Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8609

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/42109
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AR3385
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule.

Eisers aanvragen voor een verblijfsvergunning zijn afgewezen, omdat eisers niet beschikken over een mvv. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Verweerder baseert zijn standpunt op artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 respectievelijk hoofdstuk B1/2.2.1 Vc 2000. Op grond van dat beleid zal alleen dan geen toepassing worden gegeven aan de hardheidsclausule indien is aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie. Bij het oordeel over de vraag of dat beleid de toets van artikel 3:4, tweede lid, Awb kan doorstaan,betrekt de rechtbank de vraag of artikel 3 IVRK voldoende doorwerking heeft gekregen. Ook indien artikel 3 IVRK bij die toets wordt betrokken ziet de rechtbank geen grond dit beleid kennelijk onredelijk te oordelen. Nu geen noodsituatie zal ontstaan, is namelijk geen sprake van onevenredig nadeel voor het betrokken kind in verhouding tot de met het mvv-vereiste gediende belangen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 03/42109 VRWET; AWB 03/42112 VRWET

Inzake : 1) A,

2) B en hun dochters

3) C en

4) D,

eisers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. M.P. Bouma, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eisers bezitten allen de Iraanse nationaliteit.

Eiser onder 1, geboren op [...] 1964, verblijft naar eigen zeggen sinds 7 maart 1994 als vreemdeling in Nederland. Eiseres onder 2 is geboren op [...] 1971, eiseres onder 3 op [...] 1989 en eiseres onder 4 op [...] 1992. Naar zeggen van eiseres onder 2 verblijven eiseressen allen sinds 1 juli 1994 als vreemdeling in Nederland.

Bij schrijven van 9 oktober 2001 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor eiseres onder 3 met als beperking ‘medische behandeling’, voor de overige eisers ‘verblijf bij dochter D gedurende de medische behandeling’. Op 4 november 2002 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op 10 maart 2003 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij uitspraak van 20 mei 2003 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak eisers te doen horen en binnen zes weken na het horen een besluit op bezwaar te nemen of binnen zes weken na verzending van de uitspraak een besluit in primo te nemen.

Verweerder heeft eisers doen horen en op 25 juli 2003 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij schrijven van 1 augustus 2003 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 april 2004. Eisers onder 1 en 2 zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eisers stellen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn oordeel, dat toepassing moet worden gegeven aan het mvv-vereiste en dat eisers daarom niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, heeft gehandhaafd.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Weliswaar is deze afwijzingsgrond in voornoemd artikel als een bevoegdheid geformuleerd, maar uit zowel de Memorie van Toelichting bij dat artikel als uit de tekst van artikel 3.71 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) blijkt dat hier een verplichting is bedoeld.

4. Eisers voeren aan dat volgens het systeem van de wet het mvv-vereiste als voorvraag bedoeld is. Vanwege de keuze van verweerder om niet te beslissen op de aanvraag, maar om te horen en een beslissing op bezwaar te nemen mag het mvv-vereiste dan ook niet meer worden tegengeworpen.

De rechtbank overweegt dat een beslissing op bezwaar een volledige heroverweging is. Bij die beoordeling moet dan ook alles betrokken worden dat bij een primair besluit op de aanvraag betrokken moet worden. Het mvv-vereiste, onder het huidige recht, anders dan onder de Vreemdelingenwet 1965, een inhoudelijke afwijzingsgrond, is daarvan niet uitgezonderd. De grond vindt geen steun in het recht en wordt dan ook verworpen.

5. Niet is gebleken dat in het onderhavige geval, waarin de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, een van de vrijstellingsgronden van artikel 17 Vw 2000 of artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 van toepassing is.

Beoordeeld dient derhalve te worden of de afwijzing van de aanvraag wegens het ontbreken van een mvv niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 (de hardheidsclausule).

6. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan deze hardheidsclausule. Daartoe hebben zij aangevoerd dat verweerder op grond van het medisch advies ervan uitgaat dat er geen ‘medische noodsituatie op korte termijn’ zal ontstaan, maar dat uit de overgelegde stukken niet is af te leiden dat er sprake is van een ‘lichte vorm’. D’s aandoening maakt speciaal basisonderwijs met extra ondersteuning noodzakelijk. Dat blijkt uit de berichten van de kinderfysiotherapeuten en de directeur van D’s school. Ook heeft D speciale schoenen en een speciaal bed nodig. Verweerder heeft er geen rekening mee gehouden dat de behandeling die D hier krijgt in Iran niet bestaat. Een mvv-procedure zal lang duren. De reis naar Iran zal voor D een te zware psychische belasting vormen. Daarnaast zijn de kinderen al negen jaar in Nederland en zitten hier op school, aldus eisers.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid in het door eisers gestelde geen reden behoeven te zien om aan te nemen dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als hiervoor bedoeld. Van belang is hierbij allereerst dat zowel uit de Memorie van Toelichting bij artikel 16 Vw 2000 als uit de bewoordingen van artikel 3.71 Vb 2000 naar voren komt dat sprake moet zijn van uitzonderlijke gevallen. Of zich een situatie van overwegende onbillijkheid daadwerkelijk voordoet staat ter beoordeling van verweerder, die daartoe een ruime beleids- en beoordelingsruimte heeft. Dit volgt ook uit de in het slot van die bepaling gebezigde zinsnede dat de minister “naar zijn oordeel” kan afzien van de toepassing van artikel 3.71, eerste lid, Vb 2000. Gelet hierop dient de rechter zich te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid toepassing van de hardheidsclausule achterwege heeft kunnen laten.

