Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/41742
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / zorgvuldigheid.

De rechtbank stelt voorop dat niet in de Vc 2000 is neergelegd dat een gehoor in het kader van een onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag afgenomen dient te worden door een medewerker van de gespecialiseerde 1F-unit. Eises heeft niet aangegeven op welke onderdelen de afgenomen gehoren onzorgvuldig zijn geweest.

Eiser heeft nergens concreet aangevoerd op welke punten hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest zijn relaas naar voren te brengen of hij onvoldoende is ondervraagd. Nu eiser ook in beroep geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die in het nader dan wel aanvullend gehoor niet uitgebreid ter sprake zijn gekomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 Awb het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Ten aanzien van de vraag of verweerdr artikel 1F VSV heeft tegengeworpen is de rechtbank, gelet op de verkaringen van eiser, van oordeel dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemakt aan gedragen ex artikel 1F VSV. De rechtbank merkt op dat blijkens hoofdstuk C1/5.13.3 Vc 2000 het doel van een afwijzing van een asielaanvraag op grond van de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf of handeling als bedoeld in artikel 1F VSV is te voorkomen dat personen de strafrechtelijke gevolgen van hun daden ontlopen. Er is geen grond om aan te nemen dat in dit geval waarin er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord of doodslag de weigering van een asielvergunning onevenredig is ten opzichte met het door de weigering te dienen doel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 41742 BEPTDN H

inzake: A, geboren op [...] 1963, van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Spapens, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Pahladsingh, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 2 juli 2003 is de aanvraag van eiser van 14 april 2002 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 29 juli 2003 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 december 2003. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag in rechte stand kan houden.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.3 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is. In artikel 1, aanhef en onder l, Vw, in verband met onderdeel k van dat artikel, is bepaald dat onder verdragsvluchteling wordt verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, zijnde het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88), betreffende de status van vluchtelingen en het bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967,76), en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

2.4 Ingevolge artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.5 Volgens onderdeel C1/5.13.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) merkt verweerder als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b) Vluchtelingenverdrag onder meer aan: moord en doodslag.

2.6 In onderdeel C1/5.13.3.3 van de Vc worden drie verweren besproken die een vreemdeling kan inbrengen tegen het verwijt dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij één van de gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft begaan. Aangegeven wordt in hoeverre de vreemdeling al dan niet is gevrijwaard van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Onder het kopje “Zelfverdediging” is onder meer opgenomen dat indien de bedreiging waartegen betrokkene zich te weer zegt te hebben gesteld niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf, handelen uit zelfverdediging er in ieder geval niet toe leidt dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden.

2.7 Ingevolge artikel 31, tweede lid, sub k, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2.8 Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) wordt, indien artikel 1F Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw.

2.9 Volgens onderdeel C1/5.13.3 van de Vc wijst verweerder de aanvraag af op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

2.10 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd.

De problemen van eiser zijn in 2000 begonnen door een ruzie met B, de zoon van de regionale machthebber. Eiser heeft B bij een ruzie over niet betaalde goederen doodgestoken. Eiser vreest in Afghanistan vervolging door de familieleden van zijn slachtoffer.

2.11 Verweerder heeft in het bestreden besluit een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw geweigerd, omdat de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag ingevolge artikel 1F van dat verdrag niet op eiser van toepassing zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan door de moord of doodslag op B. Het verweer van eiser dat hij handelde uit zelfverdediging wordt verworpen, omdat hij zich aan het conflict en de agressie van B had kunnen onttrekken. De stelling van eiser dat het conflict een lange voorgeschiedenis heeft en dat een bemiddelingspoging is mislukt, doet daaraan niet af. De verklaring van eiser dat hij geen geduld meer had en zich niet meer kon beheersen, acht verweerder onvoldoende om te kunnen spreken van een ernstige gemoedsbeweging als gevolg waarvan de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. In het nader gehoor en de correcties en aanvullingen heeft eiser niets verklaard over een ernstige gemoedsbeweging. Nu eiser niets naar voren heeft gebracht waaruit overduidelijk blijkt dat er sprake is geweest van noodweerexces en hiervan overigens niet is gebleken, kan eisers beroep op noodweer en noodweerexces niet slagen.

Omdat artikel 1F, Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in de weg staat, komt eiser gelet op het bepaalde in artikel 3.107 Vb evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 Vw.

