Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8798

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
AWB 04/1091 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

(...) In het bestreden besluit heeft verweerder - kort gezegd - overwogen dat het bouwplan is gelegen binnen de bestemmingen "Recreatie" met als subbestemming -Rz-zomerhuizen, en "Tuin" van het geldende bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet wat de oppervlakte betreft weliswaar niet aan de voorschriften van het bestemmingsplan, maar het voldoet wel aan de criteria van de door de raad der gemeente Jacobswoude op 30 mei 2000 vastgestelde Nota recreatiewoningen van de gemeente Jacobswoude. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 04/1091 WRO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], gevestigd te Leimuiden, verzoekster,

ten aanzien van het besluit van 18 februari 2004 van het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude, verweerder, waarbij aan [betrokkene] te Leiden, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een recreatiewoning op het perceel Heilige Geestlaan 10 te Rijnsaterwoude.

Derde-partij: [betrokkene] te Leiden, vergunninghouder

Verzoekster heeft bij brief van 9 maart 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 februari 2004 van verweerder. Bij brief van gelijke datum heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is op 2 april 2004 ter zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], secretaris van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.N.G. Schenk. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. R.C.V. Mans.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een recreatiewoning, ter vervanging van een bestaande recreatiewoning. De recreatiewoning bevindt zich op 25 m afstand van de molen, genaamd "de Heilige Geestmolen", gelegen aan het Braassemmermeer en als Rijksmonument aangewezen.

De nieuwe recreatiewoning heeft een groter oppervlak dan de bestaande recreatiewoning, die ca 5 m bij 8 m is en een hoogte heeft van 3, 5 m. De nieuwe recreatiewoning is ca 10 m bij 8, 8 m, maar heeft een geringere hoogte, voor een groot deel (ongeveer 56m2) 3 m en voor het overige (ongeveer 33m2) een hoogte van 2.10 m. Beide delen hebben een plat dak. De bruto-inhoud en de bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe recreatiewoning bedragen 240m3 respectievelijk 90m2.

Op 16 april 2002 heeft de Welstandcommissie een positief advies over onderhavig bouwplan uitgebracht.

Ten behoeve van het bouwplan heeft de raad der gemeente Jacobswoude op 6 februari 2003 voor het desbetreffende gebied een voorbereidingsbesluit genomen, welk besluit op 20 februari 2003 in werking is getreden. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt, dat de raad voornoemd bij besluit van 18 december 2003 ongegrond heeft verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend.

Tegen onderhavig bouwplan heeft verzoekster bij brief van 6 maart 2003 bedenkingen ingediend. Bij brief van 14 augustus 2003 heeft verweerder de bedenkingen van verzoekster weerlegd en de verklaring van geen bezwaar aangevraagd. Bij besluit van 10 februari 2004 hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) de verklaring van geen bezwaar verleend.

In het bestreden besluit heeft verweerder - kort gezegd - overwogen dat het bouwplan is gelegen binnen de bestemmingen "Recreatie" met als subbestemming -Rz-zomerhuizen, en "Tuin" van het geldende bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet wat de oppervlakte betreft weliswaar niet aan de voorschriften van het bestemmingsplan, maar het voldoet wel aan de criteria van de door de raad der gemeente Jacobswoude op 30 mei 2000 vastgestelde Nota recreatiewoningen van de gemeente Jacobswoude. Verweerder is van mening dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De bedenkingen tegen onderhavig bouwplan zijn na afweging van alle betrokken belangen weerlegd en GS hebben de verklaring van geen bezwaar verleend. Mede gelet op de adviezen van de Welstandcommissie en de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van 16 april 2002 respectievelijk 15 juli 2003, is vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve de recreatiewoning verleend.

Verzoekster heeft - kort gezegd- uiteengezet dat de nieuwe recreatiewoning, zowel vanaf het Braassemmermeer als vanaf de weg tussen Leimuiden en Rijnsaterwoude een wezenlijke aantasting van het huidige fraaie zicht op de molen betekent. De nieuwe recreatiewoning heeft de vorm van een grote platte doos en past uit het oogpunt van welstand niet op een locatie naast een cultuurhistorisch bouwwerk. De welstandscommissie bestond slechts uit één persoon. Het bouwplan is twee maal groter dan de maatvoering die het bestemmingsplan toelaat. Uitgaande van een vloer die minimaal 0,35 m boven het maaiveld van het buitendijks drassig weiland komt, wordt de goothoogte, inclusief de hoogte van het bouwplan van 3 m, in totaal 3,35 m, terwijl de goothoogte volgens het bestemmingsplan 3 m mag bedragen.

