J.W. Spierings. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag in rechte stand kan houden.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (Vw oud) ingetrokken. Ingevolge de overgangsbepalingen is zowel op de behandeling van de aanvraag en het bezwaar alsmede ten aanzien van de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen het vóór 1 april 2001 geldende recht van toepassing. Op de materiële beoordeling van het bestreden besluit is het na 1 april 2001 geldende recht van toepassing nu de beslissing op bezwaar dateert van na die datum.

2.3 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel worden verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is. In artikel 1, aanhef en onder l, Vw, in verband met onderdeel k van dat artikel, is bepaald dat onder verdragsvluchteling wordt verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, zijnde het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88), betreffende de status van vluchtelingen en het bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967,76), en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

2.5 Ingevolge artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.6 Ingevolge artikel 31, tweede lid, sub k, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2.7 Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) wordt, indien artikel 1F Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw.

2.8 Ingevolge artikel 16, eerste lid aanhef en onder a, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2.9 Ingevolge artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder a, Vb kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

2.10 In paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc ) is vermeld dat het aan de Staatssecretaris van Justitie is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1F Vluchtelingenverdrag valt.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf / de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc.

2.11 Paragraaf C1/5.13.3.3 Vc vermeldt onder het kopje ‘Personal participation’, onder 3. dat sprake is van personal participation, indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1F door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijke effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van de mogelijkheid het misdrijf te voorkomen.

2.12 Eiser heeft in zijn gehoren -samengevat- het volgende aangevoerd.

Eiser is afkomstig uit Kabul. Hij is in 1973 lid geworden van de DVPA. Hij heeft gestudeerd aan de universiteit in Tadjikistan en heeft daar als secretaris van de DVPA gewerkt bij het begeleiden van en toezicht houden op studenten. Bij de DVPA was eiser nadien secretaris van diverse afdelingen. Vanaf 1988 tot 1992 was eiser onderdirecteur van het Bureau Opvang en Vluchtelingen, bij de sociale afdeling. Hij bemiddelde bij de opvang van buitenlandse vluchtelingen. Hij is van 1975 tot 1976 en van 1986 tot 1988 in militaire dienst geweest. Tijdens zijn tweede dienstperiode heeft eiser voor bataljon 1 gewerkt, welk bataljon valt onder de Nationale Garde. Hij bewaakte het gebouw van de Raad van Ministers en had civiele taken. Voorts gaf eiser les aan analfabete militairen. Op 28 april 1992 kwam de Mujahedin aan de macht, waarmee de problemen van eiser zijn begonnen. Eiser vreest voor vervolging door de Mujahedin omdat hij lid is geweest van de DVPA. Op 10 mei 1992 zijn leden van de Mujaheddin bij eiser aan de deur gekomen, zij vroegen naar eiser. Eiser is daarop naar het huis van de zus van zijn echtgenote vertrokken. Ongeveer een half jaar later is eiser naar het huis van de broer van zijn echtgenote gegaan. Op 4 januari 1993 is eiser naar het huis van een ander familielid gegaan. Nadien heeft eiser afwisselend op bovengenoemde adressen verbleven. Op 29 mei 1998 kwam de Taliban langs op het adres waar eiser verbleef. Zij waren op zoek naar eiser en hebben de broer van zijn echtgenote gedood. Eiser heeft van vrienden gehoord dat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd.

2.13 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser geen aanspraak kan maken op de bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag vanwege het bepaalde bij artikel 1F, aanhef en onder a en b, Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft werkzaamheden verricht in de periode van 1984 tot 1992, in welke periode een intern gewapend conflict gaande was tussen de Communistische regering en de Mujahedin in Afghanistan. Eiser heeft meerdere redelijk verantwoorde functies bekleed voor de DVPA en heeft tijdens een aantal werkzaamheden ook te maken gehad met de KhAD/WAD. Het is algemeen bekend dat het voormalige communistische regime in Afghanistan een zeer repressief karakter had. De veiligheidsdiensten hebben zich structureel en op grote schaal schuldig gemaakt aan martelingen en andere grove schendingen van de mensenrechten.

