Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9613

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
AWB 04/14725 e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC -procedure / 48-uurstermijn / Somalië.

Het standpunt van verweerder dat de UNHCR 'position paper' inzake Somalië van januari 2004 niet wezenlijk afwijkt van eerder door deze organisatie uitgebrachte rapportages, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd. Immers, op voorhand valt niet uit te sluiten dat de situatie in Somalië sinds het ambtsbericht van september 2003 zodanig is verslechterd, dat dit aanleiding zou kunnen zijn voor het voeren van beleid van categoriale bescherming voor Somaliërs. De herhaalde asielaanvragen zijn ten onrechte binnen 48 procesuren afgewezen. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Regnr.: 04/14725 en 04/14733 (voorlopige voorzieningen)

04/14723 en 04/14728 (beroepen)

uitspraak: 16 april 2004

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1957,

van Somalische nationaliteit,

verblijvende te B,

en

C,

geboren op [...] 1964,

beiden van Somalische nationaliteit,

verblijvende te B,

alsmede hun minderjarige kind,

IND dossiernummer 0006.03.2011,

verzoekers,

gemachtigde: mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Hofstee, ambtenaar bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 28 maart 2004 hebben verzoekers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikkingen van 29 maart 2004, uitgereikt op 30 maart 2004, afwijzend op deze aanvragen beslist.

1.2 Bij beroepschriften van 30 maart 2004 hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikkingen van verweerder van 29 maart 2004. Verzoekers is medegedeeld dat zij de behandeling van de beroepen niet in Nederland mogen afwachten.

1.3 Bij verzoekschriften van 30 maart 2004 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op de beroepen is beslist.

1.4 Het verzoeken zijn gevoegd behandeld ter openbare zitting van 9 april 2004. Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F. van Dijk, advocaat en kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Verzoekers hebben eerder, te weten op 4 juni 2000, aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikkingen van 20 september 2000 zijn deze aanvragen niet ingewilligd. Bij brieven van 24 oktober 2000 hebben zij tegen deze beschikkingen bezwaarschriften ingediend. Bij uitspraak van 20 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, met kenmerk Awb 01/18226 en 01/18228, hun bezwaren van 24 oktober 2000 ongegrond verklaard. Daarmee zijn de beslissingen op de aanvragen van verzoekers onherroepelijk geworden.

2.2 Verzoekers zijn op 12 maart 2004 in het kader van een zogenoemde Dublinclaim door Zweden naar Nederland uitgezet. Vervolgens hebben zij op 28 maart 2004 wederom aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke aanvragen bij beschikkingen van 29 maart 2004 zijn afgewezen. Deze beschikkingen liggen thans ter beoordeling voor.

2.3 Verzoekers hebben op 28 maart 2004 tijdens de zogenoemde 'gehoren inzake nieuwe feiten en omstandigheden' aangegeven dat de situatie in Somalië nog altijd niet veilig is. Hun gemachtigde heeft in de zienswijze van 29 maart 2004 betoogd dat de toestand in Somalië, ten opzichte van die ten tijde van voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2002, is verslechterd. Dit blijkt uit de bij de zienswijze overgelegde stukken van ondermeer IRINNEWS.ORG, een bericht van het BBC News en een UNHCR position-paper inzake de situatie in Somalië van januari 2004. Uit deze stukken komt naar voren dat Somaliland en Puntland, gebieden die thans gelden als verblijfsalternatief voor Somaliërs die niet naar het zuiden van Somalië kunnen terugkeren, niet langer als zodanig kunnen worden bestempeld.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat hun asielaanvragen nader onderzoek vergen naar de toestand in Somalië en zich niet lenen voor afdoening in de AC-procedure.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, afgewezen. Daarbij is - ondermeer en samengevat - overwogen dat de aan de aanvragen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als nieuw in de zin van artikel 4:6, Awb. De inhoud van de stukken die verzoekers hebben ingebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

De stukken van IRINNEWS.ORG zien namelijk op de algemene situatie in Somalië en niet op die van verzoekers persoonlijk. Dit geldt ook voor de documentatie die afkomstig is van BBC News. Deze algemene informatie bevat dus geen nova in de zin van artikel 4:6 Awb. Het 'position-paper' van de UNHCR van januari 2004 bevat voorts geen significante verschillen met rapporten die deze organisatie eerder heeft uitgebracht.

