Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8663

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
KG 03/1028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

(...) Uitgangspunt in deze zaak is dat de Staat ingevolge de wet de plicht heeft een opgelegde straf te executeren.

[eiser] beroept zich in dit verband op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt zich op het standpunt dat hij er, gezien de inhoud van de door hem ontvangen brief van 16 maart 1992 van officier van justitie mr. Vos, op mocht vertrouwen dat hij zijn straf niet meer zou hoeven te ondergaan. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 29 april 2004,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/1028 van:

[eiser],

wonende te [geboorteplaats],

eiser,

procureur mr. G.M. Boonman,

advocaat mr. G. Spong te Amsterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie)

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

1. Verloop van de procedure

In deze zaak is tussen partijen, hierna "[eiser]" en "de Staat", op 8 september 2003 een tussenvonnis gewezen.

In dit vonnis is de Staat gelast

1. de brief van mr. H.M. Vos van 16 maart 1992 aan [eiser] en de bijbehorende envelop te onderzoeken en te rapporteren ten aanzien van een tweetal vragen daaromtrent, en

2. een onderzoek te doen plaatsvinden naar de gang van zaken rond het strafdossier van [eiser], en van dat onderzoek proces-verbaal te doen opmaken.

Voorts is aan de Staat bevolen [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen, waartoe de executie van de straf is geschorst onder voorwaarde dat [eiser] in Nederland zal blijven en zijn reisdocumenten ter beschikking zal stellen.

Tenslotte is bepaald dat nadere behandeling van de zaak zal plaatsvinden op 27 november 2003 en dat mr. Vos wordt opgeroepen bij die zitting aanwezig te zijn.

De Staat heeft vervolgens tweemaal aanhouding van de behandeling verzocht. De eerste keer bij brief van 18 november 2003 om reden dat de Staat meer tijd nodig had omdat hij naar aanleiding van de uitkomsten van zijn eerste onderzoek besloten had de Rijksrecherche opdracht te geven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. De tweede keer bij brief van 23 januari 2004 omdat het voornoemde onderzoek nog niet was afgerond. Beide verzoeken zijn ingewilligd.

Mr. Spong heeft in verband met de lange duur van het onderzoek verzocht te bepalen dat aan [eiser] zijn paspoort wordt teruggegeven. Dit verzoek is op 27 januari 2004 toegewezen.

De Staat heeft bij brief van 26 maart 2004 verzocht een datum te bepalen voor de voortzetting van het geding.

De behandeling van de zaak is op 15 april 2004 voortgezet. Tijdens deze behandeling is mr. H.M. Vos gehoord.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de standpunten van partijen.

2.1. Wat deze onderdelen betreft wordt in de eerste plaats verwezen naar hetgeen ter zake in voormeld tussenvonnis van 8 september 2003 is overwogen.

2.2. Door de Staat zijn ingevolge de opdracht in het tussenvonnis overgelegd:

- een vergelijkend handschriftenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 22 oktober 2003 met bijlagen;

- een deskundigenbericht van het NFI van 21 november 2003 met bijlagen;

- een proces-verbaal van de Rijksrecherche van 17 maart 2004, inhoudende de resultaten van diverse onderzoeken alsmede diverse bijlagen, waaronder de verklaringen van 38 getuigen en 3 verdachten.

2.3. Het door [eiser] ingediende (derde) gratieverzoek van 3 september 2003 is bij beschikking van de minister van Justitie van 10 november 2003 afgewezen.

2.4. Tijdens de zitting van 15 april 2004 heeft mr. Spong een nieuwe stelling opgeworpen. Hij stelt dat de executieverjaring op 4 december 2003 is voltooid zodat het de Staat op die grond reeds verboden is te executeren.

Hij voert daartoe het navolgende aan.

Ten tijde van het gratieverzoek van [eiser] van 27 november 1987 luidde artikel 559 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), voor zover hier van belang, als volgt:

"Een verzoekschrift om gratie, dat is ingediend binnen de in artikel 558 bedoelde termijn ter griffie van het gerecht dat het arrest heeft uitgesproken, schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht op, totdat op het verzoek is beslist."

Voor de vaststelling door de rechter of aan het gratieverzoek van [eiser] inderdaad van rechtswege schorsende werking toekwam, zoals is verondersteld, dient de rechter nog te kunnen vaststellen dat aan het wettelijke vereiste van indiening ter griffie van het gerecht dat het vonnis of arrest heeft gewezen is voldaan.