Op grond van informatie uit een individueel ambtsbericht van 14 mei 2001 van de Minister van Buitenlandse Zaken neemt verweerder aan dat eiser heeft samengewerkt met de Khad/Wad en dat hij op de hoogte was van de mensenrechtenschendingen door deze diensten. Derhalve moet eiser medeverantwoordelijk voor de misdrijven worden gehouden en als mededader worden beschouwd. De omstandigheid dat eiser in zijn reacties in bezwaar alsmede ten tijde van de hoorzitting van de ambtelijke commissie zijn verklaringen op diverse punten heeft gewijzigd, kan aan voorstaande conclusie niet afdoen. Bovenstaande misdrijven zijn aan te merken als misdrijven als bedoeld in artikel 1F, onder a en b Vluchtelingenverdrag. Eiser vormt derhalve een gevaar voor de openbare orde en kan geen aanspraak maken op bescherming van het Vluchtelingenverdrag. Daarom komt hij niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Ingevolge artikel 3.107 Vb kan gezien het voorstaande ook geen verblijfsvergunning worden verleend aan eiser op een van de andere gronden van artikel 29 Vw. Op grond van artikel 3.77 Vb wordt de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning eveneens afgewezen.

2.14 In beroep heeft eiser ontkent misdrijven genoemd in leden a en b van artikel 1F Vluchtelingenverdrag persoonlijk te hebben gepleegd en/of daartoe opdracht te hebben gegeven. Hij heeft dergelijke misdrijven evenmin gefaciliteerd. Hij heeft niet een zodanig leidinggevende functie bekleed dat hij uit dien hoofde verantwoordelijk gehouden kan worden voor misdrijven gepleegd door de KhAD. Hij is ook niet op de hoogte van de taken, verantwoordelijkheden en de werkwijze van deze organisatie. In het bestreden besluit is niet specifiek aangegeven voor welke misdrijven eiser verantwoordelijk gehouden kan worden. Verweerder had nader moeten concretiseren welke controlerende invloed eiser had en in hoeverre deze controlerende invloed in verband kan worden gebracht met activiteiten van de KhAD. Onvoldoende geconcretiseerd is ook hoe eiser heeft samengewerkt met de KhAD bij zijn functie bij de opvang van vluchtelingen. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag moet ingevolge vaste jurisprudentie restrictief worden uitgelegd. Aangegeven moet worden om welke daden het gaat en wanneer deze hebben plaatsgevonden, waarbij de bewijslast en motiveringsplicht voor verweerder zwaar wegen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dient een ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voorzover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Dat dit eveneens geldt voor individuele ambtsberichten, blijkt onder meer uit de Afdelingsuitspraak van 23 december 2003 (kenmerk 200305568/1). De rechtbank is in casu van oordeel dat de grieven van eiser dan wel de vele stukken die eiser in bezwaar en beroep heeft geproduceerd noch de ter zitting afgelegde getuigenverklaring, voldoende concrete aanknopingspunten bieden om aan de juistheid van het individuele ambtsbericht te twijfelen. Verweerder heeft derhalve van de juistheid van de gegevens in het ambtsbericht van 14 mei 2001 mogen uitgaan.

2.16 Ter toetsing ligt voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit d.d. 26 juli 2002, waarin is verwezen naar het individuele ambtsbericht en waarin de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is gehandhaafd. In dit besluit is onder meer het volgende overwogen:

“Betrokkene heeft meerdere redelijk verantwoordelijke functies bekleed voor de DVPA en heeft tijdens een aantal werkzaamheden ook te maken gehad met de KhaD/WAD.

Zo heeft betrokkene van 1986 tot 1988 als vrijwilliger gewerkt voor een speciaal bataljon dat als taak had de beveiliging van het gebouw van de Raad van ministers. Dit bataljon viel, naar betrokkenes zeggen, onder directie 10 van de KhaD dat onder leiding stond van Ahmadzai, de broer van Najibullah. Echter volgens het in dit dossier uitgebrachte individuele ambtsbericht (…) was bedoeld bataljon 1 onderdeel van het Garnizoen van Kabul, dat viel onder het ministerie van Defensie. Het Garnizoen had tot taak om de orde en veiligheid in Kabul te bewaken. Bataljon 1 werd ingezet bij de bewaking van strategische gebouwen, waaronder het gebouw van de Raad van Ministers. Hierbij werd nauw samengewerkt met de KhaD/WAD, met name directoraat 10.

Daarnaast heeft betrokkene zich beziggehouden met de opvang van vluchtelingen in Afghanistan. Dit kantoor stond onder leiding van N. Kawiany. Vreemdelingen die niet betrouwbaar bleken te zijn werden overgedragen aan een afdeling die aan directoraat 1 van de KhaD/WAD gelieerd was.”

2.17 Verweerder heeft de tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag met name gebaseerd op bovengenoemde werkzaamheden. In het hiernavolgende zal de rechtbank naar deze functies verwijzen met de termen “werkzaamheden voor bataljon 1” en “werkzaamheden bij het vluchtelingenkantoor”.

2.18 Verweerder meent dat er sprake is van ‘knowing en personal participation’ van eiser aan de door de KhaD/WAD gepleegde misdrijven in de zin van paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vc. In het bestreden besluit is onder meer het volgende overwogen met betrekking tot de ‘knowing participation’ van eiser inzake de werkzaamheden voor bataljon 1:

“Gelet op de aard van betrokkenes werkzaamheden wordt aannemelijk geacht dat hij weet heeft gehad van de werkwijze van de KhaD en de mensenrechtenschendingen die door dit onderdeel van het staatsapparaat zijn gepleegd. Betrokkene heeft bovendien over zijn werkzaamheden bij het bataljon 1 verklaard dat hij soldaat was met een politieke functie.”

En inzake beide functies:

“…Hij wordt zeker geacht gelet op het niveau waarop hij diverse functies heeft bekleed, op de hoogte te zijn geweest van de door de KhaD gepleegde mensenrechtenschendingen,…”

2.19 Op pagina 6 en 7 van het bestreden besluit heeft verweerder inzake de ‘personal participation’ van eiser het volgende overwogen over de werkzaamheden bij bataljon 1:

“Afgezien van de vraag of betrokkene deze werkzaamheden in de rang van soldaat heeft verricht, is in ieder geval aannemelijk dat hij in die functie een bepaalde controlerende invloed heeft gehad.”

En over de werkzaamheden bij het vluchtelingenkantoor:

“Wat ook zij van de verklaringen van betrokkene over dit kantoor, vaststaat wel dat betrokkene uit hoofde van deze functie met de KhaD heeft samengewerkt.”

Alsmede over beide functies:

“Uit de verklaringen van betrokkene en eerdergenoemde informatie die over betrokkene is verkregen komt naar voren dat het handelen van betrokkene in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat de KhaD/WAD eerder genoemde misdrijven heeft gepleegd.

Gelet op het feit dat betrokkene werkzaam is geweest voor het Garnizoen van Kabul en zijn bataljon nauw samenwerkte met directoraat 10 van de KhaD, blijkens het hierboven genoemde individuele ambtsbericht, als ook op het feit dat hij werkzaam is geweest voor het kantoor van de Vluchtelingen, dat onderdeel was van het ministerie voor “Tribes and Nationalities”, dat weer nauw met de KhaD samenwerkte, wordt aannemelijk geacht dat hij medeverantwoordelijk is voor de door de KhaD verrichtte mensenrechtenschendingen. Hij wordt zeker geacht gelet op het niveau waarop hij diverse functies heeft bekleed, op de hoogte te zijn geweest van de door de KhaD gepleegde mensenrechtenschendingen, als hij er al gedurende zijn vrijwillige dienstname al niet rechtstreeks bij betrokken is geweest. Zijn verklaring dat hij niet op de hoogte is van de taken en werkwijzen van de KhaD wordt gelet op het vorenstaande niet geloofwaardig geacht.

Overwogen wordt dat betrokkene door zijn werkzaamheden in samenwerking met de KhaD/WAD bij het bataljon 1 en bij het kantoor voor Vluchtelingen, de omstandigheden heeft geschapen waaronder de KhaD/WAD de genoemde misdrijven heeft kunnen plegen.”

2.20 Op pagina 9 en 10 van het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van eisers grieven, vervolgens een nadere invulling gegeven van de ‘personal en knowing participation test’, door deze test op eiser te betrekken. Ten eerste is de functie van eiser op het vluchtelingenbureau besproken. Verweerder heeft hierover het volgende gesteld:

