Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9401

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
AWB 04/11338
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / ophouding.

De vreemdeling is tijdens de periode van ophouding wegens betaling van een openstaande boete in de ophoudkamer geplaatst. De rechtbank acht de maatregel van bewaring onrechtmatig nu verweerder daarmee gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 op een wijze die zich niet verdraagt met dit artikel. Het met de inbewaringstelling van de vreemdeling gemoeide belang weegt in dit geval minder zwaar dan het belang van naleving van de geschonden norm, namelijk dat verweerder de bevoegdheid op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 dient toe te passen voor het doel waarvoor deze is verleend. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat zij moet kunnen vertrouwen op de inhoud van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Voorts betrekt de rechtbank bij de belangenafweging de houdbaarheid van twee van de drie gronden voor inbewaringstelling en de omstandigheid dat de vreemdeling geen criminele antecedenten heeft. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 04/11338-VRONTN

Inzake : A, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M. Visser, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling is geboren op [...] 1969 en bezit de Libische nationaliteit.

2. Op 10 maart 2004 is de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontneming van de vreemdeling, door middel van een kennisgeving van verweerder ex artikel 94, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

3. De openbare behandeling van het beroep is aangevangen op 17 maart 2004. De vreemdeling is verschenen ter zitting, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde I. Veltman, ambtenaar ten departemente. De behandeling ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om uiterlijk op 18 maart 2004 vóór 17:00 uur een proces-verbaal over te leggen waaruit de gang van zaken rond de staandehouding blijkt.

4. De rechtbank heeft aanleiding gezien verweerder nadere vragen voor te leggen. Bij faxbericht van 17 maart 2004 heeft de rechtbank de vragen aan verweerder voorgelegd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 18 maart 2004 vóór 17:00 uur de vragen, te beantwoorden.

5. Verweerder heeft bij faxbericht van 18 maart 2004, ingekomen bij de rechtbank om 15:24 uur, een aanvullend proces-verbaal overgelegd en gereageerd op de door de rechtbank gestelde vragen. Verweerder heeft toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

6. De rechtbank heeft gemachtigde van de vreemdeling in de gelegenheid gesteld te reageren op verweerders schrijven van 18 maart 2004. Op 18 maart 2004 heeft de gemachtigde haar reactie aan de rechtbank doen toekomen.

7. De griffier heeft op 19 maart 2004 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van de vreemdeling en haar de vraag voorgelegd of zij evenals verweerder toestemt met het achterwege laten van een nadere zitting. De gemachtigde van de vreemdeling heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

8. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling op 8 maart 2004 om 16:45 uur in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. Bij de voorbereiding van de zitting is het de rechtbank opgevallen dat het dossier uiterst summiere informatie bevat aangaande de toepassing van de bevoegdheden ex artikel 50 Vw 2000. Weliswaar bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van staandehouding en overbrenging, opgemaakt op 8 maart 2004, daaruit kan echter niet worden afgeleid op welke wijze het redelijk vermoeden van illegaal is ontstaan. Op 18 maart 2004 heeft verweerder de rechtbank een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt diezelfde dag, doen toekomen. De processen-verbaal zijn niet eenduidig over het tijdstip en de plaats van staandehouding ex artikel 50, eerste lid, Vw 2000. De rechtbank hanteert het proces-verbaal van 8 maart 2004 als uitgangspunt en beschouwt het proces-verbaal van 18 maart 2004, voorzover niet afwijkend van de inhoud van eerstgenoemd proces-verbaal, als een nadere uiteenzetting omtrent de toepassing van voormelde bevoegdheden.

4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van staandehouding aanvankelijk op rechtmatige wijze is toegepast. Uit het proces-verbaal van staandehouding en overbrenging, opgemaakt op 8 maart 2004, blijkt dat de vreemdeling diezelfde dag om 9:00 uur is staande gehouden. Gezien de inhoud van voormeld proces-verbaal in samenhang gelezen met het aanvullend proces-verbaal, opgemaakt op 18 maart 2004, en het verhandelde ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat er ten tijde van de staandehouding in het kader van de Vw 2000 sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

5. De rechtbank maakt uit het aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2004 op dat de vreemdeling na zijn staandehouding, op 8 maart 2004 door politieagenten van het regiokorps Zuid Holland Zuid, is overgebracht naar politiebureau Oud-Beijerland. Daar is de vreemdeling om 12:00 opgehaald door de dienst vervoer om te worden overgebracht naar het politiebureau te Dordrecht, zijnde een plaats bestemd voor verhoor ex artikel 50, derde lid, Vw 2000, waar de vreemdeling om 13:00 uur is aangekomen.

6. De rechtbank is van oordeel dat de tijd verstreken tussen het moment van staandehouding en het tijdstip waarop de vreemdeling werd opgehaald om te worden vervoerd naar het politiebureau te Dordrecht, het betreft een tijdsduur van drie uur, onnodig lang is geweest. Reden voor dit tijdsverloop is geweest, zo blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2004, dat een openstaande boete door de vreemdeling nog moest worden voldaan en dat de vreemdeling in afwachting daarvan in een ophoudkamer is geplaatst. Naar het de rechtbank voorkomt, is zodoende de bevoegdheid ingevolge artikel 50, eerste lid, Vw 2000, aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze blijkens de bewoordingen van deze bepaling bestemd is. Zodoende is de maatregel van staandehouding naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de wet toegepast

7. De rechtbank acht de maatregel van bewaring onrechtmatig nu verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 op een wijze die zich niet verdraagt met het bepaalde in dit artikel. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij het met de inbewaringstelling van de vreemdeling gemoeide belang, in dit geval minder zwaar vindt wegen dan het belang van naleving van de geschonden norm, namelijk dat verweerder de bevoegdheid op grond van het bepaalde in artikel 50, eerste lid, Vw 2000 dient toe te passen voor het doel waarvoor deze is verleend. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat zij moet kunnen vertrouwen op de inhoud van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De omstandigheid dat, zoals hierboven onder 3 vermeld, de twee processen-verbaal niet eenduidig zijn over het tijdstip en plaats van de vreemdelingrechtelijke staandehouding, kan verweerder worden aangerekend. In het kader van de belangenafweging merkt de rechtbank voorts op dat in de maatregel uitsluitend als gronden van bewaring worden vermeld dat de vreemdeling niet beschikte over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich niet heeft aangemeld bij de korpschef. Uit het proces-verbaal van 18 maart 2004 blijkt echter dat de vreemdeling op 8 maart 2004 een woonadres heeft opgegeven. Bij het gehoor ex artikel 59 Vw 2000 juncto artikel 5.2 Vb 2000 dat eveneens op 8 maart 2004 heeft plaatsgevonden, heeft de vreemdeling aangegeven dat hij in het bezit is van een Libisch paspoort en dat hij met een vriend heeft gebeld om het paspoort te bezorgen bij politiebureau Zuidplein te Rotterdam. Gelet op het voorgaande alsmede in aanmerking genomen dat ten aanzien van de vreemdeling niet is gebleken van (aanmerkelijke) criminele antecedenten dient een belangenafweging onder de gegeven omstandigheden in het voordeel van de vreemdeling uit te vallen.

8. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling van aanvang af onrechtmatig is.

9. Namens de vreemdeling is verzocht om schadevergoeding. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder jegens de vreemdeling schadeplichtig is voor de dagen die betrokkene sedert 8 maart 2004 in vreemdelingrechtelijke bewaring heeft doorgebracht. De rechtbank kent de vreemdeling een schadevergoeding toe ten bedrage van € 820,-- ( 2 x € 95,-- = € 190,-- voor verblijf in een politiecel tot 11 maart 2004 en 9 x € 70,-- = € 630,-- voor het verblijf in het huis van bewaring van 11 maart 2004 tot en met 19 maart 2004).

10. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. verklaart de maatregel van bewaring van de vreemdeling met ingang van 8 maart 2004 onrechtmatig;

3. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met onmiddellijke ingang;

4. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 820,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. S. Stenfert Kroese en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004, in tegenwoordigheid van R.A.M. van der Heijde.

De griffier,

De rechter,

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84, aanhef en onder d, Vw 2000 geen hoger beroep open.

afschrift verzonden op: 22 maart 2004