Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
16-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/30913, 02/30916
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / gemengd huwelijk.

Eiser bezit de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is van Armeense etnische afkomst. Eiseres bezit de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is van Azerbeidzjaanse etnische afkomst. In 1992 is hun dorp in Azerbeidzjan aangevallen en verwoest door Azeri’s. Daarop zijn eisers met hun jongste dochter gevlucht naar een plaats gelegen in de Armeense enclave Nagorno Karabach. Na verraad van hun verblijfplaats zijn eisers naar de Oekraïne gevlucht. Eisers stellen dat zij zich niet in Armenië kunnen vestigen. Eisers zijn van mening dat de Wet op het Staatsburgerschap in Armenië slechts op papier geldt; elke brief over een eventueel recht op de Armeense nationaliteit aan de Ambassade van Armenië in Brussel is onbeantwoord gebleven. De rechtbank is van oordeel dat blijkens de besluiten in primo niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen van de zijde van de Azerbeidzjaanse autoriteiten vanwege zijn Armeense afkomst nu is gebleken dat sinds de wapenstilstand met Armenië in 1994 geen sprake meer is geweest van etnische zuiveringen of gerichte acties van de Azerbeidzjaanse autoriteiten tegen personen van Armeense afkomst. Evenmin is gebleken dat de autoriteiten eisers niet zouden kunnen of willen beschermen tegen eventuele mogelijke problemen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage, zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02 / 30913 OVERIO

Reg.nr: AWB 02 / 30916 OVERIO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

A, eiser,

B, eiseres,

gezamenlijk aan te duiden als ‘eisers’

en

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, p/a De Immigratie- en Naturalisatiedienst, district Zuid-Oost, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder

Datum bestreden besluit: 15 april 2002

Kenmerk: 9911.05.2134

Behandeling ter zitting: 2 december 2003

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 22 juli 2002 treedt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

Bij separate besluiten van 15 april 2002 heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om toelating als vluchteling ongegrond verklaard.

Op 17 april 2002 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht voorzieningen te treffen die ertoe strekken de uitzetting achterwege te laten, totdat op hun beroep is beslist.

Bij uitspraak van 8 oktober 2003, geregistreerd onder kenmerk Awb 02/29421, Awb 02/29422, Awb 02/29637 en Awb 02/29648, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittinghoudende te Maastricht, de voorzieningen toegewezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van deze rechtbank op 2 december 2003, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen. Verweerder is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Eiser bezit de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is van Armeense etnische afkomst. Eiseres bezit de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is van Azerbeidzjaanse etnische afkomst. In 1992 is hun dorp C (Azerbeidzjan) aangevallen en verwoest door Azeri’s. Daarop zijn eisers met hun jongste dochter D gevlucht naar Stepanakert, gelegen in de Armeense enclave Nagorny Karabach. Eisers hebben daar verbleven bij hun andere dochter E en hun schoonzoon. Eiseres en haar jongste dochter bleven zoveel mogelijk binnen om de Azeri afkomst van eiseres geheim te houden. In een dronken bui heeft hun schoonzoon echter medio maart 1995 aan zijn vriend verteld dat zijn Azeri schoonmoeder bij hen inwoonde. Eisers zijn daarop uit het huis van hun dochter E en schoonzoon vertrokken en hebben ongeveer een jaar bij een vriendin, die een paar straten verderop woonde, verbleven. Rond 10 mei 1996 is eiseres daar door twee onbekende mannen mishandeld. Naar aanleiding van dit incident zijn eisers met hun dochter D op 15 mei 1996 naar de Oekraïne gevlucht. Vanaf maart 1999 moest hun dochter meerdere malen per week een nierdialyse ondergaan. De arts heeft in oktober 1999 geweigerd de nierdialyse uit te voeren aangezien eisers deze behandeling niet meer konden betalen. Daarbij kwam de angst voor ontdekking van hun illegale verblijf in de Oekraïne en het feit dat eiser op 25 oktober 1999 door de politie was opgepakt. Eiseres en haar dochter zijn toen, verstopt in een vrachtauto, naar Nederland gevlucht. Op 1 november 1999 is eiser na betaling van geld vrijgelaten. Nadat hij thuis was gekomen heeft hij van de huisbazin vernomen dat eiseres en hun dochter naar Nederland waren gegaan. Op 4 januari 2000 is eiser ook naar Nederland gegaan.

