Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/8797
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / categoriaal beschermingsbeleid.

De rechtbank is van oordeel dat blijkens hoofdstuk C1/4.5.3.3 Vc 2000 bij elke beslissing om een categoriaal beschermingsbeleid te voeren rekening wordt gehouden met de activiteiten van UNHCR. In het algemeen betekent repatriëring van ontheemden en vluchtelingen dat een beleid van categoriale bescherming niet kan zijn geïndiceerd, hoewel het bestaan van repatriëring niet moet worden gezien als een conditio sine qua non voor het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming. Een actief beleid van UNHCR dan wel steun/facilitering bij spontane terugkeer vanuit derde landen kan bevestigen dat er geen (beleidsmatige) beletselen (meer) bestaan om personen die in Nederland hun toevlucht hebben gezocht te laten terugkeren. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij zijn besluit geen categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers te voeren niet (langer) heeft kunnen baseren op het UNHCR-advies van 10 juli 2002. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder op goede gronden in de door eiser overgelegde persberichten en artikelen geen aanleiding heeft gezien om het bestreden besluit niet te handhaven. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 03/8797

Datum uitspraak: 23 april 2004

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A

geboren op [...] 1978,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel, te ’s-Hertogenbosch;

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Hofstee, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Op 8 november 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend.

Bij besluit van 5 maart 2001 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Op 4 december 2002 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 17 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling verder aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 11 februari 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 oktober 2003, waar eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Op 6 november 2003 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze nevenzittingsplaats.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 11 december 2003, waar eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Onder verdragsvluchteling wordt, voor zover van belang, verstaan: elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2 Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn Hazara-etniciteit, zijn geloof (eiser is shi’itisch moslim) en zijn activiteiten voor de Hezb-i-Wahdat-partij in Afghanistan problemen heeft ondervonden. Eiser werd regelmatig beledigd vanwege zijn uiterlijk en hem werd gezegd dat hij van geloof moest veranderen. Eisers werkzaamheden voor de Wahdat-partij bestonden uit het doorgeven van pamfletten van een man genaamd B, aan een andere man, genaamd C. Toen eiser op 28 oktober 2000 op bezoek was bij zijn oom, vertelde zijn moeder dat B, begeleid door zo’n 15 Taliban-leden, aan de deur was geweest. De groep was op zoek naar eiser. B liep erg mank, waardoor eiser vermoedt dat hij is mishandeld en hem heeft verraden. Toen eiser hoorde dat een Mullah, die aan het hoofd van een plaatselijk Taliban-kantoor stond, had besloten hem te arresteren, is hij de volgende dag, via Pakistan, naar Nederland gevlucht. Eisers vader is omstreeks 1997 door de Taliban vermoord. Ter ambtelijke hoorzitting heeft eiser verklaard dat hij heeft gehoord dat B na vier of vijf maanden uit de gevangenis is ontsnapt. B heeft eisers ouderlijk huis enkele keren bezocht en gezegd dat eiser hem zou hebben verraden.

2.3 De rechtbank stelt voorop dat, ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielrelaas wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort. Die vaststelling kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

2.4 Voor zover eiser stelt dat hij verdragsvluchteling is, moet voorop worden gesteld dat de situatie in Afghanistan niet zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als verdragsvluchteling behoren te worden aangemerkt.

Eiser zal aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin kunnen rechtvaardigen.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zodanige feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe wordt overwogen dat verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan nog te vrezen heeft voor daadwerkelijke vervolging niet rechtens onjuist is, gelet op het asielrelaas dat moet worden bezien tegen de feitelijke achtergrond van de gewijzigde situatie in Afghanistan, zoals weergegeven in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 augustus 2002.

Voor wat betreft eisers angst voor wraakacties van B oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerders standpunt dat de verklaringen die eiser hieromtrent heeft afgelegd onvoldoende concreet zijn, dat eisers verklaringen gebaseerd zijn op informatie afkomstig van een niet objectieve persoon als zijn moeder en op eigen vermoedens, kan in redelijkheid niet als onjuist worden beoordeeld. De desbetreffende verklaringen van eiser leiden derhalve niet tot een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

