Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7176

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
15-06-2004
Zaaknummer
AWB 04/653 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een bouwvergunning eerste fase is verleend voor het vergroten van woningen. Beroep door omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 04/653 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A en anderen, wonende te B, verzoekers,

ten aanzien van de besluiten van 18 december 2003, nummers 2003/0292 en 2003/0293, van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp, verweerder, waarbij aan X en Y, vergunninghouders, een bouwvergunning eerste fase is verleend voor het vergroten van hun woningen op de percelen kadastraal bekend gemeente Leiderdorp, sectie […], nummers […], plaatselijk bekend […]plein […] en […] te B.

Tegen die besluiten hebben verzoekers, wonende […]dreef […] te B, bij brief van 26 januari 2004 bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers bij brief van 13 februari 2004 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 10 maart 2004, waar van verzoekers zijn verschenen de heer A, mevrouw B, mevrouw C en de heer en mevrouw D. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Borst. Tevens zijn de vergunninghoudersX en Y in persoon verschenen.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat er in het geval van verzoekers geen sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, omdat nog niet mag worden gebouwd. Verweerder wijst er op dat nog geen aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet.

Het besluit tot verlening van een bouwvergunning eerste fase is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

De mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen is door de wetgever uitdrukkelijk voorzien. Verzoekers hebben belang bij een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de genomen besluiten. Van degene die bezwaar maakt tegen een bouwplan kan niet worden gevergd dat hij de indiening van een verzoek om voorlopige voorziening afhankelijk stelt van de indiening van de aanvraag tweede fase, ook al is bepaald dat die aanvraag moet worden gepubliceerd. Schorsing van de bouwvergunning eerste fase leidt ertoe dat de aanvraag voor de bouwvergunning tweede fase moet worden aangehouden. Het zou in strijd zijn met het doel waartoe de twee fasen- verlening in het leven is geroepen indien het debat over de rechtmatigheid van de bouwvergunning eerste fase zou worden uitgesteld tot na de verlening van de bouwvergunning tweede fase. Dat eerst met de bouw mag worden begonnen nadat deze laatste bouwvergunning is verleend doet daar niet aan af.

De vergunde bouwplannen voorzien in een vergroting van de woningen […]plein […] te B op de eerste etage door het dichtbouwen van een open ruimte tussen de reeds bestaande opbouwen.

Verzoekers hebben bezwaar tegen de vergroting. De uitbreiding doet grote afbreuk aan het karakter van de desbetreffende woningen op zich en eveneens afbreuk aan het karakter van de […]dreef. Verzoekers hebben grote moeite met het oordeel van de welstandscommissie. Zeker is dat de beoordeling niet heeft plaatsgevonden na een bezoek op locatie. Verder bevreemdt het verzoekers dat er geen overleg heeft plaatsgevonden met de architect van deze woningen. Daarnaast menen verzoekers dat de opbouw zal leiden tot een aanzienlijke inperking van het uitzicht en een verdere afname van de privacy. Tot slot vragen zij zich af hoe het mogelijk is dat woningen die gebouwd zijn voor en toegewezen aan senioren verbouwd kunnen worden tot grote eengezinswoningen. Daarmee wordt de schaarste aan seniorenwoningen alleen maar groter.

Ingevolge artikel 56a van de Woningwet (Ww) mag slechts en moet een bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan de stedebouwkundige voorschriften van de bouwverordening, in strijd is met het bestemmingsplan of indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

De bouwvergunning mag niet op andere gronden worden geweigerd.

Voor een afweging van de belangen van de aanvrager van de bouwvergunning tegen de belangen van bijvoorbeeld omwonenden die bezwaar hebben tegen het bouwplan, is derhalve in beginsel geen ruimte.

Voorts mogen bezwaren en argumenten die niet onder één van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden kunnen worden geschaard door verweerder niet worden betrokken in de beantwoording van de vraag of bouwvergunning moet worden verleend.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Binnenhof". Het plandeel waarop onder meer de woningen […]plein […] zijn gebouwd heeft

de bestemming “Woondoeleinden (W(a)I) -aaneengesloten woningen-”.

Van artikel 7 van de planvoorschriften, dat deze bestemming regelt, zijn de volgende bepalingen van belang.

In artikel 7, lid 3.1, aanhef en onder a1, is bepaald dat op de gronden met die bestemming uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd, met dien verstande, dat de woningen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.

In artikel 7, lid 3.1, aanhef en onder c is -voor zover hier van belang- bepaald dat binnen de op de kaart gegeven bebouwingsvlakken achter de codering -W- een nadere aanwijzing is gegeven, waarbij bij de nadere aanwijzing (a) uitsluitend blokken van ten minste drie aaneengesloten eengezinswoningen mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 7, lid 3.1, aanhef en onder d1, dienen, voor zover op de kaart binnen een bebouwingsvlak of gedeelte daarvan de aanduiding “bebouwingsklasse” is gegeven, de hoofdgebouwen te voldoen aan hetgeen in de op de kaart aangegeven tabel “maatvoering van gebouwen” is bepaald.

In het onderhavige geval is een aanduiding I opgenomen.

Voor woningen met deze aanduiding geldt een maximum goothoogte voor en achter van 6 meter en een maximum hoogte van 9 meter.

Het bestemmingsplan maakt geen hoogte-onderscheid voor de verschillende delen van de bebouwing.

In het bestemmingsplan is geen bepaling opgenomen aangaande woningen speciaal bestemd voor senioren. Het gebruik als eengezinswoning is met het plan in overeenstemming. Dat de bouw niet plaatsvindt met het oog op gebruik door senioren kon dus geen rol spelen bij de besluitvorming.

Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de bouwplannen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.

De welstandscommissie heeft verweerder in een brief gedateerd 10 december 2003 medegedeeld akkoord te gaan met de onderhavige bouwplannen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat dit advies op zichzelf, naar wijze van totstandkoming en naar inhoud, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid, in navolging van het ter zake uitgebrachte advies van de welstandscommissie, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onderhavige bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet. In dit verband is van belang dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 18 februari 2000, stamnummer H01.99.0457, gepubliceerd in AB 2000, 186, de welstandstoets niet mag leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

Dat een tussenstuk tussen de bestaande bovenverdiepingen mocht worden gebouwd vormde voor de welstandscommissie dus een gegeven, waarvan bij de beoordeling van de plannen moest worden uitgegaan.

Er is niet gebleken dat zich een van de (andere) in artikel 44 van de Woningwet weigeringsgronden voordoet. In de bezwaren van verzoekers kan dan ook geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat verweerder de gevraagde bouwvergunningen had moeten weigeren.

Gelet hierop komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier G.J. Buitendijk.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: