Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO9189

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
09/004028-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT7837
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte is samen met anderen gedurende een periode van bijna drie jaren betrokken geweest bij de exploitatie van vier grootschalige, professioneel opgezette, hennepkwekerijen. Binnen de organisatie die zich hiermee bezig hield, had verdachte een belangrijke rol en fungeerde hij als schakel tussen de leiding van de organisatie en degenen die in de kwekerijen werkten.

Voorts heeft hij in totaal ruim 600000 XTC-pillen verkocht, afgeleverd en vervoerd. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/004028-03 (dagvaarding I); 09/754084-02 (gev.ttz) (dagvaarding II)

rolnummers 0001;0006

's-Gravenhage, 7 mei 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Haaglanden, PCS De Kantelberg, Unit 4 te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21, 22 en 23 april 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Westendorp, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Knobbout heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastgelegde en het bij dagvaarding II onder eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en een geldboete van € 50.000,=, subsidiair 180 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1 zal worden onttrokken aan het verkeer, dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2 tot en met 6 en 13 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden, en dat de voorwerpen genummerd 7 tot en met 11 zullen worden teruggegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft medegedeeld dat hij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van het bij dagvaarding I telastgelegde en na wijziging van het bij dagvaarding II telastgelegde - ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding I en van dagvaarding II, gemerkt A, van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1 en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A2.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de rechtmatigheid van het bewijs

De raadsman heeft namens verdachte het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft de verdediging het volgende aangevoerd.

In de visie van de raadsman heeft het Openbaar Ministerie zich onbehoorlijk gedragen jegens verdachte door strafbare feiten via hem op te sporen. De raadsman voert aan dat de politie verzuimd heeft verdachte aan te houden terwijl zij wist waar hij verbleef en dat hij gesignaleerd stond. Daarna heeft de politie het zgn. Seven-onderzoek aan verdachte gewijd waarover in de stukken van het Wissel-onderzoek niets kan worden teruggevonden. De verdediging is van mening dat hierdoor de rechtmatigheid van alles wat in het kader van het Seven-onderzoek tegen verdachte heeft plaatsgevonden niet kan worden getoetst.

Voorts voert de raadsman nog een andere reden aan waarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie zou door zijn handelswijze jegens verdachte diens veiligheid in gevaar hebben gebracht. De raadsman doelt daarbij op de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van gesprekken tussen verdachte en de officier van justitie waarbij de mogelijkheid van een deal tussen verdachte en het Openbaar Ministerie werd onderzocht. De deal heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden maar de gesprekken tussen verdachte en de officier van justitie zijn wel in de openbaarheid gekomen. In de visie van de verdediging had de officier van justitie het verslag van deze bespreking niet aan de dossiers van de medeverdachten mogen toevoegen.

In het verlengde hiervan heeft de raadsman subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem telastgelegde feiten nu het wettig bewijs ontbreekt. De raadsman doelt hierbij op de telefoongesprekken die afkomstig zijn uit het Seven onderzoek en die door het Openbaar Ministerie worden gebruikt voor het bewijs van de aan verdachte telastgelegde feiten. Nu, volgens de verdediging, de rechtbank niet in staat is te oordelen over de rechtmatigheid van dit onderzoek dienen de resultaten ervan buiten beschouwing te blijven.

De rechtbank verwerpt allereerst het niet-ontvankelijkheids verweer op beide onderdelen en overweegt daartoe het volgende.

Het enkele feit dat iemand gesignaleerd staat en vervolgens opduikt in een lopend onderzoek maakt niet dat eventuele door zo iemand blijkens dit onderzoek gepleegde strafbare feiten aan politie of justitie moeten worden toegerekend in de zin dat betrokkene niet meer vervolgbaar zou zijn. Dit is niet anders indien tijdens dit onderzoek op enig moment duidelijk wordt waar betrokkene zich ophoudt. Dit gegeven kan derhalve ook in de onderhavige zaak niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Ook het feit dat de politie in de litigieuze periode op enig moment telefonische contacten heeft onderhouden met verdachte nadat verdachte zich eigener beweging telefonisch bij de politie had gemeld met de mededeling dat hem een aanzienlijke hoeveelheid semtex was aangeboden, maakt niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gesteld noch gebleken is dat verdacht door handelen van politie en/of justitie is gebracht tot strafbare feiten, zodat het verweer in al haar onderdelen moet worden verworpen, waarbij voorts moet worden vastgesteld dat verdachte juist vanwege zijn signalering gebruik maakte van valse identiteitspapieren en er zelf dus het nodig aan heeft gedaan om uit de handen van politie en justitie te blijven.

Hetzelfde geldt ten aanzien van hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot de 'deal'. Ook hier ging het initiatief uit van verdachte en is de rechtbank van geen enkel aanknopingspunt gebleken dat de beginselen van een goede procesorde zouden zijn geschonden.

Ten aanzien van het verweer dat de gesprekken uit het Seven-onderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd nu de rechtmatigheid van de verkrijging van die gesprekken niet kan worden beoordeeld overweegt de rechtbank dat ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich in november 2002 uit eigen beweging bij de politie gemeld heeft met de mededeling dat er door een bekende van hem werd verteld dat er 17 kilo semtex te koop was. Vervolgens zijn verschillende door verdachte gevoerde telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd. De wet biedt deze mogelijkheid. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verklaard dat in het Seven-onderzoek alleen getapt is met machtiging van de rechter-commissaris en dat desgewenst alle gegevens overlegd kunnen worden. De raadsman heeft hierop geen verzoek daartoe gedaan. Dit zo zijnde en in aanmerking genomen dat de rechtbank ook overigens geen aanknopingspunten heeft gevonden waaruit zou kunnen volgen dat een en ander niet volgens de regels van de wet zou zijn verlopen dient ook dit verweer te worden verworpen. De gesprekken uit het Seven-onderzoek kunnen derhalve tot het bewijs worden gebezigd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook het verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van het bewijs dient te worden verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het bij dagvaarding II telastgelegde feit.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding II telastgelegde feit dient te worden vrijgesproken. Door de verdediging is daartoe allereerst betoogd dat er geen sprake is geweest van afpersing noch van diefstal met geweld. Er zou geen geweld zijn gebruikt en slechts, volgens afspraak, geld zijn opgehaald. Daarnaast bepleit de raadsman vrijspraak van dit feit omdat verdachte's betrokkenheid erbij niet zou zijn vast komen te staan.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Op 8 juli 2002 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de politie aangifte gedaan van diefstal met geweld. Uit de aangifte en zijn verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] door drie mannen, onder bedreiging met een vuurwapen, is gedwongen een kluis te openen. Vervolgens hebben de mannen uit die kluis een bedrag van ongeveer 25.000 euro weggenomen en is het slachtoffer beroofd van een polshorloge.

Deze verklaringen van het slachtoffer worden bevestigd door de getuige [getuige]. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het slachtoffer hem direct na de afpersing cq. diefstal met geweld vertelde dat hij, onder andere, met een vuurwapen was bedreigd. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de inhoud en het karakter van diverse afgeluisterde telefoongesprekken de lezing van het slachtoffer ondersteunen dat er wel degelijk sprake is geweest van geweld.

De rechtbank acht voorts, gelet op de na te noemen feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de overval op [slachtoffer 1].

Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden een schuld bij [betrokkene 1], die op zijn beurt een schuld had bij [betrokkene 2]. Verdachte heeft zich opgeworpen als bemiddelaar tussen de heren [slachtoffers] en [betrokkene 1] om zo de schuld van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] te kunnen incasseren. Ter zitting heeft verdachte dit bevestigd en zelf verklaard dat het 'zijn kunstje' is om zich met dit soort zaken te bemoeien. Op initiatief van verdachte is eerst een bijeenkomst in het Kurhaus belegd en vervolgens, toen bleek dat er niet betaald zou worden, een alternatief incassoplan bedacht. Dit plan is door verdachte uitvoerig over de telefoon besproken. In een telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 3], de persoon die later samen met twee onbekend gebleven Joegoslaven, de overval daadwerkelijk heeft uitgevoerd, zegt verdachte tegen [betrokkene 3]: "Maar luister, die Chinees betaalt gewoon z'n schuld, die moet effe tegen de muur gezet worden in eigen kantoor weet je. Ik heb alles in detail uitgewerkt." (tapgesprek 29). In een later telefoongesprek bespreekt verdachte met [betrokkene 3] hoe de overval gepleegd moet gaan worden: "Maandag of dinsdag komen die twee daar op bezoek, die trekken ze, joh kom effe in het kantoor praten, de deur gaat dicht, geven ze effe een paar kletsen voor de harses en douwe effe een Poepele Joepie door die neusgat." In hetzelfde gesprek zegt verdachte ook nog tegen [betrokkene 3]: "Nou wat we dan doen, die Yoego's die pakken gelijk de klok af en de ringen, die nemen ze alvast mee. " "Want in dat kantoor staat ook de weekopbrengst en dat nemen ze ook gelijk mee." (tapgesprek 31)

Uit de aangifte kan worden afgeleid dat de werkelijke overval op vrijwel exact dezelfde manier is uitgevoerd, zoals besproken tussen verdachte en [betrokkene 3].

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zo te handelen medepleger is van deze overval, die uiteindelijk op 7 juli 2002 heeft plaatsgevonden. Medeplegen impliceert een bewuste, nauwe en volledige samenwerking, waaraan de medepleger een substantiële bijdrage moet hebben geleverd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een zodanige initiërende rol heeft gespeeld, dat er sprake van medeplegen is.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 en 5 vermelde feiten en de bij - gewijzigde - dagvaarding II onder eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastleggingen voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastleggingen, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf als volgt.

Verdachte is samen met anderen gedurende een periode van bijna drie jaren betrokken geweest bij de exploitatie van vier grootschalige, professioneel opgezette, hennepkwekerijen. Binnen de organisatie die zich hiermee bezig hield, had verdachte een belangrijke rol en fungeerde hij als schakel tussen de leiding van de organisatie en degenen die in de kwekerijen werkten.

Voorts heeft hij in totaal ruim 600000 XTC-pillen verkocht, afgeleverd en vervoerd. De omvang van deze partijen was dusdanig dat het zeer aannemelijk is dat deze bestemd was voor verdere verspreiding in het maatschappelijk verkeer. Verdachte heeft er geen moment blijk van gegeven zich bewust te zijn welk een schadelijke gevolgen deze handel in verdovende middelen heeft voor de volksgezondheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van XTC een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt en meer speciaal hun psychische stabiliteit en leidt tot allerlei maatschappelijke problemen en problemen van sociale veiligheid.

Ook heeft hij een tweetal vervalste identiteitsbewijzen voorhanden gehad. Door het plegen van valsheid in geschriften wordt het vertrouwen dat de maatschappij in papieren met een bewijsfunctie mag en moet kunnen stellen ondermijnd. Valsheid in geschrift is derhalve een misdrijf dat vanwege de maatschappelijke schade die het kan veroorzaken bestreden dient te worden.

Verdachte heeft voorts gedurende die periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op uitgebreide schaal bezighield met de handel in soft-drugs. De organisatie werkte veelal via vaste kanalen en was goed georganiseerd. Zo werd veelvuldig van telefoon gewisseld, werden bepaalde codes (zowel voor personen als locaties) gebruikt en werd in versluierde taal gesproken. Verdachte heeft in dat kader gedurende een aanzienlijke periode, veelal in opdracht van de leider van de organisatie, hand- en spandiensten verricht. Verdachte heeft daarbij uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin, hetgeen de rechtbank hem ernstig aanrekent.

