Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7162

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/65767, 03/65765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Amv / leeftijdsonderzoek / vergewisplicht.

Volgens verzoeker voldoet het leeftijdsonderzoek niet aan de eisen die in de Afdelingsuitspraak 200304904/1 van 23 oktober 2003 zijn gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op zichzelf parafering van de beoordelingen van de röntgenfoto’s kan volstaan als het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid voor de inhoud van de beoordeling, mits door verweerder kan worden vastgesteld dat de paraaf afkomstig is van een ter zake deskundige medicus, in dit geval een radioloog, die in die hoedanigheid onder toezicht staat. Op basis van de antwoorden van verweerder op de door de voorzieningenrechter gestelde vragen concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder niet beschikt over de namen van de betrokken radiologen en niet controleert of de beoordeling van de röntgenfoto’s daadwerkelijk door radiologen is uitgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt de vergewisplicht in dat verweerder zich vooraf ervan vergewist dat de beoordeling heeft plaatsgevonden door ter zake deskundige radiologen. Dat door verweerder zonder meer achteraf is na te gaan welke radiologen de röntgenfoto’s hebben beoordeeld en het verslag van bevindingen hebben ondertekend, volstaat niet. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht en heeft de resultaten van het leeftijdsonderzoek niet ten grondslag kunnen leggen aan het besluit tot afwijzing van de vergunning amv. Beroep in zoverre gegrond. Afwijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 65767 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 03 / 65765 BEPTDN H (beroepszaak)

IND nr.: 0311.07.0223

inzake: A, gestelde geboortedatum [...] maart 1987, toegekende geboortedatum [...] juli 1982, van Somalische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium (de Weg) te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. Vermeij, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Gobardhan, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 17 december 2003 is de door verzoeker op 7 november 2003 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. In dit besluit heeft verweerder tevens ambtshalve een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv-vergunning) geweigerd. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 18 december 2003 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 18 december 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 15 januari 2004. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de door de voorzieningenrechter ter zitting gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden. Hiervan heeft verweerder op 16 januari 2004 gebruik gemaakt. De gemachtigde van verzoeker heeft bij schrijven van 16 januari 2004, door de rechtbank ontvangen op 19 januari 2004, gereageerd. Hierop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De kern van het asielrelaas betreft het volgende.

Verzoeker behoort tot de bevolkingsgroep van de Ashraf. Verzoekers vader is voor de tweede keer getrouwd met een vrouw, die eerder getrouwd is geweest met een man van de Hawiye stam. In 1994 hebben leden van Habr Gedir, de grootste substam van de Hawiye, verzoekers vader en zijn tweede vrouw vermoord en verzoekers oudste broer verminkt. Verzoeker is op aanraden van zijn moeder gevlucht naar B. Daar is verzoeker opgepakt door C, die tot de Hawiye stam behoort en gedwongen als slaaf voor hem te werken in zijn theehuis. In 2000 hoorde verzoeker dat zes van zijn broers en zussen in 1999 zijn gedood toen hun huis in brand is gestoken. Eén zus is ernstig verbrand en zijn moeder is blind en verminkt geraakt. In 2001 zijn de Hawiye naar B gekomen om verzoeker te pakken en te mishandelen. Somalische notabelen hebben verzoeker vrij kunnen krijgen en hem aangeraden te vluchten. Verzoeker is gevlucht naar Kenia en verbleef tot eind 2002 bij een vriend in Nairobi. Daar verspreidden leden van de Hawiye stam het verhaal dat verzoeker homoseksueel zou zijn, waardoor de Sjeik en Iman oordeelden dat verzoeker en zijn vriend gedood moesten worden. Verzoeker is gevlucht naar Tanzania en vandaar met de bus naar Zuid-Afrika gereisd. Verzoeker is vanuit Zuid-Afrika met het vliegtuig op 7 november 2003 naar Nederland gekomen. Thans stelt verzoeker te worden gezocht vanwege zijn vermeende homoseksualiteit.

2.4 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft hiertoe het volgende overwogen.