Voor wat betreft eisers Hazara afkomst stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep niet heeft bestreden verweerders standpunt dat personen met een dergelijke afkomst niet zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt. Evenmin heeft eiser blijkens de gronden van zijn beroep het standpunt van verweerder bestreden, dat van de problemen die eiser als Hazara stelt te hebben ondervonden, niet gesteld kan worden dat sprake is van een zodanig stelselmatig discriminatoire bejegening dat het leven in Afghanistan voor eiser onhoudbaar is geworden. In het licht van het voorgaande wordt dan ook wegens strijd met de goede procesorde door de rechtbank voorbijgegaan aan de eerst ter zitting van de rechtbank van 13 oktober 2003 door eiser betrokken stelling omtrent de positie van Hazara’s. Daargelaten kan derhalve worden dat, naar verweerder overigens terecht heeft gesteld, eiser daarbij niet althans niet voldoende heeft onderbouwd dat personen van Hazara afkomst zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt danwel dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin kunnen rechtvaardigen.

Voor wat betreft eisers geloof (hij is shi’itisch moslim) stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep niet heeft bestreden verweerders standpunt dat en waarom van de problemen die eiser als shi’iet stelt te hebben ondervonden, niet gesteld kan worden dat sprake is van een zodanig stelselmatig discriminatoire bejegening dat het leven in Afghanistan voor eiser onhoudbaar is geworden.

2.6 Mede gelet op het voorgaande heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.7 Ter zitting heeft eiser in verband met de dood van zijn moeder, vrouw en broer bij een Amerikaans bombardement een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

De rechtbank acht dit beroep, als eerst ter zitting gedaan, in strijd met de goede procesorde. Niet valt in te zien dat eiser deze stelling niet eerder in de procedure in beroep had kunnen en derhalve moeten aanvoeren.

2.8 Voor zover eiser stelt dat terugkeer naar Afghanistan voor hem van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar, overweegt de rechtbank als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 3:106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in eerdergenoemde bepaling:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten, en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

2.10 Blijkens het in paragraaf C1/4.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) vastgelegde beleid is met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 artikel 12b, eerste lid, Vreemdelingenwet, zoals die gold tot 1 april 2001 (hierna: Vw (oud)) met betrekking tot de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (hierna: vvtv), in de huidige wet verwerkt. Het beleid ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is blijkens genoemde beleidsregel in karakter gelijk aan het vvtv-beleid onder de oude wet.

2.11 De Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft over het op de voet van artikel 12b Vw (oud), ontwikkelde beleid inzake de verlening van een vvtv op 18 december 1997 een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308), de zogeheten vvtv-indicatorenbrief. In de brief zijn de uitgangspunten opgenomen die worden gehanteerd bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van het vvtv-beleid. Zo vermeldt de brief (p. 4):

“(...) elke nieuwe beslissing wordt gebaseerd op nieuwe informatie over de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie of op een gewijzigd beleidsinzicht.”.

In de brief heeft de staatssecretaris zich voorts op het standpunt gesteld dat, indien in het land van herkomst sprake is van ernstig en willekeurig menselijk geweld, betekenis toekomt aan de spreiding van dat geweld en de mate waarin het voorkomt. In de brief is onder meer als volgt te lezen (p. 7 en 8):

“(...) In het algemeen is het enkele bestaan van (burger)oorlog onvoldoende reden voor een vvtv-beleid. Het criterium van de bijzondere hardheid is (...) materieel van aard (te weten de vraag of risico’s die bij terugkeer mede voortvloeien uit het bedoelde gewapend conflict uit humanitair/oorlogsrechtelijk oogpunt onverantwoord zijn). Er is in het algemeen pas aanleiding voor een vvtv-beleid, indien de (burger)oorlog het dagelijks leven in het land dermate ontwricht, dat er humanitair onverantwoorde risico’s optreden.”. “(...) Dit standpunt brengt tevens met zich dat indien niet langer sprake is van oorlogsgeweld, bijvoorbeeld in geval van een de facto staakt-het-vuren, een vvtv-beleid niet langer meer geïndiceerd kan zijn.”.