Soft-drugs zijn niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar zijn ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stof te telen en/of in omloop te brengen op een schaal als in casu binnen een georganiseerd verband dienen dan ook streng te worden bestraft.

Tenslotte is verdachte betrokken geweest bij de overval op een Japans restaurant. Door de daders ervan werd op een zeer dreigende toon met het slachtoffer gesproken en deze werd bij zijn keel gegrepen. Verdachte's mededaders deinsden er voorts niet voor terug om een vuurwapen aan het slachtoffer te tonen en deze op zijn hoofd te richten. Verdachte heeft op de achtergrond deze 'incassoklus' geïnitieerd en hierin een sturende rol gehad. Dit met als doel zelf maximaal financieel te profiteren van de situatie. Verdachte heeft aldus slechts oog gehad voor de vervulling van zijn eigen financiële wensen zonder daarbij ook maar enigszins rekening te houden met de gevolgen van de afpersing cq. diefstal met geweld en de daarmee gepaard gaande bedreiging voor zijn slachtoffer. Bovendien leiden dergelijke misdrijven tot grote gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.

Verdachte is blijkens een op zijn naam staand Uittreksel uit het Algemeen Documentatie-register niet eerder wegens overtreding van de Opiumwet veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast ook nog een boete zoals door de officier geëist op te leggen, mede in aanmerking genomen zijn voornemen om te gelegener tijd een ontnemingsvordering aanhangig te maken.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 en 13 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bij dagvaarding I onder 4 resp. dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 6 onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 3, 4 (a en b) en 5, te weten een creditcard op naam van [naam], een Giropas op naam van [naam], een geboorteakte/uittreksel op naam van [naam], een brief met telefoonnummers en een Iers paspoort op naam van [naam], in eigendom toebehoren.De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ter terechtzitting is door de officier van justitie de teruggave aan verdachte gevorderd van de inbeslaggenomen geldbedragen genummerd 7 tot en met 11 (de rechtbank begrijpt dat dit de voorwerpen genummerd 7 tot en met 12 moet zijn).

Vast is komen te staan dat bij beschikking van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken van deze rechtbank d.d. 20 april 2004 een gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 21.800,=, is teruggegeven aan de ex-partner van verdachte, [ex-partner]. Blijkens het dossier is het beslag dat ex artikel 94 Sv op de betreffende geldbedragen was gelegd krachtens schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris d.d. 22 april 2004 gehandhaafd als conservatoir beslag zodat de rechtbank ter zake thans geen beslissing meer hoeft te nemen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36b, 36c, 36d, 47, 56, 57, 140, 231, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 (oud), 3 (oud), 10 (oud) en 11 (oud) van de Opiumwet, en de daarbij behorende Lijst I en Lijst II.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastgelegde feiten en het bij dagvaarding II telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 (oud), eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 en 4:

In het bezit zijn van een vals reisdocument, waarvan hij weet dat het vals is, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 5:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van dagvaarding II, eerste alternatief/cumulatief en tweede alternatief/cumulatief:

De voortgezette handeling van:

Medeplegen van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken

en

Medeplegen van afpersing

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van parketnummer 09/754084-02:

in verzekering gesteld op :12 april 2003;

in voorlopige hechtenis gesteld op :15 april 2003;

in vrijheid gesteld op :23 april 2003;

Ten aanzien van parketnummer 09/004028-03:

in verzekering gesteld op: :23 april 2003;

in voorlopige gesteld op :25 april 2003;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 6 en 13 te weten: een identiteitskaart op naam van [naam], een Iers rijbewijs op naam van [naam] en een Iers paspoort op naam van [naam];

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2 tot en met 5, te weten: een creditcard op naam van [naam], een Giropas op naam van [naam], een geboorteakte/uittreksel op naam van [naam], een brief met telefoonnummers en een Iers paspoort op naam van [naam];

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Joele en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Dingley en Rietbroek, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2004.

De griffier Rietbroek is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.