Aan de afwijzing van de aanvraag zijn de rechtsgevolgen verbonden die in artikel 45, eerste lid, Vw zijn opgesomd. Niet valt uit te sluiten dat eiser, gelet op het door hem gepleegde misdrijf, bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt te zullen worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Om deze reden heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat eiser (nog) niet naar zijn land van herkomst zal worden uitgezet.

2.12 Hiertegen heeft eiser in beroep het volgende ingebracht.

Verweerder heeft de geschiedenis die is voorafgegaan aan het incident en het feit dat eiser heeft geprobeerd het conflict op vreedzame wijze op te lossen door bemiddeling van wijze mannen, onvoldoende meegewogen. Eiser is niet naar B gegaan met de intentie hem te doden, zodat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake was van moord, doodslag dan wel zware mishandeling. Verweerder heeft voorts ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake was van zelfverdediging c.q. noodweerexces.

Gezien de ernst van de beschuldigingen had eiser tenminste aanvullend moeten worden gehoord.

2.13 Ter zitting heeft eiser daaraan nog toegevoegd dat de feitenvaststelling door verweerder onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het nader en aanvullend gehoor zijn ten onrechte niet verricht door een gespecialiseerde 1F unit, maar door de unit A2 regio Midden. Voorts heeft de UNHCR op 4 september 2003 nieuwe Guidelines inzake de uitvoering van de exclusion clauses openbaar gemaakt. Uit de Guidelines volgt onder meer dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag restrictief dient te worden geïnterpreteerd. Voorts wordt in paragraaf 78 van de bij de Guidelines behorende background note ingegaan op het vraagstuk van de proportionaliteit, de zogenaamde balancing test. De ernst van het delict moet volgens deze paragraaf worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van uitsluiting van het Vluchtelingenverdrag. In casu gaat het om een geïsoleerd incident tussen twee burgers die niet in een gelijkwaardige positie verkeerden, waardoor het toepassen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag disproportioneel is.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.14 Ten aanzien van de grief van eiser dat hij ten onrechte niet aanvullend is gehoord door een medewerker van de 1F unit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank wordt met deze grief gesteld voor de vraag of het onderzoek naar de vaststelling van de feiten op zorgvuldige wijze is uitgevoerd. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang. Op 31 oktober 2002 is eiser een nader gehoor afgenomen door een medewerker van de Regionale directie Midden van de IND. Hij is door een andere medewerker van diezelfde directie aanvullend gehoord op 10 januari 2003. Bij brief van 23 april 2003 heeft verweerder laten weten dat het dossier van eiser voor behandeling is overgedragen aan unit 1F van de Regionale directie Zuid-West. Medewerkers van deze unit hebben het voornemen en het bestreden besluit voorbereid. De rechtbank stelt voorop dat niet in de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat een gehoor in het kader van een onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag afgenomen dient te worden door een medewerker van de gespecialiseerde 1F unit. Eiser heeft bij zijn grief voorts niet aangegeven op welke onderdelen de afgenomen gehoren onzorgvuldig zijn geweest. Noch in zijn correcties en aanvullingen op de gehoren noch in zijn zienswijze en evenmin in beroep, heeft eiser concreet aangevoerd op welke punten hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest zijn relaas naar voren te brengen of hij onvoldoende is ondervraagd. Nu eiser ook in beroep geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die in het nader dan wel aanvullend gehoor niet uitgebreid ter sprake zijn gekomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 Awb het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Deze grief kan derhalve niet slagen.

2.15 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat artikel 1F (b) Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser.

2.16 Verweerder heeft het relaas van eiser geloofwaardig geacht. Onbetwist is dat eiser zijn slachtoffer B heeft neergestoken, waarop deze is overleden. Eiser heeft in zijn nader en aanvullend gehoor onder meer het volgende verklaard. Hij was bij zijn laatste bezoek aan B van plan zijn geld te innen. Toen eiser zijn geld vroeg heeft B gezegd dat hij zijn schuld niet wilde inlossen. Hij heeft eiser belachelijk gemaakt. Hij begon eiser met een houten stok te slaan, waarop eiser zichzelf heeft verdedigd. Hij heeft B een aantal keren met een mes gestoken, grotendeels in zijn borstkas. B is daardoor overleden. De ruzie duurde ongeveer 15 minuten. Daarna is eiser gevlucht.