De door de staatssecretaris aan de Tweede Kamer toegezonden notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588, p. 4) vermeldt voorts onder meer als volgt:

“(...) Het begrip humanitair ziet in de hiervoor geciteerde passage (bezien in de context waarin het gebruikt is) uitsluitend op “humanitair oorlogsrecht”. Om het anders te zeggen: oorlogsgeweld gericht tegen burgers. Het heeft dus geen betrekking op de humanitaire situatie in algemene zin. In het algemeen blijkt uit de formulering van deze indicator dat het om menselijk geweld gaat en niet om de algemene humanitaire situatie in een bepaald land. De omstandigheden die onder de hier genoemde onverantwoorde risico’s vallen in de zin van de indicatorenbrief, zien dus op een (menselijk) geweldsrisico. (...)”; “Het is niet goed denkbaar dat de algemene humanitaire situatie in een bepaald land zodanig is dat voor alle burgers in dat land, naar plaatselijke maatstaven gemeten, een categoriale noodsituatie bestaat, dat wil zeggen dat er in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat ten gevolge van de algemene humanitaire situatie. Dat de humanitaire situatie zorgelijk is of dat het niveau van de beschikbare basisvoorzieningen naar Nederlandse maatstaven te wensen overlaat is in ieder geval niet voldoende voor de conclusie dat sprake is van een categoriale noodsituatie (...)”; en “De algemene humanitaire situatie zal dus in beginsel geen aanleiding kunnen vormen voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming.”.

2.12 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Afdeling) moet de vraag of een asielzoeker, los van de individuele situatie, waarin hij zich bevindt, op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst.

Ter zake het al dan niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat, voor zover thans van belang, verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Het is de taak van de rechter de beoordeling door verweerder, in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van de algehele situatie van het land van herkomst, aan die maatstaven te toetsen, niet om het eigen oordeel omtrent de algehele en veiligheidssituatie aldaar in de plaats van dat van verweerder te stellen. De in rechte te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op evenbedoeld toetsingskader; daarbuiten dient de rechter de beoordeling van verweerder te respecteren.

2.13 Bij het besluit van 17 januari 2003 is toepassing gegeven aan het beleid dat is neergelegd in de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 september 2002 (TK 2001-2002, 19 637, nr. 680) en in het bij Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/39 gewijzigde deel C8, hoofdstuk “Beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers van Afghaanse nationaliteit”, onderdeel 7.2 Vc 2000.

2.14 In de brief van 9 september 2002 stelt verweerder zich op basis van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002 inzake Afghanistan op het standpunt dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Afghanistan niet van bijzondere hardheid in de zin van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000 is en concludeert verweerder tot beëindiging van het beleid van categoriale bescherming. Op 12 september 2002 is de Tweede Kamer der Staten-Generaal met deze beleidswijziging akkoord gegaan.

2.15 In de brief heeft verweerder geconcludeerd dat de veiligheidssituatie in het algemeen ten opzichte van die ten tijde van het Taliban-regime is verbeterd.

In deze brief wordt vermeld dat de ernst van het geweld in het algemeen is verminderd en dat de mate, waarin het voorkomt en de mate van geografische spreiding ervan, als zodanig niet tot de conclusie leiden dat categoriale bescherming zou moeten worden geboden. Daarnaast heeft verweerder zich bij zijn oordeel gegrond op het advies van UNHCR van 10 juli 2002 dat het niet langer nodig is de opschorting van de procedure te continueren en dat asielzoekers actief kunnen worden voorgelicht over (geassisteerde) terugkeer. Voorts heeft verweerder bij zijn besluitvorming betrokken dat UNHCR terugkeerovereenkomsten heeft gesloten met de regeringen van Iran en Pakistan, dat sinds 1 maart 2002 ruim 1,6 miljoen vluchtelingen met behulp van UNHCR vrijwillig naar hun land zijn teruggekeerd, dat de terugkerende vluchtelingen onder het terugkeerprogramma door de internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar de provinciehoofdstad van hun keuze worden getransporteerd en dat in juli 2002 ongeveer 200.000 ontheemden, geassisteerd door UNHCR en IOM, zijn teruggekeerd naar hun herkomstgebieden. Tenslotte heeft verweerder in voormelde brief van 9 september 2002 aangegeven kennis te hebben genomen van het standpunt van Human Rights Watch en Amnesty International dat de situatie in Afghanistan nog te onzeker en te onveilig is om vrijwillige terugkeer te stimuleren.

2.16 Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder de aan het ambtsbericht van 19 augustus 2002 ontleende bevindingen heeft getoetst aan de uitgangspunten, neergelegd in artikel 3.106 Vb 2000, het in paragraaf C1/4.5 Vc 2000 neergelegde beleid alsmede voormelde notitie van 23 mei 2001.

2.17 De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bij uitspraak van 4 februari 2003 in zaak nr. 200206105/1, JV 2003/110 heeft overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de algehele situatie in Afghanistan niet meer van zodanige aard is, dat het categoriale beschermingsbeleid moet worden voortgezet en dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, Afghanistan in verband met de algehele situatie aldaar niet meer van bijzondere hardheid is.