Uitgangspunt blijft dat voor alle vluchtelingen uit relatief onveilige gebieden in Somalië een verblijfsalternatief bestaat in relatief veilige gebieden als Puntland en Somaliland. Daarbij baseert verweerder zich op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van september 2003. Verweerder heeft het, weloverwogen, niet nodig geacht om zijn beleid in deze daarna te wijzigen.

2.5 Verzoekers stellen zich in de gronden van de verzoeken op het standpunt dat uit voornoemd rapport van de UNHCR blijkt dat het steeds gevaarlijker wordt in de gebieden die tot voor kort veilig werden geacht. De UNHCR is van oordeel dat Somaliërs niet tegen hun wil moeten worden teruggestuurd naar een deel van het land waar zij niet vandaan komen. Aangezien het een nieuw rapport is, kon deze informatie in de eerste procedure van verzoekers niet worden meegenomen. Evenmin heeft de AbRS zich tot op heden uitgelaten over deze rapportage van de UNHCR. Verweerder dient, gelet op de alarmerende rapportages en artikelen die verzoekers hebben overgelegd, ten aanzien van Somalië een categoriaal beschermingsbeleid te voeren, als bedoeld in artikel 29, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000.

Beoordeling van de verzoeken

2.6 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, gewezen op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaken, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in de onderhavige zaken het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaken.

2.7 Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 20 juni 2002 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, in rechte is komen vast te staan dat verzoekers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling, dat zij bij uitzetting naar Somalië geen reëel risico lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. De aanvragen van 28 maart 2004, welke thans ter beoordeling voorliggen, worden aangemerkt als herhaalde aanvragen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000. Ingevolge deze bepaling wordt onder ‘herhaalde aanvraag’ verstaan: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb kan worden afgewezen.

2.8 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.9 Het toetsingskader in deze wordt bepaald door voornoemd artikel 4:6 Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in artikel 31, eerste lid, Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Beoordeeld dient te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich na de eerdere in rechte onaantastbare besluiten, waarbij verzoekers toelating is geweigerd, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging nopen.

2.10 De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers tijdens de 'gehoren inzake nieuwe feiten en omstandigheden' hebben aangegeven dat zij niet kunnen terugkeren naar Somalië, aangezien het daar niet veilig is. Hun gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd uiteengezet dat de woorden van verzoekers moeten worden uitgelegd als het aanvoeren van nova. Zij hebben bedoeld te zeggen dat de situatie in Somalië is verslechterd ten opzichte van die ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2002. Uit de strekking van het relaas dat verzoekers tijdens voornoemde gehoren naar voren hebben gebracht, leidt de voorzieningenrechter af dat zij de huidige - in hun ogen verslechterde - toestand in hun land aan hun herhaalde aanvragen ten grondslag leggen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers nieuwe feiten en omstandigheden beoogd hebben in te brengen als bedoeld in artikel 4:6 Awb.

2.11 Verzoekers hebben hun stellingen met een aantal documenten onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken die afkomstig zijn van IRINNEWS.ORG en BBC News, niet de conclusie kan worden getrokken dat Somaliland en Puntland niet langer als relatief veilige gebieden kunnen worden beschouwd. Op basis van deze stukken kan niet worden geconcludeerd dat verweerder voor Somaliërs een beleid van categoriale bescherming zou moeten voeren. De voorzieningenrechter verwijst voor een vergelijkbaar standpunt naar de uitspraak van de AbRS van 17 februari 2004 (nr. 200308403/1), waarin deze een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 december 2003 onderschrijft.

