Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7284

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2004
Datum publicatie
22-04-2004
Zaaknummer
AWB 04/9480, 04/9483
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / China.

Verzoeker heeft naar voren gebracht dat het beleid zoals vastgelegd in TBV 2001/34 onredelijk is, omdat het de betrokkene een onredelijke bewijslast oplegt. Deze stelling kan niet worden gevolgd, nu blijkens het beleid ruimte bestaat voor de individuele afweging dat in een specifieke regio mogelijk onvoldoende of ontoereikende opvang bestaat. Het beleid geeft daarmee ruimte om in een individueel geval concrete argumenten aan te dragen omtrent de mate waarin opvang mogelijk is in de herkomstregio van de betrokkene in China. Gelet op de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 3:2 Awb zal verweerder derhalve in voorkomende gevallen moeten onderzoeken of de algemene vaststellingen uit het ambtsbericht ook op de betreffende regio van toepassing zijn. Aan deze verplichting doet het beleid geen afbreuk. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Middelburg

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 04/9480, 04/9483

Inzake : A, verzoeker, gemachtigde mr. K. Kurt, medewerker Stichting Rechtsbijstand Asiel te ‘s-Hertogenbosch,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. A.L. de Mik, medewerker bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [...] augustus 1988 en de Chinese nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert aanvang februari 2004 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 23 februari 2004 heeft hij onderhavige aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft op 26 februari 2004 verzoeker schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Verzoeker heeft zijn zienswijze op dit voornemen schriftelijk naar voren gebracht.

Bij besluit van 26 februari 2004 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen en verzoeker aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten.

2. Op 27 februari 2004 heeft verzoeker tegen dit besluit beroep (geregistreerd onder nummer AWB 04/9480) ingesteld. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

3. De openbare behandeling van voornoemd verzoek heeft plaatsgevonden op 11 maart 2004. Verzoeker noch zijn gemachtigde is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (verder: de minister) ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verlenen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel, waarvoor verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 3.6, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (verder: Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, voor zover thans van belang, worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Ingevolge artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is een voorwaarde voor de aanwending van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, dat er naar het oordeel van de minister voor de alleenstaande minderjarige vreemdeling, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

Ingevolge de uitgangspunten als neergelegd in paragraaf C2/7.4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (verder: Vc 2000) moet, indien is gebleken dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling opvang behoeft, worden nagegaan of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst dan wel een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan. Indien in het landgebonden asielbeleid van verweerder is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is.

Volgens onderdeel C8 van de Vc 2000, inzake het landgebonden beleid ten aanzien van China, wordt op grond van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001 inzake de positie van minderjarigen in China aangenomen dat in het land adequate opvang aanwezig is. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen komen daarom niet in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder c, Vb 2000, tenzij in het individuele geval de vreemdeling aantoont dat er voor hem geen adequate opvang voorhanden is of dat hij aantoont dat er een reële kans is dat hij geplaatst wordt in een wees- of verzorgingshuis dat, naar lokale maatstaven gemeten, niet adequaat is.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f van het Vb 2000 wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22:00 tot 8:00 niet meetellen.

2. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte geen vergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft verleend. Hiertoe voert verzoeker aan dat het beleid van verweerder als neergelegd in TBV 2001/34 onvoldoende duidelijk is. Onduidelijk is hoe verzoeker aan de door verweerder verlangde bewijslast kan voldoen. De door verweerder genoemde ambtsberichten geven niet op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie om te concluderen dat er voor verzoeker adequate opvang zal zijn. De door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 4 juli 2003 kan niet als voldoende onderbouwing gelden nu de achtergrond van deze uitspraak onbekend is. Voorts wijst verzoeker op een notitie van mr. Collet, welke notitie dient te gelden als voldoende concreet aanknopingspunt om aan de juistheid van het ambtsbericht te twijfelen.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling nu er voor hem adequate opvang is in het land van herkomst.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker geen gronden heeft geformuleerd tegen de afwijzing van de asielaanvraag, zodat deze afwijzing thans in rechte vaststaat.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan de informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht. De door verzoeker overgelegde notitie van de heer Collet kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hetgeen verzoeker op dit punt in beroep overigens heeft aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

8. Verzoeker heeft voorts naar voren gebracht -onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 januari 2004- dat het beleid zoals vastgelegd in TBV 2001/34 onredelijk is omdat het aan de betrokkene een onredelijke bewijslast oplegt.

Deze stelling kan niet worden gevolgd nu blijkens het beleid ruimte bestaat voor de individuele afweging dat in een specifieke regio mogelijk onvoldoende of ontoereikende opvang bestaat. Het beleid geeft daarmee ruimte om -ook in het geval onvoldoende concrete aanknopingspunten worden aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van het voornoemde ambtsbericht- in een individueel geval concrete argumenten aan te dragen omtrent de mate waarin opvang mogelijk is in de herkomstregio van de betrokkene in China.

Gelet op de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht zal verweerder derhalve in voorkomende gevallen moeten onderzoeken of de algemene vaststellingen uit het ambtsbericht ook op de betreffende regio van toepassing zijn.

Aan deze verplichting doet het beleid geen afbreuk.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen concrete informatie naar voren heeft gebracht die zijn stelling kan onderbouwen dat voor hem geen adequate opvang voorhanden is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat thans is rechte vaststaat dat het asielrelaas van verzoeker ongeloofwaardig is.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder, gelet op het voorgaande, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voor verzoeker adequate opvang is in het land van herkomst.

9. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is.

Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) ongegrond verklaard. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank ’s-Gravenhage:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. B.J. Duinhof en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Bos, griffier.

De griffier

De rechter

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op: 16 maart 2004