Bij haar oordeel heeft de Afdeling betrokken dat verweerder bij zijn beslissing niet langer een categoriaal beschermingsbeleid te voeren mede betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat sinds 1 maart 2002 ruim 1,6 miljoen Afghanen met behulp van UNHCR vrijwillig naar Afghanistan zijn teruggekeerd en dat verweerder in hetgeen Human Rights Watch en Amnesty International daaromtrent hebben gesteld geen aanleiding heeft hoeven zien om het advies van UNHCR van 10 juli 2002, dat het niet langer nodig is de afdoening van asielaanvragen op te schorten en asielzoekers actief kunnen worden voorgelicht over geassisteerde terugkeer, niet te volgen.

In de door eiser overgelegde brief van Amnesty International aan verweerder van 16 oktober 2002 naar aanleiding van verweerders voornoemde brief van 9 september 2002 aan de Tweede Kamer, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

2.18 Vervolgens houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met het na het nemen van het bestreden besluit door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte algemeen ambtsbericht, gedateerd op 10 april 2003, dat de periode van augustus 2002 tot en met maart 2003 beslaat.

2.19 Verweerder heeft schriftelijk aangegeven dat het ambtsbericht van 10 april 2003 geen aanknopingspunten biedt om voor Afghaanse asielzoekers (opnieuw) een categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

Zijdens verweerder is ter zitting, onder verwijzing naar de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (vergaderjaar 2002-2003, 19637, nr. 745) van 20 juni 2003 en het TBV 2003/22 van 29 juli 2003, medegedeeld dat, ofschoon uit het ambtsbericht van 10 april 2003 moet worden afgeleid dat de algehele (mensenrechten)situatie in Afghanistan is verslechterd in vergelijking met de periode waarop het ambtsbericht van 19 augustus 2002 betrekking heeft, geen aanleiding bestaat om op grond van indicator a voor Afghaanse asielzoekers een categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

Aan het voormelde in het TBV 2003/22 vastgelegde beleid heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het advies van UNHCR van 10 juli 2002 dat de vrijwillige terugkeer van Afghanistan uit niet-buurlanden gestimuleerd kan worden, nog onverkort van kracht is. Daarnaast heeft verweerder betekenis toegekend aan het feit dat binnen de Europese gemeenschap nadere invulling wordt gegeven aan het EU programma voor de terugkeer van Afghanen. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland hebben afzonderlijk een tripartite terugkeerovereenkomst afgesloten met de Afghaanse autoriteiten en UNHCR. Blijkens deze brief heeft verweerder, alhoewel de (mensenrechten)situatie in Afghanistan volgens verweerder reden geeft tot bezorgdheid, veel belang gehecht aan het beleid van de andere EU-landen en de initiatieven in EU-verband die er momenteel zijn met het oog op terugkeer naar Afghanistan.

2.20 Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voormelde op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 april 2003 gebaseerde bevindingen in zijn brief van 20 juni 2003 getoetst aan de uitgangspunten, neergelegd in artikel 3.106 Vb 2000, het in paragraaf C1/4.5 Vc 2000 neergelegde beleid, alsmede voormelde notitie van 23 mei 2001.

2.21 Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling oordeelt de rechtbank dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.22 Vervolgens constateert de rechtbank dat verweerder in het in paragraaf C1/4.5.4 van de Vc 2000 vastgelegde beleid – voor zover hier van belang – het navolgende heeft geformuleerd:

“Bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van een beleid van categoriale bescherming worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd.

Op de eerste plaats geldt dat er een algemeen onderzoek naar de situatie in het land van herkomst wordt ingesteld, waarbij feiten en omstandigheden in en ten aanzien van het land van herkomst worden meegewogen die niet altijd van belang zijn voor de beoordeling van een individuele aanvraag om toelating als vluchteling (…).

Op de tweede plaats geldt dat elke nieuwe beslissing wordt gebaseerd op nieuwe informatie over de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie of op een gewijzigd beleidsinzicht.

