Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8970

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
09.925.607-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, enige tijd vóórdat het onderhavige strafbare feit is gepleegd, eerder met een jongen -het latere slachtoffer- ruzie gehad, waarbij verdachte een kleine steekwond heeft opgelopen.

Toen hij deze jongen op de bewuste dag in een tram zag zitten terwijl hij deze tram instapte, meende verdachte dat dit de persoon was die hem de eerder genoemde steekwond had toegebracht.

Verdachts is vervolgens op het slachtoffer afgestapt.

Nadat het slachtoffer had ontkend degene te zijn die hem de steekwond had toegebracht heeft verdachte zich tegenover het latere slachtoffer op buitengewoon provocerende wijze gedragen.

Verdachte wilde het er niet bij laten zitten en heeft het slachtoffer een klap in zijn gezicht gegeven, omdat hij er van uitging dat hij iets uit zijn jaszak wilde halen. Verdachte vreesde dat het een mes zou zijn. Hierop volgde een handgemeen, waarbij het slachtoffer inderdaad een mes dat hij bij zich droeg heeft gepakt. Verdachte heeft in het verdere verloop van de worsteling zich van het mes meester kunnen maken en heeft hiermee vervolgens het slachtoffer meermalen gestoken.

Tengevolge van deze steekpartij is het slachtoffer overleden.

De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Immers Iemand van het leven beroven, is een zeer ernstig misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.925.607-03;

's-Gravenhage, 6 mei 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis

- na tussenvonnis - gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vugt, Nieuw Vosseveld 1,

Huis van Bewaring, Vught, Lunettenlaan 501.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 24 oktober 2003, 19 januari 2004 en 22 april 2004.

Met inachtneming van en onder verwijzing naar het in kopie aan dit vonnis gehechte tussen- vonnis van 2 februari 2004, is de rechtbank voorts het navolgende van oordeel.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr M. Kattouw heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding telastgelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], moeder van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van

? 4.898,86.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot ? 4.898,86 subsidiair 90 dagen hechtenis ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer].

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen -hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C., aan dit vonnis is gehecht-, te weten genummerd 1. t/m 6 aan de nabestaanden worden gegeven en dat de inbeslaggenomen diverse kleding (nr. 7) aan verdachte wordt teruggegeven.

Beroep op noodweer c.q. (extensief) noodweerexces.

De raadsman heeft gepersisteerd bij het beroep op noodweer c.q. (extensief) noodweerexces, dat hij reeds op de terechtzitting van 19 januari 2004 had opgeworpen.

Ter terechtzitting zijn dienaangaande geen nieuwe omstandigheden gebleken.

De rechtbank heeft zich hier al in het tussenvonnis van 2 februari 2004 over uitgelaten.

Zij blijft bij deze motivering en verwerpt ook heden het door de raadsman gedane beroep op noodweer c.q. (extensief) noodweerexces.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft, enige tijd vóórdat het onderhavige strafbare feit is gepleegd, eerder met een jongen -het latere slachtoffer- ruzie gehad, waarbij verdachte een kleine steekwond heeft opgelopen.

Toen hij deze jongen op de bewuste dag in een tram zag zitten terwijl hij deze tram instapte, meende verdachte dat dit de persoon was die hem de eerder genoemde steekwond had toegebracht.

Verdachts is vervolgens op het slachtoffer afgestapt.

Nadat het slachtoffer had ontkend degene te zijn die hem de steekwond had toegebracht heeft verdachte zich tegenover het latere slachtoffer op buitengewoon provocerende wijze gedragen.

Verdachte wilde het er niet bij laten zitten en heeft het slachtoffer een klap in zijn gezicht gegeven, omdat hij er van uitging dat hij iets uit zijn jaszak wilde halen. Verdachte vreesde dat het een mes zou zijn. Hierop volgde een handgemeen, waarbij het slachtoffer inderdaad een mes dat hij bij zich droeg heeft gepakt. Verdachte heeft in het verdere verloop van de worsteling zich van het mes meester kunnen maken en heeft hiermee vervolgens het slachtoffer meermalen gestoken.

Tengevolge van deze steekpartij is het slachtoffer overleden.

De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Immers Iemand van het leven beroven, is een zeer ernstig misdrijf.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het feit dat zij zich indertijd onvoldoende over de persoon van verdachte ingelicht achtte, een tussenvonnis gewezen.

Verdachte is daarop ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) opgenomen.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum van 7 april 2004 is gebleken dat verdachte tijdens zijn verblijf in diverse gesprekcontacten volhard heeft in zijn weigering mee te werken aan een onderzoek door het PBC.