Verzoeker heeft toerekenbaar geen enkel document ter staving van zijn identiteit en nationaliteit overgelegd. De door verzoeker in dit verband naar voren gebrachte verklaring dat de reisagent de documenten steeds in handen heeft gehad wordt door verweerder als onvoldoende verschoonbaar van de hand gewezen. Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute, nu verzoeker daaromtrent zeer summiere verklaringen heeft afgelegd en slechts in algemene termen over zijn reis kan vertellen. Het voorgaande doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas. Daarbij komt, aldus verweerder, dat verzoeker onbetrouwbare verklaringen heeft afgelegd over zijn geboortedatum en leeftijd. Uit het leeftijdsonderzoek van 20 november 2003 is gebleken dat verzoeker minimaal twintig jaar is. In dit verband stelt verweerder zich op het standpunt dat thans, middels de ondertekening met een paraaf, wordt voldaan aan de eis dat de deskundige radiologen verantwoordelijkheid nemen voor de onderzoeksresultaten. De onbetrouwbare verklaringen van verzoeker over zijn geboortedatum in samenhang met de conclusie ten aanzien van het ontbreken van documenten, doen ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van verzoeker en zijn asielrelaas.

Voorts wordt overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden die tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat verzoeker zich als tegenstander van de (lokale) Somalische machthebbers heeft geprofileerd en dat voor hem negatieve belangstelling zal bestaan bij terugkeer naar Somalië. Voorts wordt niet aannemelijk geacht dat verzoeker te vrezen heeft van de Habr Gedir- bevolkingsgroep vanwege een groot aantal onaannemelijke en bevreemdingwekkende verklaringen, die zijn gebaseerd op eigen vermoedens van verzoeker. Verweerder acht de gestelde vervolging volstrekt niet aannemelijk. Voor zover al geloof wordt gehecht aan de door verzoeker gestelde problemen in Kenia, dan leidt dit niet tot een ander oordeel, nu de asielaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van hetgeen verzoeker stelt te hebben ondervonden in het land waarvan hij de nationaliteit bezit, te weten de Somalische nationaliteit.

Aan de situatie in zijn directe woonomgeving kan verzoeker zich onttrekken door zich op te houden in de relatief veilige gebieden.

Verweerder heeft ambtshalve overwogen dat verzoeker op basis van het leeftijdsonderzoek wordt aangemerkt als evident meerderjarig en om die reden niet in aanmerking komt voor een amv-vergunning.

2.5 Verzoeker heeft in beroep naar voren gebracht dat hij afkomstig is uit Mogadishu en behoort tot een minderheidsgroep. Ondanks de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is verzoeker van mening dat onvoldoende vast staat dat hij zich veilig zal kunnen ophouden in de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2003 genoemde veilige gebieden. Voorts heeft verzoeker naar voren gebracht dat het leeftijdsonderzoek niet voldoet aan de eisen die de ABRvS daaraan in zijn uitspraak van 23 oktober 2003, 200304904/1, stelt. Het opnemen van een paraaf op het onderzoeksverslag garandeert niet dat deze afkomstig is van de radioloog die het onderzoek heeft verricht en daarvoor verantwoordelijkheid heeft genomen. Deze wijziging in de verslaglegging kan slechts als een cosmetische verandering worden beschouwd en heeft de bezwaren van de ABRvS niet weggenomen. Het leeftijdsonderzoek van 20 november 2003 is ten onrechte aan de weigering van een amv-vergunning ten grondslag gelegd.

2.6 Verweerder is de gelegenheid geboden de ter zitting gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden. De vragen die door verweerder bij schrijven van 16 januari 2004 zijn beantwoord luiden als volgt:

1. Zijn de personalia van de radiologen die de röntgenfoto’s van de sleutelbeenderen en het hand/polsgebied hebben beoordeeld bij verweerder bekend?

2. Hoe heeft verweerder in casu invulling gegeven aan de vergewisplicht?

Verweerder heeft hierop als volgt geantwoord:

Allereerst zijn de personalia van de betreffende ondertekenaars van de röntgenfoto’s van de sleutelbeenderen en het hand/polsgebied via de heer van der Pas bij verweerder bekend. Door verweerder is zonder meer na te gaan welke radiologen het onderzoek in de desbetreffende zaak hebben uitgevoerd. Voorts is verweerder van mening dat door de ondertekening van de radiologen van hun bevindingen middels een paraaf, kenbaar is dat zij de verantwoordelijkheid hebben en nemen van de door hen uitgevoerde radiologische beoordelingen. Nu zonder meer na te gaan is welke radiologen de röntgenfoto’s hebben beoordeeld en derhalve het verslag van bevindingen hebben ondertekend, is verweerder van mening dat hiermee is voldaan aan de vergewisplicht.

2.7 Verzoeker heeft in zijn reactie op de antwoorden van verweerder er op gewezen dat ter zitting de vraag is gesteld of verweerder over een lijst van namen van radiologen beschikt met de daarbij behorende parafen, die betrokken worden bij het leeftijdsonderzoek. De gemachtigde van verweerder is het antwoord op deze vraag schuldig gebleven. Voorts is de gemachtigde van verweerder het antwoord op de vraag hoe invulling wordt gegeven aan de vergewisplicht schuldig gebleven. Verzoeker heeft bij zijn reactie een uittreksel overgelegd van een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2003, AWB 03/60773, waarin deze oordeelt dat de omstandigheid dat de beide radiologen een paraaf en een datum zetten op de beoordeling en de minister strikt vertrouwelijk kan worden geïnformeerd over de naam van de betrokken radioloog, tekortschiet waar het gaat om de door de Afdeling geformuleerde vergewisplicht.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt de aanvraag afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.9 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.10 Verweerder heeft zich ingevolge laatstgenoemd artikel op het standpunt gesteld dat de onbetrouwbare verklaringen van verzoeker over zijn geboortedatum in samenhang met de conclusie ten aanzien van het ontbreken van documenten ernstig afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van verzoeker en zijn asielrelaas. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de gevolgtrekking dat verzoeker zich als tegenstander van de (lokale) Somalische machthebbers heeft geprofileerd en dat voor hem negatieve belangstelling zal bestaan bij terugkeer naar Somalië. Voorts acht verweerder niet aannemelijk dat verzoeker te vrezen heeft van de Habr Gedir-bevolkingsgroep vanwege een groot aantal onaannemelijke en bevreemdingwekkende verklaringen, die zijn gebaseerd op eigen vermoedens van verzoeker. Verweerder acht de gestelde vervolging niet aannemelijk.

2.11 Voorgaand standpunt van verweerder ten aanzien van de afwijzing van het asielverzoek is in beroep niet bestreden. Voor wat betreft de afwijzing van het asielverzoek is in beroep aangevoerd dat onvoldoende vast staat dat verzoeker zich veilig zal kunnen ophouden in de in het ambtsbericht van september 2003 genoemde veilige gebieden. Deze beroepsgrond kan eerst aan de orde komen indien verweerder zich in redelijkheid niet op het hiervoor samengevatte standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoeker ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk is. Nu het beroepschrift zich hiertegen niet richt dient het standpunt van verweerder omtrent de ongeloofwaardigheid en onaannemelijkheid als uitgangspunt te gelden. De rechtbank komt derhalve aan bespreking van de aangevoerde beroepsgrond in het kader van de afwijzing van de asielvergunning niet toe. Deze grief treft dan ook geen doel. De rechtbank zal het beroep, voor zover het betreft de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel, ongegrond verklaren.