Het bouwplan is ook in strijd met de richtlijnen van de provinciale Goedkeuringscriteria Molenbiotoop Zuid-Holland, waarin staat vermeld dat voor traditionele windmolens de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende moeten zijn gegarandeerd. Ruimtelijke plannen dienen derhalve te voldoen aan de voorwaarde dat binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, geen bebouwing mag worden opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek.

Verzoekster stelt voorts dat verweerder GS bij de aanvraag om de verklaring van geen bezwaar onjuist heeft voorgelicht. Op het aanvraagformulier voor de verklaring van geen bezwaar heeft verweerder een aantal vragen onjuist beantwoord, o.a. is de vraag of het bouwplan is gelegen in een molenbeschermingszone ontkennend beantwoord. Zij wijst erop dat uit een door haar overgelegde e-mail van 20 maart 2003 van een medewerker van het bureau Cultuur van de provincie blijkt dat het bouwplan daar niet bekend is. Verzoekster verbindt daaraan de conclusie dat de verklaring van GS op een onvolledige toetsing berust.

Verzoekster zet uiteen dat hier sprake is van een verslechtering en dat de eerste bouwaanvraag is afgewezen, omdat het bouwplan nog geen 25m van de Heilige Geestmolen is gelegen. De gemeenteraad van Jacobswoude heeft in oktober 2002 nog geweigerd een voorbereidingsbesluit ten behoeve van het huidige bouwplan te nemen. Verzoekster is van mening dat geen juiste belangenafweging is gemaakt, omdat het belang van het behoud van het zicht op een fraai Rijksmonument moet prevaleren boven het belang van de recreatie van één particulier.

In artikel 44 van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Heilige Geestlaan". Aan de gronden waarop de recreatiewoning staat, is blijkens de bestemmingsplankaart de bestemmingen "Recreatie" met als subbestemming -Rz-zomerhuizen, en "Tuin" gegeven.

In artikel 10 van de bestemmingsplanvoorschriften is voor zover hier van belang bepaald:

1. De gronden met de bestemming recreatie, subbestemming zomerhuizen (Rz) zijn bestemd voor zomerhuizen als bedoeld in artikel 1 lid 7 en voorzover deze gronden onbebouwd blijven voor tuin.

2. (...).

3. Bij de bouw van de zomerhuizen moeten de op de kaart en de hierna gegeven aanwijzingen in acht genomen worden:

a. per perceel is slechts een zomerhuis toelaatbaar;

b. de zomerhuizen moeten vrijstaand worden gebouwd;

c. de goothoogte van zomerhuizen mag maximaal 2.50m bedragen;

d. de nokhoogte van zomerhuizen mag maximaal 4.00 m bedragen;

e. de oppervlakte van een zomerhuis, welke wordt bepaald door de verticale projectie van het vloeroppervlak op het maaiveld, mag niet minder dan 22m2 en niet meer dan 45m2 bedragen, bergruimten daarbij inbegrepen.

Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften mag op de gronden met de bestemming tuin niet worden gebouwd.

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 10, derde lid, onder e, en artikel 14 van het geldende bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan het bevoegde bestuursorgaan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Gezien de planvoorschriften bestaat geen binnenplanse vrijstellings-mogelijkheid. Verder is geen sprake van een bouwplan waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 17 of 19, derde lid, van de WRO. Evenmin is sprake van een bouwplan dat behoort tot een door gedeputeerde staten aangewezen categorie van gevallen waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Vergunninghouder was daarom aangewezen op verlening van een vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO. Aangezien het geldende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar en geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, heeft de gemeenteraad van Jacobswoude op 6 februari 2003 een voorbereidingsbesluit genomen.

Uit de tweede volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO blijkt dat, indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval wordt ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel er wordt gemotiveerd waarom het te verwezenlijken project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. De aan de ruimtelijke onderbouwing te stellen eisen zijn afhankelijk van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel tegen de voorgenomen activiteit ingebrachte bedenkingen.

Vastgesteld moet worden dat de vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO noodzakelijk was omdat de oppervlakte van de nieuwe recreatiewoning groter is en de goothoogte hoger is dan de planvoorschriften toestaan. In aanmerking genomen dat de nieuwe recreatiewoning naar nokhoogte bezien lager is dan de bestaande recreatiewoning, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet van een ingrijpende inbreuk op het planologisch regime worden gesproken.