De weigering kwam niet voort uit een gebrek aan informatie, noch werd deze weigering veroorzaakt door een psychiatrische ziekte in engere zin of door beperkte intellectuele mogelijkheden.

Door de besliste weigering van verdachte mee te werken aan de diverse onderdelen kwam er met de onderzoekers geen onderzoeksrelatie tot stond en is onvoldoende informatie verkregen om gedragskundig onderzoek te kunnen doen.

Onder deze omstandigheden is het voor het onderzoekend team niet mogelijk geweest om de persoonlijkheid van verdachtes geestvermogens en toerekeningsvatbaarheid te beantwoorden, alsmede een aan te bevelen straf en/of maatregel te adviseren.

Het PBC heeft vervolgens deze onderhavige zaak aan de rechtbank teruggegeven.

Over verdachte is gerapporteerd door drs. H.E.M. van Beek, psychiater te Doetinchem, en drs. W.J.L. Lander, psycholoog te Hulst.

In hun rapporten van respectievelijk 5 januari 2004 en 23 december 2003 komen beide deskundigen tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het delict geen sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er lijkt wel sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, deels bepaald door de onrijpe en antisociale persoonlijkheidstrekken.

Verdachte heeft een lage frustratie gehad, waardoor deze agressieve impulsdoorbraak is veroorzaakt.

Om de kans op recidive van een soortgelijk delict als de onderhavige, de mate van toerekeningsvatbaarheid en de behandelmogelijkheden nader te kunnen bepalen is volgens de deskundigen observatie in het Pieter Baan Centrum noodzakelijk.

De beide deskundigen hebben geconcludeerd dat de kans op recidive aanwezig is, maar dat deze verder niet precies kan worden beoordeeld.

Uit het documentatieregister blijkt dat verdachte tweemaal eerder met de Kinderrechter in aanraking is geweest, waarvan eenmaal ter zake van openlijk geweld.

Verdachte heeft hiervoor twee keer een werkstraf opgelegd gekregen.

De rechtbank zal rekening houden met het volgende : de nog jeugdige leeftijd van verdachte (hij is net 18 jaar en emotioneel nog onvolwassen), het feit dat hij nauwelijks eerder met justitie in aanraking is geweest, dat verdachte zelf geen mes op zak droeg en dat hij zelf ook gewond is geraakt.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande -alles overwegende- de navolgende onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, doch aanmerkelijk korter dan door de officier van justitie gevorderd, op zijn plaats en onder deze omstandigheden passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

Mevrouw [benadeelde partij], moeder van het overleden slachtoffer, wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ? 4.898,86.

Deze vordering is door verdachte gedeeltelijk weersproken en vindt voor een deel haar grond in het bij dagvaarding aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt dat de vordering niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank is echter ook van mening dat de benadeelde partij als gevolg van het overlijden van haar zoon kosten (o.a. begrafenis) heeft moeten maken.

Zij acht derhalve de benadeelde partij voor een deel ontvankelijk in haar vordering.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ? 1.500,= toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding.

De benadeelde partij kan zich desgewenst hiertoe tot de burgerlijke rechter wenden.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 1.500,= ten behoeve van de moeder van het slachtoffer genaamd mevrouw[benadeelde partij].

De proceskosten, die tot op heden zijn begroot door middel van een overgelegde rekening op

$ 745,45, zullen ook door verdachte dienen te worden betaald.

De rechtbank heeft het equivalent hiervan in Euro's omgerekend en komt derhalve op een bedrag van ? 621,21, afgerond op ? 625,=.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het beslag met betrekking tot de nummers 1. t/m 6 reeds is afgedaan, zodat hierover geen beslissing meer zal worden genomen.

De onder verdachte inbeslaggenomen diverse kleding (nr. 7) kan aan verdachte worden teruggegeven.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen :

24c, 36f, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt :

DOODSLAG

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot :

gevangenisstraf voor de duur van 5 JAAR;

in verzekering gesteld op : 14 juli 2003;

in voorlopige hechtenis gesteld op : 17 juli 2003.

veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan mevrouw[benadeelde partij] (moeder van het overleden slachtoffer), wonende te [adres], een bedrag van ? 1.500,=, met veroordeling tevens in de proces-kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op ? 625,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij[benadeelde partij] voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat zij zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

? 1.500,= ten behoeve van de moeder van het overleden slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen nr. 7, te weten diverse kleding aan verdachte;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Timmermans, voorzitter,

M.Y. Bonneur en A.S.I. van Delden, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van M.L.A. van der Togt; zijnde mr. Bonneur buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.