“De taak van het kantoor voor de vluchtelingen bestond uit het screenen van vluchtelingen uit de omringende landen. Naast registratie van deze vluchtelingen werd assistentie verleend bij vervoer, huisvesting en werk. Vluchtelingen waarover twijfels bestonden, werden overgedragen aan de KhaD/WAD. Betrokkene heeft verklaard dat het kantoor voor vluchtelingen bemiddelde bij opvang van vluchtelingen uit de buurlanden en assistentie verleende voor vertrek van deze vluchtelingen naar hoofdzakelijk West-Europese landen. Het is niet aannemelijk dat het kantoor paspoorten verstrekte aan vluchtelingen die niet in Afghanistan wilden blijven. Tijdens het communistische bewind in Afghanistan was het voor personen die om politieke redenen het land wensten te verlaten, uiterst moeilijk een paspoort te verkrijgen. Indien het verstrekken van paspoorten toch tot het takenpakket van het kantoor voor vluchtelingen heeft behoord, wordt het dezerzijds aannemelijk geacht dat de KhaD/WAD hierbij betrokken is geweest. Tijdens het communistisch bewind was het gevaar voor infiltratie (ook vanuit de buurlanden) door de Mujahedin zeer groot. Als gevolg daarvan zal de KhaD/WAD nauw betrokken zijn geweest bij de screening van deze vluchtelingen. Het kantoor voor vluchtelingen was onderdeel van het ministerie voor Tribes and Nationalities. De KhaD/WAD was nauw betrokken bij dit ministerie. De aard van de taken van het kantoor voor vluchtelingen maakte het noodzakelijk dat betrokkene uit hoofde van zijn functie nauwe contacten moet hebben onderhouden met de KhaD/WAD”

2.21 Vervolgens zijn de werkzaamheden van eiser voor bataljon 1 weergegeven:

“Daarnaast komen in het eerdergenoemd individueel ambtsbericht de werkzaamheden die betrokkene verrichtte voor de afdeling politieke zaken van bataljon 1, aan de orde. Dit bataljon werd ingezet bij de bewaking van strategische gebouwen, waaronder het gebouw van de Raad van Ministers. Hierbij werd nauw samengewerkt met de KhaD/WAD, met name directoraat 10. Over de politieke werkzaamheden van betrokkene voor bataljon 1 wordt het volgende vastgesteld.

Medewerkers van politieke afdelingen binnen de diverse overheidsgeledingen hadden tot algemene taak de loyaliteit aan het Afghaanse communistische bewind te waarborgen. Betrokkene was verantwoordelijk voor het bestendigen van de loyaliteit aan de beginselen van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA). Van alle functionarissen werd onverbiddelijke loyaliteit en gehoorzaamheid aan het gezag verwacht. Betrokkene moest dienaangaande de verwerving van inlichtingen over de leden van bataljon 1 coördineren en de rapportages evalueren; bij de geringste twijfel over de loyaliteit van deze medewerkers diende betrokkene dit te melden aan de civiele dan wel de militaire tak van de staatsveiligheidsdienst (WAD). Het is aannemelijk dat betrokkene ook uit hoofde van deze functie een werkrelatie onderhield met de staatsveiligheidsdienst. Betrokkene heeft gestudeerd in Tadjikistan waar hij eveneens een politieke functie bekleedde. De functie bij Bataljon 1 verkreeg hij op basis van zijn ervaring na bewijs van betrouwbaarheid en loyaliteit aan het communistische bewind. Overigens bevreemdt het dat betrokkene gezien zijn leeftijd en opleiding de rang van soldaat niet is ontstegen. Het is niet onaannemelijk dat betrokkene uit hoofde van zijn (politieke) functie (mede-)verantwoordelijk is geweest voor het schenden van mensenrechten”

2.22 Het geschil spitst zich toe op de vraag of met toepassing van de ‘personal participation test’ ten aanzien van eiser in zijn functies als soldaat in bataljon 1 en als onderdirecteur van het vluchtelingenbureau kan worden aangenomen dat eiser (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor door de KhaD/WAD gepleegde oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er voor het standpunt van verweerder dat door het handelen of nalaten van eiser misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag direct zijn gefaciliteerd onvoldoende feitelijke grondslag. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

2.23 Verweerder baseert zijn standpunt op de verklaringen van eiser en op het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken. De verklaringen die eiser heeft afgelegd bevatten geen aanwijzingen dat hij zelf misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, daarbij betrokken is geweest of dat eiser zelf heeft samengewerkt met de Khad/Wad. Dat betekent dat de feitelijke grondslag voor het standpunt van verweerder uitsluitend in het individuele ambtsbericht kan worden gevonden.

