Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7180

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
27-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1434 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Eisers hebben tot 1 oktober 2001 een vegetarisch restaurantbedrijf te Den Haag gedreven. Bij gelegenheid van een op 16 april 2002 en 17 juli 2002 aldaar uitgevoerde looncontrole is door verweerders looninspecteur onder meer geconstateerd dat zich in de administratie van eisers ten aanzien van een tiental werknemers geen afschriften van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID) bevonden. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/1434 CSV

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

de vennoten van (voorheen) [eiser], eisers,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluiten van 27 november 2002 in de vorm van correctienota’s heeft verweerder eisers er van in kennis gesteld dat zij over de jaren 1999 tot en met 2001 op onderdelen geen loonopgave hebben gedaan en dat daarover premie wordt nageheven. Tevens heeft verweerder bij besluiten van 2 december 2002 over diezelfde jaren boeten aan eisers opgelegd wegens schending van de loonopgaveverplichting.

Bij besluit van 6 maart 2003 de hiertegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 3 april 2003, ingekomen bij de rechtbank op 4 april 2003, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2003.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben bij brief van 7 oktober 2003 gerepliceerd.

Het beroep is op 19 februari 2004 ter zitting behandeld. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. S.E. Bins. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eisers hebben tot 1 oktober 2001 een vegetarisch restaurantbedrijf te Den Haag gedreven. Bij gelegenheid van een op 16 april 2002 en 17 juli 2002 aldaar uitgevoerde looncontrole is door verweerders looninspecteur onder meer geconstateerd dat zich in de administratie van eisers ten aanzien van een tiental werknemers geen afschriften van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID) bevonden.

Eisers zijn door de looninspecteur in de gelegenheid gesteld de afschriften van deze documenten alsnog in hun administratie op te nemen, maar eisers zijn daarin niet geslaagd.

Vervolgens heeft verweerder bij eisers over de jaren 1999 tot en met 2001 aanvullend premie voor de werknemersverzekeringswetten nageheven verband houdende met de herberekening van het brutoloon van de tien werknemers op grond van het anoniementarief dat eisers ingevolge artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet Lb) had moeten toepassen wegens het ontbreken van een afschrift van de vereiste documenten. Tevens heeft verweerder over dezelfde jaren boeten opgelegd omdat eisers de loonopgaveverplichting van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV) hebben overtreden. Tegen de premienaheffing en de boeteoplegging richten zich de beroepsgronden van eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft terecht geconstateerd dat eisers niet hebben voldaan aan de verplichting van artikel 90, derde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering 1997, kort gezegd inhoudende dat de werkgever de identiteit van de werknemer vaststelt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de WID en de aard, het nummer en een afschrift daarvan opneemt in zijn administratie.

Het niet nakomen van deze verplichting betekent dat ingevolge artikel 26b van de Wet Lb de belasting 60% voor de jaren 1999 en 2000 en voor 2001 52% bedraagt, welke tarieven eisers als inhoudingsplichtigen op het loon van de tien “anonieme” werknemers had moeten toepassen. Nu eisers dat niet hebben gedaan en aldus te weinig loonbelasting en/of premie volksverzekeringen hebben ingehouden, genieten de desbetreffende werknemers in beginsel een voordeel uit dienstbetrekking ten bedrage van de niet ingehouden loonbelasting en premie.

Eisers hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2003, nr. 436, gepubliceerd in RSV 2003/236, naar voren gebracht dat van een voordeel uit dienstbetrekking geen sprake kan zijn indien de Inspecteur van de Belastingdienst afziet van naheffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen. Zij hebben in dit verband gewezen op het rapport van 6 mei 2003 van de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag, waaruit blijkt dat de Inspecteur de door eisers nagezonden afschriften van de identiteitsbewijzen van zeven van de tien werknemers alsnog heeft geaccepteerd en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig heeft aangepast.

Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is van een voordeel uit dienstbetrekking geen sprake in het geval de Belastingdienst van toepassing van het zogenoemde anoniementarief en daarmee van naheffing afziet. Alsdan blijkt dat de werkgever, achteraf bezien, geen onjuiste inhoudingen heeft gedaan en de werknemers destijds correcte bedragen als nettoloon hebben ontvangen, zonder dat deze nettobedragen alsnog aanpassing behoeven wegens het van toepassing zijn van een ander tarief. Daarmee ontbreekt de grondslag voor het naheffen van premies door verweerder.

Weliswaar mocht verweerder er ten tijde van het bestreden besluit van uitgaan dat de Belastingdienst met toepassing van het anoniementarief tot naheffing zou overgaan, doch nu het tegendeel is komen vast te staan behoort het gevolg daarvan voor verweerders risico te komen.

Voor de onderhavige zaak houdt dit in dat verweerder ten onrechte tot naheffing van premie werknemersverzekeringen met betrekking tot de desbetreffende zeven werknemers van eisers heeft besloten. De daarmee verbandhoudende boeteoplegging kan evenmin stand houden. In zoverre is het beroep gegrond.

De premienaheffing van de overige drie werknemers, [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] kan wel stand houden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eisers te kennen hebben gegeven de nageheven loonbelasting en/of premie volksverzekering niet op de drie werknemers te verhalen. De omstandigheid dat de fiscale naheffing pas in 2003 plaatsvindt en eisers verhaal achterwege zullen laten omdat het praktisch onmogelijk zou zijn, is een keuze van eisers die voor hun rekening dient te blijven.

De met de naheffing samenhangende boeteoplegging kan daarom ook standhouden.

Het beroep is gegrond voor zover het zich richt tegen de premienaheffing en boeteoplegging betreffende de werknemers [4 t/m 10] en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, welke kosten aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,=.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, wat betreft de hoogte van de premienaheffing en de boeteoplegging;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 232,= vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,=, welke kosten het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eisers moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2004 in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,