2.17 Verweerder heeft op basis van het relaas van eiser geconcludeerd dat eiser in verband wordt gebracht met moord, dan wel doodslag. Bij de kwalificatie van deze gedragingen heeft verweerder de artikelen uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht als maatstaf genomen. De gedragingen worden door verweerder aangemerkt als het begaan van ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F (b) van het Vluchtelingenverdrag.

2.18 Uit het relaas van eiser, met name zijn verklaring dat hij B een aantal keren met een mes heeft gestoken waardoor deze is overleden, heeft verweerder mogen afleiden dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser B opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat sprake is van moord of doodslag hetgeen volgens onderdeel C1/5.13.3.2.2 van de Vc wordt aangemerkt als een ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b) Vluchtelingenverdrag.

2.19 Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat uit het relaas van eiser niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van noodweer. Door te steken met een mes heeft eiser niet proportioneel gereageerd op het belachelijk maken en het slaan met een stok door B, zodat eisers gedrag niet als noodweer kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de stelling van eiser dat sprake is geweest van noodweerexces overweegt de rechtbank dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat niet is gebleken dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het handelen van B. De enkele verklaring van eiser dat hij zichzelf niet meer kon beheersen, is hiertoe onvoldoende. Bovendien had eiser blijkens zijn relaas de mogelijkheid zich aan de ruzie en de agressie van B te onttrekken. Verweerder heeft hierbij tevens terecht betekenis toegekend aan het feit dat eiser eerst in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat hij zichzelf niet kon beheersen, en hij dit niet al in het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Het voorgaande brengt tevens mee dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat sprake is van een situatie waarin de bedreiging waartegen eiser zich te weer zegt te hebben gesteld niet opweegt tegen de ernst van het door hem begane misdrijf, zodat in overeenstemming met onderdeel C1/5.13.3.3.1 van de Vc zijn handelen uit zelfverdediging er niet toe leidt dat eiser daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden.

2.20 Gelet op de verklaringen van eiser heeft verweerder mogen aannemen dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F, onder b, Vluchtelingenverdrag.

2.21 Eiser heeft in zijn grieven onder meer verwezen naar de UNHCR Guidelines on International Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees van 4 september 2003 en naar de daarbij horende UNHCR Background Note on the Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees van dezelfde datum, waarin in paragraaf 78 de balancing test aan de orde komt. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) bevatten de Guidelines echter geen regels die verweerder kunnen binden bij de beoordeling van een aanvraag als die van eiser (zie de uitspraak van de ABRS d.d. 27 oktober 2003, met kenmerk 200305116/1). De rechtbank is van oordeel dat hetzelfde geldt voor de bij de Guidelines behorende Background Note en de daarin beschreven balancing test. Voorzover eisers betoog aldus moet worden begrepen dat hij stelt dat de weigering van een verblijfsvergunning asiel onevenredig is in verhouding tot het door hem gepleegde misdrijf en derhalve in strijd komt met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, Awb merkt de rechtbank het volgende op. Blijkens hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vc is het doel van een afwijzing van een asielaanvraag op grond van de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf of handeling als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen dat personen de strafrechtelijke gevolgen van hun daden ontlopen. Er is geen grond om aan te nemen dat in het geval van eiser waarin er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord of doodslag de weigering van een asielvergunning onevenredig is ten opzichte met het door de weigering te dienen doel. Het bestreden besluit is derhalve niet genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb.

2.22 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht geweigerd heeft eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw. Op grond van het bepaalde in artikel 3.107, eerste lid, Vb komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van één van de andere gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, Vw.

2.23 Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 3 EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat eiser niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst omdat dat in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. De grief van eiser dat aan hem een verblijfsvergunning dient te worden verleend omdat hij, ook volgens verweerder, een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Afghanistan, kan niet slagen. De vaststelling door verweerder dat uitzetting van eiser in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM geeft eiser geen aanspraak op een verblijfsvergunning. Aan het Vluchtelingenverdrag kan eiser een dergelijke aanspraak evenmin ontlenen, nu hiervoor is vastgesteld dat de bepalingen van dit verdrag vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F (b) Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing zijn.

2.24 Het beroep is ongegrond.

2.25 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, en mrs. J.M. Janse van Mantgem en A.J. Medze, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. H.A. de Graaf als griffier.

afschrift verzonden op: 26 maart 2004

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.