Op de derde plaats geldt dat de belangrijkste bron van informatie op dit punt de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn; deze geven de visie weer van de Regering op de situatie in landen van herkomst. De Minister van Buitenlandse Zaken is hiervoor politiek verantwoordelijk. Bij de opstelling van ambtsberichten wordt naast de door het ministerie van Buitenlandse Zaken ingewonnen gegevens, informatie uit andere gezaghebbende bronnen betrokken, zoals informatie verstrekt door onze buurlanden, internationale organisaties als UNHCR en mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Righs Watch. Indien laatstgenoemde informatie substantieel afwijkt van die van de Minister van Buitenlandse Zaken dan zal daar, voor zover relevant in het kader van de asielprocedure, melding van worden gemaakt en op worden ingegaan. Deze informatie wordt, gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en de politieke verantwoordelijkheid van verweerder, zorgvuldig bestudeerd, alvorens een beslissing wordt genomen over een eventueel beleid van categoriale bescherming. Informatie die door de Minister van Buitenlandse Zaken niet is meegenomen, wordt aan het ambtsbericht getoetst, alvorens op basis hiervan een beslissing over het beleid van categoriale bescherming wordt genomen. Indien daarbij nieuwe informatie uit een andere gezaghebbende bron, die in tegenspraak is met het gestelde in de ambtsberichten, naar voren komt, wordt de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagd zo nodig hierop gericht onderzoek te doen en uitsluitsel te geven”.

2.23 De rechtbank verstaat het hiervoor in rechtsoverweging 2.21 genoemde door de Afdeling geformuleerde criterium in samenhang met voornoemde beleidsregel aldus dat verweerder bij een beslissing over een eventueel beleid van categoriale bescherming kan uitgaan van de juistheid van een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, tenzij nieuwe informatie uit een andere gezaghebbende bron naar voren komt, die in tegenspraak is met het gestelde in dit ambtsbericht.

2.24 De rechtbank constateert dat na het bestreden besluit, behalve het voormelde ambtsbericht van 10 april 2003, onder meer de navolgende stukken zijn verschenen, waarop eiser zich heeft beroepen:

1. het rapport van Human Rights Watch, genaamd: “Human Rights Abuses in Southeast Afghanistan” van juli 2003;

2. het rapport van Amnesty International “Afghanistan, Out of Sight, out of mind, the fate of the Afghan returnees” van juni 2003;

3. de aanbiedingsbrief van dit rapport aan verweerder van 9 september 2003;

4. het UNHCR rapport “Aktualisierte Darstellung der Lage in Afghanistan” van september 2003;

5. het persbericht van 7 februari 2003, genaamd: Afghanistan: Continuing repatriation could causes destabilisation, says NG;

6. de brief van Amnesty International van 28 april 2003;

7. de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 17 juni 2003;

8. de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 1 september 2003 (Awb 03/45135 en 03/45134).

2.25 Zijdens eiser is betoogd dat uit het voormelde rapport van Human Rights Watch van juli 2003 kan worden afgeleid dat in Afghanistan niet incidenteel, zoals in het voormelde ambtsbericht van 10 april 2003 staat vermeld, maar veelvuldig en wijdverspreid, ook in Kabul en omgeving, mensenrechten worden geschonden door niet enkele, zoals in het voormelde ambtsbericht van 10 april 2003 staat beschreven, maar vele organen van de overgangsregering, althans onder verantwoordelijkheid en met medeweten van de overgangsregering. Het voormelde rapport van Human Rights Watch geeft daarmee – naar van de zijde van eiser is betoogd – een afwijkend beeld van de door de Minister van Buitenlandse Zaken in het voornoemde ambtsbericht geschetste situatie in Afghanistan.

2.26 Voorts is namens eiser aangevoerd dat uit het UNHCR advies van 10 juli 2002 en uit recentere UNHCR verklaringen blijkt dat vrijwillige terugkeer van Afghaanse asielzoekers naar Afghanistan wordt gefaciliteerd en dat verweerder daaruit ten onrechte heeft afgeleid dat vrijwillige terugkeer wordt gestimuleerd. Eiser heeft zich dienaangaande gebaseerd op het voormelde rapport van Amnesty International, genaamd “Afghanistan, Out of Sight, out of mind, the fate of the Afghan returnees” van juni 2003, de aanbiedingsbrief van dit rapport aan verweerder van 9 september 2003, en het persbericht van 7 februari 2003, genaamd: Afghanistan: Continuing repatriation could causes destabilisation, says NG. Derhalve heeft verweerder het UNHCR advies – aldus eiser – niet kunnen gebruiken als argument om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren ten behoeve van Afghaanse asielzoekers.