Eiseres heeft op 6 november 1999 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en eiser heeft dit op 22 januari 2000 gedaan. Ingevolge van artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) worden deze aanvragen aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komen en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

Verweerder stelt dat op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van hun asielrelazen nu eisers geen documenten of bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van hun asielaanvraag en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het ontbreken van deze documenten of bescheiden niet aan hen is toe te rekenen. Verweerder heeft verder overwogen dat het niet aannemelijk is dat eisers tussen 1992 en 1996 in de enclave Nagorny Karabach hebben verbleven, aangezien deze enclave sinds 1992 vrijwel uitsluitend door etnische Armeniërs werd bewoond. Verweerder heeft daarnaast overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser op grond van zijn Armeense afkomst te vrezen heeft voor de Azerbeidzjaanse autoriteiten en dat, voor zover verweerder ervan uitgaat dat eisers gedurende die periode wel verbleven hebben in de enclave Nagorny Karabach, het niet aannemelijk is dat eisers problemen hebben ondervonden ten gevolge van de Azerbeidzjaanse etniciteit van eiseres, aangezien haar etniciteit in haar omgeving bekend moet zijn geweest. Voorts acht verweerder het mogelijk dat eisers zich in Armenië vestigen.

3. Eisers bestrijden dat het ongeloofwaardig is dat zij tussen 1992 en 1996 in Nagorny Karabach hebben gewoond. Eisers hebben verklaard dat zij bij hun dochter zijn gaan wonen, zodat de dorpsbewoners er niet achter kwamen dat zij er woonden. Bovendien bleven eiseres en haar dochter zoveel mogelijk binnen.

Eisers stellen verder dat zij zich niet in Armenië kunnen vestigen. Eisers zijn van mening dat de Wet op het Staatsburgerschap in Armenië slechts op papier geldt: elke brief over een eventueel recht op de Armeense nationaliteit aan de Ambassade van Armenië in Brussel is onbeantwoord gebleven.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu niet aannemelijk is dat eisers geen enkel document hebben kunnen overleggen ter onderbouwing van hun identiteit, nationaliteit, etnische afkomst en herkomst, derhalve de geloofwaardigheid van hun asielrelazen op voorhand is aangetast.

Verweerder heeft daarnaast in de bestreden besluiten geconcludeerd dat, gelet op hetgeen in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan van augustus 2001 staat vermeld, het niet aannemelijk is dat de problemen die eiseres in 1996 hebben ondervonden hun grondslag vinden in de etniciteit van eiseres, aangezien deze etniciteit al bekend had moeten zijn in haar (directe) omgeving. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het feit dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van de onderhavige asielrelazen, verweerder niet enkel onder verwijzing naar enkele passages van een algemeen ambtsbericht kon oordelen dat de asielrelazen ongeloofwaardig zijn te meer nu eisers naar het oordeel van de rechtbank consistent en uitgebreid ter zake hebben verklaard.

Nu uit de bestreden besluiten valt af te leiden dat verweerder zich daarnaast op het standpunt heeft gesteld dat de asielrelazen onvoldoende zwaarwegend zijn, zal de rechtbank beoordelen of verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de wet, worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is. Ingevolge artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Azerbeidzjan niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen en - zoals in het geval van eiser - van Armeens etnische afkomst in het bijzonder, zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eisers zullen dus aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

De rechtbank is van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd. Zij overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat blijkens de in de bestreden besluiten ingelaste besluiten in primo niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen van de zijde van de Azerbeidzjaanse autoriteiten vanwege zijn Armeense afkomst nu is gebleken dat sinds de wapenstilstand met Armenië in 1994 er geen sprake meer is geweest van etnische zuiveringen of gerichte acties van de Azerbeidzjaanse autoriteiten tegen personen van Armeense afkomst. Evenmin is gebleken dat de autoriteiten eisers niet zouden kunnen of willen beschermen tegen eventuele mogelijke problemen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers terecht niet heeft aangemerkt als verdragsvluchtelingen. Eisers komen derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder a van de Vw 2000.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:70 van de Awb, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.J. Henzen in tegenwoordigheid van drs. J.C. Dubois als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2004 door mr. Henzen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

Verzonden op: 13 januari 2004