2.24 Het individuele ambtsbericht bevat geen informatie dat eiser zelf misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, noch dat hij bij het plegen van dergelijke misdrijven betrokken is geweest. Voorts blijkt uit het ambtsbericht niet dat eiser in dienst was van de Khad/Wad of dat hij werkzaam is geweest voor een andere organisatie of voor een onderdeel daarvan, waarvan medewerkers zich schuldig maakten aan het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Daarnaast bevat het individuele ambtsbericht geen enkele informatie over het doen en laten van eiser zelf. Ook blijkt uit het individuele ambtsbericht niet dat er daadwerkelijk concrete misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag hebben plaatsgevonden die in verband kunnen worden gebracht met de werkzaamheden die eiser heeft verricht voor bataljon 1 en voor het vluchtelingenkantoor.

2.25 De informatie in het individueel ambtsbericht dat de aard van de taken van het kantoor voor vluchtelingen het noodzakelijk maakte dat eiser uit hoofde van zijn functie nauwe contacten moet hebben onderhouden met de KhaD/WAD, levert onvoldoende grondslag voor de conclusie dat er in verband met dit contact misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn gepleegd en dat het handelen of nalaten van eiser zelf daartoe in wezenlijke mate heeft bijgedragen.

Voorts wordt in het individuele ambtsbericht aangegeven dat eiser als soldaat verantwoordelijk was voor het bestendigen van de loyaliteit aan de beginselen van de DVPA. Hij moest dienaangaande de verwerving van inlichtingen over de leden van Bataljon 1 coördineren en de rapportages evalueren; bij de geringste twijfel over de loyaliteit van deze medewerkers diende hij dit te melden aan de civiele dan wel militaire tak van de staatsveiligheidsdienst (WAD), aldus het individuele ambtsbericht. In het ambtsbericht wordt uit een en ander geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiser uit hoofde van deze functie een werkrelatie onderhield met de staatsveiligheidsdienst. Daarom is niet onaannemelijk dat eiser uit hoofde van zijn (politieke) functies (mede-) verantwoordelijk is geweest voor het schenden van mensenrechten, zo wordt geconcludeerd. Ook deze informatie levert onvoldoende grondslag voor de conclusie dat er in verband met het optreden van eiser misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn gepleegd en dat het handelen of nalaten van eiser zelf daartoe in wezenlijke mate heeft bijgedragen.

2.26 Het individuele ambtsbericht omtrent eiser bevat dus onvoldoende concrete informatie over het gedrag van eiser zelf en de misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag die in zijn omgeving zouden hebben plaatsgevonden. Hoogstens kan uit het individueel ambtsbericht worden afgeleid dat er contacten waren tussen de Khad/Wad enerzijds en anderzijds het bataljon 1 en het vluchtelingenbureau waarvoor eiser werkzaam is geweest. Dat is echter onvoldoende voor het trekken van de zwaarwegende conclusie dat het handelen van eiser er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat er misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn gepleegd.

2.27 Verweerder heeft zich dan ook zonder voldoende feitelijke grondslag op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de personal participation test en met name wat daarover is opgenomen in paragraaf C1/5.13.3.3 Vc onder het kopje ‘Personal participation’, onder 3. Volgens deze paragraaf is van het faciliteren van een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag sprake indien het handelen en/of nalaten van de betrokkene in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. De verklaringen van eiser en het individuele ambtsbericht bevatten geen informatie over gedrag van eiser dat een feitelijke effect heeft gehad op het begaan van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag en zelfs niet dat dergelijke misdrijven hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat sprake is van ‘personal participation’ van eiser aan het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

2.28 Er is derhalve onvoldoende grond voor de conclusie dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, zodat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser. Hieruit volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, sub k, Vw en het bepaalde in artikel 3.107 Vb in de weg staan aan inwilliging van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Evenmin is deugdelijk gemotiveerd dat op grond van artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw in combinatie met artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder a, Vb de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier dient te worden afgewezen. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb.

2.29 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De overige grieven van eiser kunnen gezien het vorenstaande onbesproken blijven.

2.30 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

1.31 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit voor het beroep vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting, wegingsfactor 1). Voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening zijn de kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1, er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van deze bedragen te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 26 juli 2002;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 805,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter tevens voorzieningenrechter, en mrs. J.M. Janse van Mantgem en A.J. Medze, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. H.A. de Graaf als griffier.

afschrift verzonden op: 2 april 2004

Coll:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.