2.27 De rechtbank onderschrijft allereerst het oordeel van verweerder dat voormelde rapporten van Human Rights Watch, genaamd: “Human Rights Abuses in Southeast Afghanistan” van juli 2003, de UNHCR “Aktualisierte Darstellung der Lage in Afghanistan” van september 2003 en Amnesty International “Afghanistan, Out of Sight, out of mind, the fate of the Afghan returnees” van juni 2003 geen aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de actualiteit op hoofdlijnen van de in het ambtsbericht neergelegde informatie over de algehele situatie in Afghanistan, daar uit deze stukken niet is gebleken van informatie die in tegenspraak is met het voormelde ambtsbericht van 10 april 2003.

2.28 Terecht heeft verweerder gewicht toegekend aan het feit dat uit het voormelde rapport van Human Rights Watch van juli 2003 niet duidelijk is geworden of, en zo ja, in welke mate, de frequentie of omvang van de in dat rapport beschreven mensenschendingen groter is dan de in met name in de paragrafen 3.3, 3.3.4, 3.3.7, 3.3.8, 3.3.9, 3.4.1 en 3.4.2 van het ambtsbericht van 10 april 2003 gerelateerde schendingen, zodat verweerder evenzeer terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van het in het ambtsbericht gerelateerde, namelijk dat er geen aanwijzingen zijn dat (organen van) de overgangsregering op systematische wijze de mensenrechten schenden.

2.29 Daarnaast oordeelt de rechtbank met verweerder dat hetgeen in het voornoemde rapport van Amnesty International van juni 2003, de brief van Amnesty International van 9 september 2003 en het persbericht van 7 februari 2003 is weergegeven niet afdoet aan het feit dat het voormelde advies van UNHCR van 10 juli 2002 nog steeds van kracht is. Dit advies houdt, blijkens voormelde ambtsberichten van 19 augustus 2002 en 10 april 2003, in dat het advies van februari 2002 om de behandeling van lopende asielaanvragen te bevriezen is ingetrokken en asielzoekers actief kunnen worden voorgelicht over de mogelijkheden voor terugkeer, nu Afghanistan geschikt wordt geacht voor de (vrijwillige) terugkeer van een breed spectrum van Afghanen.

2.30 Voor zover van de zijde van eiser is betoogd dat verweerder zich in redelijkheid bij zijn besluit om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren voor Afghaanse asielzoekers niet heeft kunnen baseren op het voormelde UNHCR advies van 10 juli 2002 oordeelt de rechtbank als volgt.

Blijkens het in paragraaf C1/4.5.3.3 Vc 2000 geformuleerde beleid, waarvan is gesteld noch is gebleken dat dit als kennelijk onredelijk buiten toepassing behoort te worden gelaten, wordt bij elke beslissing om een beleid van categoriale bescherming te voeren onder meer rekening gehouden met de activiteiten van UNHCR, voor zover ze hiervoor een graadmeter vormen. In het algemeen betekent repatriëring van ontheemden en vluchtelingen dat een beleid van categoriale bescherming niet kan zijn geïndiceerd, hoewel het bestaan van repatriëring niet moet worden gezien als een conditio sine qua non voor het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming.

Een actief beleid van UNHCR dan wel steun/facilitering bij spontane terugkeer vanuit derde landen kan bevestigen dat er geen (beleidsmatige) beletselen (meer) bestaan om personen die in Nederland hun toevlucht hebben gezocht te laten terugkeren.

Gelet op voormelde beleidsregel, waarvan is gesteld noch gebleken dat deze als kennelijk onredelijk buiten toepassing behoort te worden gelaten, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij zijn besluit geen categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers te voeren niet (langer) heeft kunnen baseren op het voornoemde UNHCR advies van 10 juli 2002.

2.31 Van de zijde van eiser is voorts aangevoerd dat uit overgelegde persberichten en artikelen uit januari, februari, maart, oktober en november 2003 is gebleken dat de veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd en derhalve sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid dan wel volledigheid van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 april 2003. Voorts heeft eiser zich – naar de rechtbank begrijpt – op het standpunt gesteld dat hij met voormelde informatie voldoende gespecificeerd heeft aangegeven waarom verweerder in afwijking van een eerdere algemene beleidsbeslissing in redelijkheid in de overgelegde informatie aanleiding had moeten zien om aan Afghaanse asielzoekers categoriale bescherming te bieden.