De tekst van de derde volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO biedt de mogelijkheid om de ruimtelijke onderbouwing te beperken tot het ingaan op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan. In het bestreden besluit is die relatie gegeven. Verweerder heeft overwogen dat het bouwplan voldoet aan de maatvoering voor een recreatiewoning, zoals neergelegd in de Nota recreatiewoningen voornoemd. Hierin is opgenomen dat voor een recreatiewoning een vloeroppervlakte van 90m2 en een maximale inhoudsmaat van 250m3 wordt gehanteerd. Deze maatvoering is in overeenstemming met de provinciale Nota Planbeoordeling.

Voorts moet worden vastgesteld dat het zicht op de molen in beschouwing is genomen, aangezien de hoogte van de bestaande recreatiewoning van 3, 5 m is teruggebracht naar 2,10 tot 3 m, terwijl het bestemmingsplan een nokhoogte van maximaal 4 m toelaat. Door vergunninghouder te verplichten een bouwtekening te leveren waarop de hoogte van het maaiveld ten opzichte van het waterpeil staat weergegeven, heeft verweerder tevens voldoende zeker gesteld dat het maaiveld ten opzichte van de molen niet wordt verhoogd.

Mede gelet op de door verweerder ter zitting gegeven toelichting kan de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een verslechtering van het zicht op de molen en dat de vrije windvang van de molen niet verder wordt aangetast, niet onjuist achten.

Ten aanzien van de onjuiste invulling van het formulier waarmee verweerder de verklaring van geen bezwaar bij GS heeft aangevraagd overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Vaststaat dat verweerder de bij onderdeel 9. "Cultuurhistorische waarden" opgenomen vraag of het bouwplan ligt in een molenbeschermingszone (de zogenoemde molenbiotoop) volgens de goedkeuringscriteria van de Nota Planbeoordeling, ontkennend heeft beantwoord. Volgens verweerders gemachtigde is hier sprake van een vergissing, die er echter niet toe heeft geleid dat de aanvraag op dit punt niet of onvoldoende is beoordeeld. Verweerder heeft namelijk ter zitting een e-mail overgelegd, gedateerd 25 maart 2004, waarin de planbeoordelaar M. Breet van de provincie Zuid-Holland op verweerders vraag of de fout op het formulier gevolgen heeft voor de verklaring van geen bezwaar, meedeelt dat de afdeling Cultuur van de provincie het bouwplan heeft beoordeeld en akkoord heeft bevonden omdat de bebouwing niet hoger wordt. Deze planbeoordelaar concludeert in haar e-mail dat de verklaring van geen bezwaar dan ook terecht is verleend. Verder blijkt uit het besluit van 10 februari 2004 dat GS ook kennis hebben genomen van de bedenkingen van verzoekster en de brief van 14 augustus 2003 van verweerder, waarbij melding is gemaakt dat het bouwplan binnen een molenbiotoop ligt. Verweerder heeft daarbij de door verzoekster ingediende bedenkingen weerlegd, met welke weerlegging GS hebben ingestemd. Ook gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de foutieve invulling van het aanvraagformulier thans geen overwegende betekenis toekomt, nu er voldoende aanwijzingen zijn dat GS geen andere beslissing zou hebben genomen indien de vragen correct zouden zijn beantwoord. Niettemin behoort verweerder in het kader van de bezwaarprocedure nog wel een officiële bevestiging van GS zelf te verkrijgen.

Voorts is van belang dat de welstandscommissie op 16 april 2002 een positief advies over het bouwplan heeft uitgebracht. Het welstandsadvies van 16 april 2002 is weliswaar summier te noemen, maar niet kan worden gezegd dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zijn welstandsoordeel op dit advies heeft mogen baseren. Verzoekster heeft slechts haar eigen opvatting ingebracht, maar geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het welstandsadvies niet deugdelijk is.

Voorts kan worden vastgesteld dat, nadat verweerder eerder bij besluit van 10 april 2001 bouwvergunning had geweigerd, vergunninghouder het bouwplan heeft aangepast en dat de bezwaren en belemmeringen, die zich bij het vorig bouwplan voordeden en die tot weigering van bouwvergunning hebben geleid, bij onderhavig bouwplan zijn weggenomen. Ook heeft de gemeenteraad van Jacobswoude zijn aanvankelijke bezwaren blijkbaar overwonnen door alsnog op 6 februari 2003 een voorbereidingsbesluit te nemen. Daaraan kunnen dus geen argumenten tegen dit bouwplan meer worden ontleend.

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen besluiten.

Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Lo-A-Njoe.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

??