Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8799

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
AWB 04/1167 WW44 en 04/1168 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

(...) Het bouwplan voorziet in een gehele vernieuwing en vergroting van de bestaande schuur op het perceel [adres] te Hillegom. De houten wanden worden vervangen door baksteen. Voorts wordt een aantal ramen aangebracht en het aantal toegangen vergroot, en de nieuwe schuur wordt ten opzichte van de bestaande schuur gedraaid gesitueerd. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 04/1167 WW44 en 04/1168 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening

en op het beroep van

[eiser], wonende te Hillegom, eiser,

ten aanzien van het besluit van 3 maart 2004 van het college van burgemeester en wethouders van Hillegom, verweerder.

Derde partij: [Derde partij], wonende te Hillegom.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft verweerder bouwvergunning verleend aan [Derde partij] (hierna: vergunninghouder) voor het vernieuwen en vergroten van een schuur op het perceel kadastraal bekend gemeente Hillegom, Sectie D, nummer [nummer], plaatselijk bekend [adres] te Hillegom.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 september 2003 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 oktober 2003 heeft de voorzieningenrechter (in de zaak 03/3742 WRO) het besluit van 20 augustus 2003 geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op het bezwaarschrift.

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (hierna: commissie), het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 maart 2004, ingekomen bij de rechtbank op 19 maart 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is behandeld op 2 april 2004. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. Visser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Arnold-Bik en N. Vink. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Stoffelen.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

en van het beroep

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Het bouwplan voorziet in een gehele vernieuwing en vergroting van de bestaande schuur op het perceel [adres] te Hillegom. De houten wanden worden vervangen door baksteen. Voorts wordt een aantal ramen aangebracht en het aantal toegangen vergroot, en de nieuwe schuur wordt ten opzichte van de bestaande schuur gedraaid gesitueerd.

Voor het wettelijk kader verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de uitspraak van 20 oktober 2003.

In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter - kort gezegd - geconcludeerd dat de bestaande schuur slechts deels is beschadigd en dat deze beschadiging niet als teniet gaan door een calamiteit of anderszins kan worden aangemerkt, zodat gelet op het overgangsrecht van artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften de gevraagde vergunning voor het geheel vernieuwen van de schuur reeds hierom had moeten worden geweigerd.

De conclusie van de voorzieningenrechter, dat de bestaande schuur niet teniet is gegaan, is bevestigd door het Architectenbureau Ron Spanjaard B.N.A., dat in bezwaar in opdracht van verweerder op 10 december 2003 een onderzoek ter plaatse heeft verricht en op dezelfde datum rapport heeft uitgebracht.

Uit het advies van 18 december van 2003 blijkt dat de commissie de conclusie van de voorzieningenrechter deelt.

Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit in afwijking van het advies van 18 december 2003 van de commissie het standpunt ingenomen dat er redelijkerwijs moet worden gesproken van tenietgaan van de schuur door een calamiteit. Verweerder heeft overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de schuur zodanig is beschadigd dat herstel ervan ondoelmatig zal zijn. De schuur is weliswaar technisch weer in oude staat te brengen, maar dit heeft tot gevolg dat het gebouw niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd. Het verwoeste deel zal of in strijd met het Bouwbesluit moeten worden gebouwd of er dient een ander soort constructie worden gemaakt, die tegen het huidige overblijfsel van de schuur wordt aangebouwd, waarvan de kosten niet meer in een redelijke verhouding zullen zijn tot het resultaat. Voorts heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat een bouwwerk op grond van artikel 31, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften, geheel mag worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan. Verweerder is van mening dat de bouwvergunning op grond van genoemd artikelonderdeel van de planvoorschriften kan worden verleend en heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn vrijstellingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 31, tweede lid, van de planvoorschriften.

Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of de schuur door een calamiteit teniet is gegaan.

Vastgesteld moet worden dat zich na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2003 geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die tot het oordeel moeten leiden dat de schuur wel geheel door een calamiteit teniet is gegaan.

Dat de schuur na de uitspraak van 20 oktober 2003 door storm en andere slechte weersomstandigheden verder is beschadigd en thans niet meer te herstellen zou zijn, is geen aanleiding om aan te nemen dat de schuur als gevolg van een calamiteit in de zin van het overgangsrecht teniet is gegaan.

Niet is gebleken is dat de vergunninghouder voldoende maatregelen heeft getroffen om de beschadigde schuur voor verder verval te behoeden.

Derhalve is er geen aanleiding voor een andere conclusie dan in de uitspraak van 20 oktober 2003, namelijk dat de schuur niet door een calamiteit of anderszins teniet is gegaan. In het rapport van 10 december 2003 van het architectenbureau voornoemd staat ook vermeld dat het mogelijk is de schuur terug te brengen in de staat voor de beschadiging door het omvallen van de boom. Dat de schuur, zoals het rapport vervolgt, na herstel niet meer zou voldoen aan de hedendaagse eisen is voor de uitleg van het overgangsrecht niet van belang. Ook in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient het begrip calamiteit in overgangsrechtelijke bepalingen zeer strikt te worden uitgelegd.

Aan de stelling van vergunninghouder dat genoemd rapport onrechtmatig tot stand is gekomen omdat in het kader van het onderzoek zijn perceel zonder zijn toestemming is betreden, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het enkele feit dat de onderzoeker, in gezelschap van een ambtenaar, het perceel van vergunninghouder hebben betreden zonder diens toestemming maakt niet dat de onderzoeksresultaten niet in de bestuursrechtelijke procedure mogen worden gebruikt. In het midden kan blijven of voor de onderzoeker kenbaar was dat een verbod gold de gronden van vergunninghouder te betreden.

Het vorenstaande leidt de voorzieningrechter tot het oordeel dat de motivering van verweerder om, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van verzoeker ongegrond te verklaren op een onjuiste uitleg van het overgangsrecht van het bestemmingsplan is gebaseerd en derhalve ondeugdelijk is.

De uitleg die verweerder aan de woorden "geheel vernieuwen" in artikel 31, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften geeft, onderschrijft de voorzieningenrechter evenmin. Deze overgangsbepaling biedt geen ruimte voor het voorliggend bouwplan, nu het wat betreft de maatvoering, het materiaal, het aanzicht en de uitvoering en zelfs wat betreft de situering (namelijk gedraaid) fors afwijkt van de bestaande schuur.

Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:50 van de Awb.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Aangezien het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan kan verweerder slechts bouwvergunning verlenen nadat vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is verleend. Verweerder had derhalve de aanvraag op grond van artikel 46, derde lid, van de Wow tevens als een aanvraag om zodanige vrijstelling moeten opvatten. Een en ander leidt ertoe dat verweerder op de bezwaren tegen de bouwvergunning van 20 augustus 2003 opnieuw dient te beslissen, waarbij hij dient te bezien of in bezwaar alsnog een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO kan worden verleend.

In verband hiermee ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bouwvergunning (opnieuw) te schorsen tot zes weken nadat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.

Er bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in verbinding met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 644,--.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

schorst het besluit van 20 augustus 2003 tot zes weken na de datum waarop verweerder opnieuw een besluit op bezwaar heeft verzonden;

bepaalt dat de gemeente Hillegom aan eiser het door hem betaalde griffierechten, te weten € 272,--, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welk bedrag de gemeente Hillegom aan eiser moet vergoeden.

Tegen deze uitspraak - voor zover daarbij op het beroep is beslist - staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Lo-A-Njoe.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

??