Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
22-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/55269 en 03/55270
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslistermijn na vernietiging besluit op asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Reg.nrs.: AWB 03/55269 en 03/55270

UITSPRAAK

met toepassing van artikel 8:54 Awb in de gedingen tussen:

[eiser 1],

geboren op […]1976,

[eiser 2],

geboren op […]1982,

beiden van Syrische nationaliteit,

eisers,

gemachtigde: mr. T. Pondaag, advocaat te Wageningen,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 17 mei 2002 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 17 december 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 18 augustus 2003 (en op die dag verzonden) gegrond verklaard en verweerder is daarbij opgedragen opnieuw te beslissen op de aanvragen van eisers.

Tegen het uitblijven van deze nieuwe beslissingen is namens eisers door hun gemachtigde bij brieven van 20 oktober 2003 beroep ingesteld.

2. Motivering

In zijn uitspraak van 18 augustus 2003 heeft de rechtbank niet bepaald binnen welke termijn verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvragen van eisers.

De gemachtigde van eisers heeft verweerder bij brief van 1 oktober 2003 uitgenodigd om binnen twee weken besluitvorming te realiseren en daarbij aangekondigd dat zij bij gebreke daarvan beroep zal instellen bij de rechtbank.

Op deze brief heeft verweerder niet gereageerd, waarna eisers gemachtigde beroep heeft ingesteld.

Bij brief van 5 november 2003 heeft verweerder eisers medegedeeld dat hij in de gevallen waarin de rechtbank in haar uitspraak geen termijn noemt een beslistermijn van 3 maanden hanteert. In het onderhavige geval wordt nader onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse zaken noodzakelijk geacht, waartoe op 29 oktober 2003 een verzoek is gedaan. Verweerder verwacht dat besluitvorming mede op basis van de resultaten van het nieuwe onderzoek binnen de genoemde drie maanden niet mogelijk zal zijn. Eisers worden om die reden verzocht in te stemmen met een langere beslistermijn. In het geval daarmee niet wordt ingestemd zegt verweerder toe dat hij besluitvorming zal realiseren op basis van de beschikbare informatie. Eisers is een reactietermijn van twee weken gegeven.

Het volgende wordt overwogen.

Ingevolge artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) is bepaald dat binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.

De rechtbank stelt vast dat in de Algemene wet bestuursrecht noch in de Vreemdelingenwet 2000 is voorzien in een beslistermijn in het geval na uitspraak van de rechtbank opnieuw op de aanvraag moet worden beslist.

De rechtbank is bekend met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 13 augustus 1998 (reg.nr.: EO3980585/P90) op grond waarvan de in artikel 7:10 van de Awb genoemde beslistermijn van overeenkomstige toepassing wordt geacht in geval verweerder na gegrondverklaring van het beroep opnieuw op het bezwaarschrift moet beslissen.

De rechtbank is van oordeel dat het onverkort volgen van die uitspraak zou leiden tot een niet-redelijke nieuwe beslistermijn van 6 maanden. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige dient te worden aangesloten bij de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde beslistermijn van 8 weken. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de indiening van de beroepschriften een redelijke beslistermijn was verstreken.

De rechtbank gaat bij haar oordeel voorbij aan verweerders verzoek van 5 november 2003 om uitstel van de beslistermijn aangezien dat verzoek is gedaan nadat de redelijk te achten beslistermijn reeds was verstreken. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat verweerder heeft verzuimd tijdig te reageren op de uitnodiging van eisers van 1 oktober 2003 om besluitvorming te realiseren.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat verweerder in weerwil van zijn brief van 5 november 2003 inmiddels al wel besluiten heeft genomen.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb verweerder een nadere termijn stellen waarbinnen op de aanvragen van eisers zal dienen te zijn beslist.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen hebben moeten maken. De beroepen worden daarbij aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Met toepassing van het Bpb kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt toe, waarbij een wegingsfactor van 0,25 wordt gehanteerd.

De beroepen zijn derhalve kennelijk gegrond.

3. Beslissing

de rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;

- bepaalt dat verweerder uiterlijk zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak beslissingen op de aanvragen van eisers van 17 december 2001 neemt;

- veroordeelt verweerder in de gezamenlijke proceskosten van eisers tot een bedrag van € 80,50 ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2004 in tegenwoordigheid van L. Schouwstra als griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank, sector bestuursrecht, afdeling vreemdelingenrecht, Postbus 362, 7200 AJ Zutphen. De indiener van het verzetschrift kan vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Vraagt hij dat niet dan kan van het horen worden afgezien.