In de onderhavige zaak kan dat niet worden vastgesteld omdat gebleken is dat het gratiedossier is vernietigd.

2.5. Partijen hebben ter zitting van 15 april 2004 gepersisteerd bij hun standpunt.

3. Beoordeling.

3.1. Vooreerst dient te worden beoordeeld of het recht tot executie van de straf al dan niet is verjaard.

Tussen partijen staat vast dat er sprake was van een gratieverzoek dat op 27 november 1987 is ingediend. Voorts staat vast dat bij Koninklijk Besluit van 14 oktober 1988 aan [eiser] gratie is verleend in de vorm van een strafvermindering van zes maanden.

Nu de datum van indiening van het gratieverzoek vaststaat en mitsdien vaststaat dat het verzoek is ingediend binnen de in artikel 559 jo. 558 Sv (oud) bedoelde termijn, is er geen reden dat daarnaast nog door de rechter vastgesteld wordt wanneer het verzoek ter griffie is ingediend. Dat een dergelijke vaststelling vereist is volgt niet uit de tekst van genoemd artikel en wordt voorts door [eiser] niet verder onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande wordt er dan ook van uitgegaan dat de executie van de straf niet is verjaard en daadwerkelijk is opgeschort voor de periode van eind november 1987 tot 14 oktober 1988.

3.2. Uitgangspunt in deze zaak is dat de Staat ingevolge de wet de plicht heeft een opgelegde straf te executeren.

[eiser] beroept zich in dit verband op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt zich op het standpunt dat hij er, gezien de inhoud van de door hem ontvangen brief van 16 maart 1992 van officier van justitie mr. Vos, op mocht vertrouwen dat hij zijn straf niet meer zou hoeven te ondergaan.

Vooropgesteld wordt dat overheidsorganen gehouden kunnen worden om toezeggingen na te komen, zelfs als de toezegging door een onbevoegd orgaan is gedaan en/of de toezegging in strijd is met de wet. Wel moet dan komen vast te staan dat de burger niet had kunnen weten, c.q. begrijpen, dat het orgaan onbevoegd was of dat de toezegging in strijd was met de wet. Voorts moet onder ogen worden gezien of het algemeen belang prevaleert boven het belang van de burger bij honorering van de gedane toezegging.

Waar het in dit geding dan ook om gaat is vast te stellen of de door [eiser] ontvangen brief echt van mr. Vos afkomstig was en voorts of [eiser] er op heeft mogen vertrouwen dat de daarin opgenomen toezegging bevoegd en op grond van de wet gegeven was. Daarbij is nog van belang of diens individuele belang dient te prevaleren.

3.3. Om een en ander te kunnen vaststellen zijn door de Staat diverse onderzoeken ingesteld.

Uit de onderzoeken, uitgevoerd door het NFI, is gebleken dat de envelop waarin de brief van 16 maart 1992 is verstuurd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (de hoogste waarschijnlijkheidsgradatie) door mr. Vos is geschreven; ten aanzien van de handtekening onder de brief van 16 maart 1992 wordt vermeld dat deze mogelijk door mr. Vos geproduceerd is. Er is geen helderheid gekomen of de brief en de envelop bij elkaar horen.

Voorts is duidelijk geworden dat een met naam bekende administratief medewerker de auteur is van de aantekening op de executiekaart, gedateerd 29 januari 1992, luidende: "Sign opgeheven i.o.m. Mr. H.M. Vos (ovj Den-Haag) Mr. Vos had afgesproken dat straf niet geëxecuteerd zal worden."

Deze auteur heeft echter geen herinnering aan de aantekening en evenmin aan [eiser] en/of diens strafzaak.

3.4. Het onderzoek van de Rijksrecherche leidt in elk geval tot de conclusie dat over de gang van zaken in de zaak [eiser] nog diverse onduidelijkheden blijven bestaan.

Zo is onder meer gebleken dat de heer [betr[betrokkene], die goed bekend is met de familie [eiser] en altijd banden met de familie heeft gehouden, in 1990 pogingen heeft ondernomen om te voorkomen dat [eiser] zijn straf zou moeten ondergaan. Met dat doel heeft hij, volgens zijn eigen verklaring, twee à drie gesprekken gevoerd met mr. Vos, bij wie hij was geïntroduceerd door een hem bekende hoofdinspecteur van politie.