2.32 De rechtbank oordeelt dat verweerder op goede gronden in de door eiser overgelegde persberichten en artikelen evenmin aanleiding heeft gezien om het bestreden besluit niet te handhaven.

Immers, genoemde berichten bevatten geen aanknopingspunten op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van het voornoemde ambtsbericht van 10 april 2003, reeds nu deze niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe uit een gezaghebbende bron afkomstige informatie, die in tegenspraak is met het gestelde in dat ambtsbericht. Daarenboven overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.19 en 2.20 hiervoor, dat verweerder, ofschoon hij uit het ambtsbericht van 10 april 2003 heeft afgeleid dat de algehele (mensenrechten-) situatie in Afghanistan is verslechterd in vergelijking met de periode waarop het ambtsbericht van 19 augustus 2002 betrekking heeft, geen aanleiding heeft hoeven zien om (opnieuw) een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers te voeren.

2.33 Voor zover van de zijde van de vreemdeling is betoogd dat verweerder in de verslechterde algehele (mensenrechten-)situatie aanleiding had behoren te zien om een categoriaal beschermingsbeleid te voeren, verwerpt de rechtbank dit betoog.

Blijkens de namens verweerder ter zitting gegeven toelichting heeft verweerder bij zijn besluit om het beleid om Afghaanse asielzoekers niet langer categoriale bescherming te bieden ongewijzigd voort te zetten met name gewicht toegekend aan de indicatoren b en c van artikel 3:106 Vb 2000. Zijdens verweerder is ter zitting te dier zake allereerst gewezen op het feit dat verweerder blijkens voormelde brief van 20 juni 2003 veel belang hecht aan het beleid van de andere EU-landen en de initiatieven in EU-verband die er momenteel zijn met het oog op terugkeer naar Afghanistan. In dit verband is van de zijde van verweerder gewezen op het feit dat het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk evenals Nederland tripartite terugkeerovereenkomsten hebben gesloten met de Afghaanse regering en UNHCR. Daarnaast is namens verweerder gewezen op het feit dat blijkens de pagina’s 69 tot en met 71 van het ambtsbericht van 10 april 2003 de Belgische en Deense autoriteiten vrijwillige terugkeerprogramma’s hebben opgezet.

Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2003 (reg. nr. 200301204/1, LJN: AI0102), oordeelt de rechtbank dat het relatieve gewicht van de in artikel 3.106 van het Vb 2000 neergelegde indicatoren voor een categoriaal beschermingsbeleid niet is vastgelegd en dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder in het in het TBV 2003/22 neergelegde beleid niet in redelijkheid groot gewicht heeft kunnen toekennen aan de b en c indicator.

2.34 Voorts oordeelt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2003 (reg. nr. 200305989/1, LJN: AO0668), dat verweerder in de overige van de zijde van de vreemdeling aangehaalde stukken en in bovengenoemde uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 1 september 2003, waarin behalve van het voornoemde rapport van Human Rights Watch van juli 2003 en Amnesty International van juni 2003 melding is gemaakt van de brieven van Human Rights Watch van 23 mei 2003, 18 juni 2003, 29 juli 2003 en 8 augustus 2003 en het rapport van UNHCR over het Zuidoosten van Afghanistan van juli 2003, genaamd “update of the situation in Afghanistan and International Protection Considerations”, evenmin aanleiding heeft hoeven zien voor een andersluidend oordeel. Te dien aanzien acht de rechtbank van belang dat van de zijde van de vreemdeling niet gespecificeerd is aangegeven waarom verweerder in afwijking van de door hem genomen beleidsbeslissing in voornoemde stukken aanleiding had moeten zien om aan Afghaanse asielzoekers categoriale bescherming te bieden.

2.35 Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat verweerder voor alle Afghaanse asielzoekers een vertrekmoratorium zou behoren te voeren, oordeelt de rechtbank dat deze stelling niet bij de beoordeling wordt betrokken. Nog daargelaten dat deze stelling eerst ter zitting is opgeworpen, kan deze niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu dit niet strekt tot weigering om voor eiser een vertrekmoratorium in te stellen.

2.36 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerders standpunt dat er geen rechtsgrond bestaat voor verlening van een verblijfsgunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De vraag of verweerder eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, is derhalve rechtens niet meer relevant en behoeft derhalve niet te worden beoordeeld.

2.37 Het beroep is dan ook ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. L.J.P. Lambooij, voorzitter, M.J.H. Schuurman en M.C. van der Mei, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 23 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden:23 april 2004