Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7317

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/15084
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vietnam / onderzoeksplicht.

De rechtbank oordeelt dat van schending van artikel 3:2 Awb geen sprake is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser Vietnam heeft verlaten vanwege overeenkomstige problemen als die zijn familieleden tot 1991 in Vietnam hebben ondervonden en op grond waarvan zij in Nederland als vluchtelingen zijn toegelaten. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verweerder niet kan stellen dat de motieven van eiser niet samenvallen met die van zijn zussen. Voorzover eiser meent dat zijn asielmotieven niet volledig naar voren zijn gekomen was het aan hem om die motieven nader aan te vullen en niet aan verweerder om daarnaar onderzoek te doen. De omstandigheid dat de juistheid of volledigheid van de verklaringen van eiser vanwege zijn ziekte niet kan worden vastgesteld, kan gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000 niet voor rekening en risico van verweerder komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat nader onderzoek namens eiser naar eventuele aanvullende asielmotieven van eiser in Vietnam, niet onmogelijk was. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 03/15084

Datum uitspraak: 5 april 2004

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1955,

van Vietnamese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. R. Plieger,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. S.B.C. Visser,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 5 november 2000 heeft eiser toelating als vluchteling gevraagd. Bij besluit van 9 november 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiser heeft daartegen op 7 december 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 oktober 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 29 oktober 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het besluit van 3 oktober 2001 bij uitspraak van 25 juli 2002 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op 10 maart 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 maart 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.H.T.W. Zee.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aangezien de Vreemdelingenwet 2000 in werking is getreden voordat op het bezwaar was beslist, heeft verweerder (terecht) bezien of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Eiser heeft van 1973 tot en met augustus 1974 in de Vietnam-oorlog voor Zuid-Vietnam gevochten. Daarom werd hij in 1988 tegengewerkt bij het voltooien van zijn afstudeerproject en is hij uiteindelijk niet afgestudeerd. Vanwege zijn oorlogsverleden heeft hij nimmer werk gevonden. Eiser werd voorts door mensen uit zijn omgeving bespot omdat hij geen werk had, bij zijn ouders woonde en vanwege zijn oorlogsverleden. Daarnaast heeft eiser Vietnam verlaten omdat hij niet meer door twee van zijn zussen die in Nederland verblijven financieel werd ondersteund.

Verder is voor de beoordeling nog van belang dat eiser lijdt aan een chronische psychose (Schizofrenie) en dat familieleden van eiser in Nederland als vluchteling zijn toegelaten.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat vanwege zijn psychische ziekte niet kan worden vastgesteld welke waarde aan de verklaringen van eiser gehecht moet worden. Verweerder acht die verklaringen, voor zover daarvan wordt uitgegaan, voorts onvoldoende zwaarwegend voor inwilliging van de aanvraag. Daarbij heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de problemen van de als vluchteling toegelaten familieleden van eiser, voor eiser reden vormde om uit Vietnam te vertrekken.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daartoe heeft hij erop gewezen dat:

-uit de rapporten van gehoor niet blijkt dat verweerder tijdens de gehoren rekening heeft gehouden met de psychische gesteldheid van eiser;

-verweerder de dossiers van de als vluchteling toegelaten familieleden van eiser niet heeft ingezien;

-verweerder bij zijn beoordeling niet heeft kunnen afgaan op de verklaringen van de zus van eiser, nu ook zij de problematische communicatie met eiser niet kan ontlopen.

Eiser heeft voorts betoogd dat terugkeer naar Vietnam, vanwege zijn psychische ziekte, in strijd is met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), althans dat verweerder daarnaar onderzoek had dienen te verrichten alvorens het bestreden besluit te nemen.

Eiser stelt verder dat onbegrijpelijk is waarom verweerder aanneemt dat zich in Vietnam geen traumatische gebeurtenissen hebben voorgedaan op grond waarvan recht bestaat op inwilliging van de aanvraag op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Eiser heeft tot slot gesteld dat hij op grond van zijn medische situatie recht heeft op inwilliging van zijn aanvraag op grond van laatstgenoemde bepaling.

6. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

7. Dat verweerder tijdens het eerste en/of het nader gehoor onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de psychische toestand van eiser kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft eiser immers op zijn bezwaar gehoord, bij welke gelegenheid zijn psychische gesteldheid, blijkens het van dat gehoor opgemaakte rapport, is onderkend. Bovendien heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit, de in bezwaar naar voren gekomen feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de inhoud van de dossiers van de in Nederland als vluchteling toegelaten familieleden van eiser niet heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.

Verweerder heeft in bezwaar naast eiser, ook zijn zus, B, gehoord. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder voorts een brief van B van 21 november 2000 bij zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft in de verklaringen van eiser, bezien in samenhang met die van zijn zus en de inhoud van haar brief, geen aanleiding gevonden de aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in te willigen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser zijn land van herkomst heeft verlaten vanwege overeenkomstige problemen als die welke zijn familieleden tot 1991 in Vietnam hebben ondervonden en op grond waarvan zij in Nederland als vluchtelingen zijn toegelaten. Eiser heeft, ook in beroep, geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verweerder zich niet op het hierboven weergegeven standpunt heeft kunnen stellen. De verwijzing naar (het gebrek aan informatie over) de algemene situatie in Vietnam is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft verder volstaan met de stelling dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de dossiers van zijn familieleden niet in te zien. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling is om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit, vanwege het niet inzien van de dossiers, heeft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

9. In het licht van het voorgaande valt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet in te zien dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaringen van de zus van eiser bij zijn beoordeling te betrekken. De zorgvuldigheid van de besluitvorming was daarmee juist gediend. Voor zover (de gemachtigde van) eiser meent dat zijn asielmotieven niet volledig naar voren zijn gekomen was het aan hem om die motieven nader aan te vullen, niet aan verweerder om daarnaar onderzoek te doen. De omstandigheid dat de juistheid of volledigheid van de verklaringen van eiser vanwege zijn ziekte niet kan worden vastgesteld, kan gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 niet voor rekening en risico van verweerder komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat nader onderzoek namens eiser naar eventuele aanvullende asielmotieven van eiser in Vietnam, niet onmogelijk was.

10. Uit de uitspraken van het van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 2 mei 1997 (NJ 1998/583 en RV 1997/70) en 6 februari 2001 (JV 2001/103) volgt dat uitzetting alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Gelet op de omstandigheid dat eiser in Vietnam bij zijn ouders woonde, onder medische behandeling stond en overigens niet met feiten onderbouwd heeft aangegeven waarom hij in Vietnam geheel verstoken zal zijn van de noodzakelijke medische behandeling, heeft verweerder niet nader hoeven onderzoeken of terugkeer van eiser naar Vietnam vanwege zijn gezondheidssituatie strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Nu eiser ook in beroep niet concreet heeft onderbouwd dat in zijn geval van de hierboven bedoelde uitzonderlijke omstandigheden sprake is, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder heeft miskend dat eiser vanwege zijn psychische ziekte recht heeft een inwilliging van zijn aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De door de gemachtigde van eiser als gering ingeschatte kans op inwilliging van een eventuele aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier op medische gronden, kan aan het voorgaande niet afdoen.

11. Verweerder heeft uit hetgeen eiser heeft verklaard en in bezwaar naar voren is gekomen niet kunnen afleiden dat zich in Vietnam gebeurtenissen hebben voorgedaan op grond waarvan eiser vanwege het zogenoemde traumatabeleid recht heeft op inwilliging van zijn aanvraag. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien het bestreden besluit in dit opzicht uitvoeriger te motiveren. Voor zover eiser meent dat hij aan het traumatabeleid wel recht op inwilliging van zijn aanvraag kan ontlenen had het op zijn weg gelegen zulks in bezwaar te onderbouwen, hoe lastig dat gelet op zijn medische situatie ook was. Daartoe wijst de rechtbank op hetgeen zij in de laatste drie zinnen van rechtsoverweging 9 reeds heeft overwogen.

12. Eiser heeft eerst in beroep betoogd dat hij recht heeft op inwilliging van zijn aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 vanwege zijn medische situatie. Deze grond is tardief ingebracht en kan wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling worden betrokken.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, dan wel c, van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

14. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Klein Egelink en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2004 in tegenwoordigheid van mr. L.M. van den Berg als griffier.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.