Mr. Vos heeft erkend dat hij in 1990 één gesprek met [betrokkene] heeft gehad dat circa een uur heeft geduurd. Volgens mr. Vos is in dat gesprek niet over [eiser] of diens rechtszaak gesproken.

Dat [betrokkene] zich inspande om [eiser] uit de gevangenis te houden is door [eiser] erkend. [eiser] heeft in een van zijn brieven van 16 mei 1990 aan mr. Vos, strekkende tot het voorkomen van het uitzitten van zijn straf, de naam van [betrokkene] ook genoemd. Bovendien is door een van de advocaten van [eiser], mr. D.A. Harff uit Rotterdam, verklaard dat [betrokkene] en [eiser] ergens in 1991 of 1992 samen bij hem op kantoor zijn geweest en dat is gesproken over de mogelijke acties voor [eiser] om te bewerkstellingen dat hij zijn straf niet hoefde uit te zitten.

Uit het onderzoek van de Rijksrecherche is voorts gebleken dat [eiser] op een bepaalde datum -[eiser] is er zeker van dat het op 29 januari 1992 was- op Schiphol is aangehouden ter zake van de tenuitvoerlegging van zijn straf. Op enige wijze is toen door iemand contact opgenomen met mr. Vos, waarna [eiser] binnen een kort tijdsbestek dezelfde dag weer is vrijgelaten. Hoewel de verklaringen van de verschillende getuigen c.q. verdachten over de exacte datum en de specifieke gang van zaken van het Schipholincident niet eensluidend zijn en de Koninklijke Marechaussee geen archief meer bezit van vóór 1995, zijn alle betrokkenen het er wel over eens dat het incident daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat (de naam van) mr. Vos er een rol in heeft gespeeld. Alleen mr. Vos zelf herinnert het zich niet. Ook overigens valt op dat het geheugen van mr. Vos, ook in meer recente zaken, belangrijke lacunes vertoont.

3.5. Mr. Vos heeft zowel tijdens het onderzoek van de Rijksrecherche als ter zitting verklaard dat hij geen enkele herinnering heeft aan de persoon [eiser] noch aan diens naam. Overigens erkent mr. Vos dat in de onderhavige zaak niet het arrondissementsparket waar hij werkte bevoegd was, maar het ressortsparket.

Ten aanzien van het Schipholincident heeft mr. Vos medegedeeld dat de geschetste gang van zaken hem wel bekend voorkomt. Volgens hem kwam het regelmatig voor dat door de Marechaussee van Schiphol naar het parket werd gebeld om te checken of iemand moest worden vastgehouden of niet. Om misverstanden uit te sluiten stond de officier van justitie de Marechaussee zelf te woord.

Mr. Vos herinnert zich echter het specifieke geval [eiser] niet. Dat de door [eiser] genoemde datum van het Schipholincident dezelfde datum is als de datum van de aantekening op de executiekaart zegt hem niets.

Ten aanzien van de brief van 16 maart 1992 heeft mr. Vos verklaard dat, hoewel hij zich niet kan herinneren de brief te hebben geschreven dan wel ondertekend, hij wel aanneemt dat de brief echt is. Hij heeft zijn verklaring ter zitting toegelicht door te wijzen op het feit dat het in de jaren '90 bij het Openbaar Ministerie regelmatig voorkwam dat, omwille van de doorstroming van nieuwe zaken, oude zaken niet geëxecuteerd werden. Hij en zijn collega's ontvingen in die tijd veel verzoeken om signalering te stoppen en, hoewel het meestal om lichte zaken ging, sluit hij niet uit dat ook in zaken als de onderhavige, waar een straf van anderhalf jaar mee was gemoeid, positief werd beslist. Dat gebeurde in de regel in overleg met de behandelende officier van justitie, doch als die niet aanwezig was, besliste hij zelf. Hij heeft erkend dat het hier ging om een informele vorm van gratie.

3.6. Opvallend is dat mr. Vos hier afwijkt van hetgeen hij eerder heeft laten weten bij zijn brief aan mr. Heemskerk van 3 september 2003. In die brief verklaarde hij nog dat hij het niet goed bestaanbaar achtte dat zo'n forse straf door hem was kwijtgescholden en dat hij in zo'n geval altijd overleg zou hebben gevoerd met de advocaat-generaal. Bovendien blijkt uit de desbetreffende verklaringen tijdens het onderzoek van de Rijksrecherche dat de door mr. Vos geschetste gang van zaken niet door zijn collega's noch door de nog in leven zijnde advocaten-generaal uit die tijd wordt herkend.

Een en ander doet echter niet af aan het feit dat mr. Vos ter zitting van 15 april 2004 heeft verklaard dat hij het, gezien de omstandigheden in die tijd -hij stond met de rug tegen de muur-, zeker niet uitsluit dat hij een dergelijke brief heeft ondertekend.

3.7. [eiser] heeft zowel tijdens het onderzoek als ter zitting verklaard dat hij mr. Vos nooit heeft ontmoet. Hij heeft hem in 1990 aangeschreven en bij het Schipholincident diens naam genoemd omdat hij van [betrokkene] had begrepen dat mr. Vos de persoon was die hij moest benaderen. De brief van 16 maart 1992 was voor hem het bewijs dat zijn zaak nu was afgedaan. Deze brief, zo kort na het Schipholincident, was immers een logisch gevolg van dat incident.

Hoewel [eiser] erkent dat [betrokkene] zich in de jaren '90 moeite getroostte om hem uit de gevangenis te houden betwist hij dat er tussen [betrokkene] en hem afspraken zijn gemaakt over een tegemoetkoming aan [betrokkene] in ruil voor terzake bewezen diensten.

De door de Staat ingebrachte verklaringen, waaronder de telefoontap van de bemiddelaar tussen [betrokkene] en [eiser], zijn onvoldoende om het tegendeel aan te nemen.

3.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat, hoewel niet alle onduidelijkheden in deze zaak zijn opgelost, het er op grond van hetgeen ter zitting van 15 april 2004 naar voren is gekomen voorshands voor moet worden gehouden dat [eiser] een "echte" brief van mr. Vos heeft ontvangen.

Gezien de voorgeschiedenis in deze zaak, te weten het schriftelijk verzoek van [eiser] aan mr. Vos van 16 mei 1990 en zijn vrijlating op Schiphol in januari 1992, waarin de naam van mr. Vos een rol speelde, moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat de ontvangst van de brief van 16 maart 1992 bij [eiser] het vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn straf niet meer hoefde uit te zitten.

Dat [eiser] zich had moeten realiseren dat de brief van een niet bevoegd orgaan afkomstig was (het ressortsparket was bevoegd en niet het arrondissementsparket) wordt verworpen. De taakverdeling binnen het Openbaar Ministerie is voor buitenstaanders niet zodanig herkenbaar dat [eiser] zich hiervan bewust moest zijn.

Evenmin kan gezegd worden dat [eiser] zich had moeten realiseren dat de brief geschreven was in strijd met de wet. Hoewel [eiser] ter zitting verklaarde de brief ongetwijfeld naar zijn toenmalige advocaten gefaxt te hebben, staat hem niet een reactie van die advocaten bij dat het hier ging om een buitenwettelijke toezegging. Ook overigens heeft hij zich dat laatste niet gerealiseerd.

Nu er geen aanwijzingen zijn dat die verklaring onjuist is, moet doorslaggevend zijn het algemeen vertrouwen dat het publiek mag hebben in toezeggingen van een bevoegd te achten overheidsorgaan. Dat geldt te meer indien de door mr. Vos geschetste toenmalige gang van zaken ten parkette voor juist gehouden wordt. Tenslotte wordt overwogen dat niet gezegd kan worden dat het algemeen belang, na nagenoeg 15 jaar inactiviteit aan de kant van de Staat, thans zwaarder moet wegen dan het individuele belang van [eiser] bij honorering van de gewekte verwachtingen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verwachtingen die zijn ontleend aan de brief van 16 maart 1992 gehonoreerd moeten worden. De conclusie is dan ook dat de primaire vordering zal worden toegewezen.

3.9. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt de Staat het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 december 1985 ten uitvoer te leggen;

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.692,16, waarvan € 1.406,-- aan salaris procureur, € 205,-- aan griffierecht en € 81,16 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

md

6