Voorts hebben verzoekers aan hun herhaalde aanvragen het UNHCR rapport inzake Somalië van januari 2004 ten grondslag gelegd. De UNHCR stelt zich daarin op het standpunt dat thans niet kan worden gesproken van een binnenlands verblijfsalternatief in Somalië. Uit het rapport blijkt dat (pagina 9):

"Consequently, UNHCR considers that persons originating from southern Somalia are in need of international protection and objects to any involuntary return of rejected asylum-seekers to the area south of the town of Galkayo".

Op pagina 11 van het rapport stelt de UNHCR voorts:

"(…) it is UNHCR's position that no Somali should be returned against his/her will to aan area of the country, from where he/she does not originate."

Aangezien verzoekers afkomstig zijn uit de hoofdstad Mogadishu en kennelijk ook naar verweerders mening niet naar die plaats kunnen terugkeren, leidt de voorzieningenrechter uit het voornoemde rapport af dat de UNHCR zich op het standpunt stelt dat zij evenmin naar andere gebieden in Somalië kunnen gaan.

Verweerders standpunt, dat het rapport van de UNHCR van januari 2004 niet wezenlijk afwijkt van eerder door deze organisatie uitgebrachte stukken, volgt de voorzieningenrechter niet. Het 'position paper' van november 2000 is het voorlaatste rapport dat de UNHCR heeft uitgebracht. De voorzieningenrechter overweegt dat die rapportage een andere sfeer ademt en een minder pessimistisch beeld van het land schetst dan het rapport van januari 2004. In het oudere stuk beschrijft de UNHCR de wederopbouw van het land, waarbij is aangegeven dat de veiligheidssituatie per regio verschilt. Zo valt op pagina 19 te lezen dat:

"No areas of Somalia appear to be facing imminent threats of armed conflict or human flight, though some regions - the Kismayo area, parts of Middle Shabelle, and Merka - will remain tense and prone to sporadic instability."

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in de rapportage van de UNHCR van november 2000 wordt gesproken van veilige gebieden, terwijl daar in het rapport van januari 2004 geen sprake meer van is. Het komt de voorzieningenrechter dan ook voor dat beide rapporten op dit onderdeel wezenlijk van elkaar verschillen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de stelling dat voornoemde UNHCR rapportages niet wezenlijk van elkaar afwijken dan ook onvoldoende gemotiveerd. Immers, op voorhand valt niet uit te sluiten dat de situatie in Somalië sinds het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2003 inzake Somalië zodanig is verslechterd dat dit aanleiding zou kunnen zijn voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor Somaliërs. De voorzieningenrechter wijst er wél op dat de beslissing tot het voeren van een dergelijk beleid tot de bevoegdheid van verweerder behoort en dat hem daarbij een ruime beleidsvrijheid toekomt.

2.14 Het vorenstaande voert tot de slotsom dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de eerste besluiten en ten onrechte de aanvragen van verzoekers binnen 48 proces-uren heeft afgewezen. De bestreden beschikkingen zijn in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb tot stand gekomen. De beroepen zullen gegrond worden verklaard en de bestreden beschikkingen zullen wegens strijd met genoemde Awb-artikelen worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvragen van verzoekers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.15 Gelet op het vorenstaande zullen de verzoeken om een voorlopige voorziening worden toegewezen, inhoudende dat uitzetting van verzoekers achterwege dient te blijven totdat opnieuw op de herhaalde aanvragen is beslist.

2.16 Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoekers € 966,= (samenhangende beroepschriften 1 punt, samenhangende verzoekschriften 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen, geregistreerd onder de nummers AWB 04/14723 en 04/14728, gegrond en vernietigt de bestreden beschikkingen;

- wijst het verzoeken om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder de nummers AWB 04/14725 en 04/14733, toe;

- gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekers en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat opnieuw op de herhaalde aanvragen is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, te begroten op €966,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 16 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot, als griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 16 april 2004