2.12 Met betrekking tot de beroepsgrond dat het leeftijdsonderzoek niet voldoet aan de eisen die de ABRvS daaraan in zijn uitspraak van 23 oktober 2003 stelt en dat verweerder het leeftijdsonderzoek ten onrechte aan de weigering van een amv-vergunning ten grondslag heeft gelegd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.13 De ABRvS heeft zich in eerdergenoemde uitspraak van 23 oktober 2003 uitgesproken over het leeftijdsonderzoek en geoordeeld dat verweerder zich ingevolge artikel 3:2 Awb ervan dient te vergewissen dat het onderzoek op deugdelijke en zorgvuldige wijze is verricht indien hij zijn besluitvorming mede wenst te baseren op een leeftijdsonderzoek. Verweerder dient zich dan te richten tot een adviseur die beschikt over de deskundigheid die noodzakelijk is voor het te verrichten onderzoek. Om te kunnen beoordelen of dit onderzoek zorgvuldig is verlopen en volledig is geweest, moet verweerder beschikken over een verslag van de bevindingen waarvoor de deskundige blijkens de ondertekening van dat verslag de verantwoordelijkheid neemt, ook als hij zijn naam niet op voorhand bekend wenst te maken. In het dossier bevinden zich geen ondertekende verklaringen van de radiologen die deze beoordeling hebben verricht en bij verweerder is ook niet bekend wie deze radiologen zijn, zodat hij in geval van een mogelijk andersluidende contra-expertise op basis van dezelfde röntgenfoto’s niet in de mogelijkheid verkeert zich met hen te verstaan, aldus de ABRvS.

2.14 Uit het leeftijdsonderzoek dat op 20 november 2003 heeft plaatsgevonden en waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van drs. H.Th. van der Pas van 21 november 2003, is gebleken dat de verzoeker ten tijde van zijn asielaanvraag niet als minderjarig kan worden aangemerkt. Gelet op het resultaat van het leeftijdsonderzoek heeft verweerder aan verzoeker de fictieve leeftijd van [...] juli 1982 toegekend. Het leeftijdsonderzoek bestaat uit een verslag van een onderzoek naar de leeftijd van verzoeker, waarbij als bijlagen onder meer vier beoordelingen zijn gevoegd. Twee verschillende personen hebben de röntgenfoto’s van het hand/polsgebied en van de sleutelbeenderen beoordeeld en deze beoordelingen geparafeerd en gedateerd op 20 respectievelijk 21 november 2003. Blijkens het onderschrift bij de beoordelingen zijn deze verricht door een radioloog en kan de minister strikt vertrouwelijk geïnformeerd worden over de naam van de betrokken radioloog.

2.15 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op zichzelf parafering van de beoordelingen van de röntgenfoto’s kan volstaan als het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid voor de inhoud van de beoordeling, mits door verweerder kan worden vastgesteld dat de paraaf afkomstig is van een ter zake deskundige medicus, in dit geval een radioloog, die in die hoedanigheid onder toezicht staat.

Op basis van de hiervoor weergegeven antwoorden van verweerder op de ter zitting door de voorzieningenrechter gestelde vragen concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder niet beschikt over de namen van de betrokken radiologen en niet controleert of de beoordeling van de röntgenfoto’s daadwerkelijk door radiologen is uitgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt de vergewisplicht in dat verweerder zich vooraf, voordat een besluit op basis van de beoordelingen van de röntgenfoto’s wordt genomen, ervan vergewist dat de beoordeling heeft plaatsgevonden door ter zake deskundige radiologen. Dat door verweerder zonder meer achteraf is na te gaan welke radiologen de röntgenfoto’s hebben beoordeeld en het verslag van bevindingen hebben ondertekend, volstaat derhalve niet.

2.16 Onder voornoemde omstandigheden heeft verweerder niet voldaan aan zijn vergewisplicht en heeft hij de resultaten van het leeftijdsonderzoek niet ten grondslag kunnen leggen aan het besluit tot afwijzing van de amv-vergunning.

Het besluit zal voor wat betreft de weigering van de amv-vergunning worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep zal in zoverre gegrond worden verklaard.

2.17 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.18 In dit geval bestaat aanleiding verweerder met toepassing van de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van deze bedragen te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel;

3.2 verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling;

3.3 vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2003 voor zover het de weigering van de verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft;

3.4 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen voor wat betreft de verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling;

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2004, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra als griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.