Geen van de door eisers naar voren gebrachte argumenten acht de voorzieningenrechter van zodanig gewicht dat de beslissing van verweerder niet in stand zou kunnen blijven, om de navolgende redenen.

De adviseur van het Bureau Medische Advisering beschrijft D’s aandoening als een psychomotorische achterstand. D heeft met name een spraak- en articulatiegebrek, is overbeweeglijk, motorisch onhandig en kan zich niet goed concentreren. De adviseur komt, mede op basis van de berichten van de kinderfysiotherapeuten, huisarts en schooldirecteur, in zijn rapport tot de conclusie dat, gelet op de aard van de aandoening, bij achterwege blijven van de behandeling van een medische noodsituatie op korte termijn geen sprake zal zijn. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat bij staken van de behandeling een dergelijke noodsituatie zal kunnen ontstaan, maar daarvan geen onderbouwing gegeven. Gelet op het gemotiveerde rapport van de medisch adviseur is die stelling dan ook onvoldoende voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen dat geen sprake is van een medische noodsituatie. Datzelfde geldt voor het ononderbouwde argument dat de reis naar Iran een te zware psychische belasting voor D is.

Of de behandeling die D nodig heeft in Iran bestaat, wordt met betrekking tot het mvv-vereiste pas relevant als sprake is van een medische noodsituatie op korte termijn. Verweerder heeft zich, zoals uit het voorgaande blijkt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan in dit geval geen sprake is, zodat de mogelijkheden van behandeling in Iran geen bespreking meer behoefden.

Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het lange verblijf in Nederland en schoolgaan van de kinderen niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste moet leiden. Ook het argument dat een mvv-aanvraag veel tijd in beslag zal nemen leidt niet tot een ander oordeel.

7. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat elke andere beslissing dan het verlenen van de verblijfsvergunning aan D in strijd is met artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Die bepaling heeft rechtstreekse werking en op grond daarvan moet het belang van D verweerders eerste overweging zijn, aldus eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een verdragsbepaling is naar haar inhoud een ieder verbindend, als bedoeld in art. 93 Grondwet (GW), indien zij voldoet aan twee voorwaarden: 1) bij de uitvoering of naleving zijn rechtstreeks belangen van particulieren betrokken en 2) de bepaling moet naar haar inhoud dusdanig concreet en van dien aard zijn dat zij door het bestuursorgaan of de rechter rechtstreeks kan worden toegepast.

Art. 3 IVRK is in de authentieke Engelse tekst als ook in de Nederlandse vertaling een niet concrete en zeer algemeen geformuleerde bepaling, hetgeen aan rechtstreekse toepassing van die bepaling in de weg staat. Ook is bij de behandeling van de goedkeuringswet van het IVRK de rechtstreekse werking van het verdrag aan de orde geweest. In de opsomming van artikelen met rechtstreekse werking, die staat opgenomen in de memorie van toelichting (TK 1992-1993, 22 855, nr 3., p. 8 en 9), komt art. 3 IVRK niet voor. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1988, NJ 1989/743 kan die omstandigheid in dit geval een ondersteuning vormen van het oordeel dat art. 3 IVRK niet een ieder verbindend is, zoals bedoeld in art. 93 GW. Op de bepaling kan dan ook geen rechtstreeks beroep worden gedaan. Art. 3 IVRK dient veeleer als ‘kapstokbepaling’ bij de uitleg van andere bepalingen van het IVRK.

De kapstokbepaling zal door uitwerking in wet en beleid zijn weerslag moeten hebben in de Nederlandse rechtsorde. De wetgever heeft op bepaalde plaatsen expliciet aandacht besteed aan de positie van minderjarige vreemdelingen, terwijl ook het beleid van verweerder in bepaalde gevallen expliciet voorschrijft de belangen van kinderen mee te wegen (zie b.v. B2/13.2.4 van de Vc2000).

De regelgeving en het beleid waarop verweerder in deze zaak zijn standpunt baseert, zijn neergelegd in art. 3.71, vierde lid, Vb 2000 respectievelijk in B1/2.2.1 Vc2000. Op grond van dat beleid zal in dit geval alleen dan geen toepassing worden gegeven aan de hardheidsclausule als is aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie.

Bij het oordeel over de vraag of dat beleid de toets van art. 3:4, tweede lid, Awb kan doorstaan, zal de rechtbank betrekken of art. 3 IVRK hiermee voldoende doorwerking heeft gekregen als hiervoor bedoeld.

Ook indien art. 3 IVRK bij die toets wordt betrokken ziet de rechtbank geen grond dit beleid kennelijk onredelijk te oordelen. Nu geen noodsituatie zal ontstaan, is namelijk geen sprake van onevenredig nadeel voor het betrokken kind in verhouding tot de met het mvv-vereiste gediende belangen. Daarbij overweegt de rechtbank dat, voor zover nadelige gevolgen zouden ontstaan doordat D enige tijd niet in Nederland naar school zou kunnen, eisers de gevraagde verblijfsvergunningen niet onverwijld hebben aangevraagd nadat de aanleiding daarvoor was opgekomen, maar eerst nadat zij tot driemaal toe waren uitgeprocedeerd.

8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eisers ingevolge genoemd beleid niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunning. Voorts is niet gebleken van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden.

9. De beroepen zijn derhalve ongegrond.

10. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskosten-veroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2004, in tegenwoordigheid van E.P. Kuipéri-Dekkers, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: