Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6995

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
05-04-2004
Zaaknummer
09/037075-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft zich op 9 november 2002 schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn ex-vriendin (hierna: [slachtoffer]), terwijl zij op dat moment lag te slapen. Verdachte is bewust 's nachts het huis van [slachtoffer] ingeklommen, heeft zich vervolgens uitgekleed, is naast haar in bed gaan liggen en heeft haar vervolgens seksueel betast, terwijl zij zich op dat moment daartegen niet kon verzetten omdat zij sliep. (...) Voorts werd op 11 februari 2003 een drietal filmpjes die kinderporno bevatten op de computer van verdachte aangetroffen. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/037075-03

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 2 april 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 maart 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.G. Koopman, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Barkhuijsen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook indien dit behandeling bij De Waag inhoudt, alsmede een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] en een verbod om op het adres van [slachtoffer] te komen, te weten het adres [adres] en [adres], alleen de oneven nummers.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 meest subsidiair en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straf het volgende overwogen. Verdachte heeft zich op 9 november 2002 schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn ex-vriendin (hierna: [slachtoffer]), terwijl zij op dat moment lag te slapen. Verdachte is bewust 's nachts het huis van [slachtoffer] ingeklommen, heeft zich vervolgens uitgekleed, is naast haar in bed gaan liggen en heeft haar vervolgens seksueel betast, terwijl zij zich op dat moment daartegen niet kon verzetten omdat zij sliep. Verdachte heeft hiermee niet alleen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook op het gevoel van veiligheid in haar eigen huis. Dergelijk handelen heeft vaak nog lange tijd ernstige psychische gevolgen voor het slachtoffer en dient derhalve te worden bestreden.

Voorts werd op 11 februari 2003 een drietal filmpjes die kinderporno bevatten op de computer van verdachte aangetroffen. Daarmee is het mede aan verdachte toe te rekenen dat uiterst laakbare mensonterende handelingen, die plaatsvinden met kinderen van veelal zeer jonge leeftijd, in stand worden gehouden en bevorderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke seksuele exploitatie van kinderen vaak jarenlange psychische problemen veroorzaakt. Het in stand houden en bevorderen ven dergelijke delicten dient dan ook streng te worden bestraft.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 17 maart 2004 alsmede op het rapport van psycholoog/psychotherapeut drs. J. Schipper d.d. 5 juli 2003.

Blijkens het rapport van drs. J. Schipper heeft verdachte een gegeneraliseerde angststoornis, dwangmatige trekken in zijn persoonlijkheid, met daarnaast somatische en depressieve klachten.

De rapporteur acht dat er bij verdachte ten tijde van de telastgelegde feiten wel sprake was van deze gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, maar dat de feiten wel aan hem kunnen worden toegerekend.

De kans op recidive acht de rapporteur klein.

In het Reclasseringsrapport wordt verdachte geschetst als een persoon die niet voldoende inzicht heeft in zijn eigen handelen. Voor een eventuele werkstraf ziet de reclassering geen onoverkomelijke bezwaren.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 10 februari 2003. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande, alsmede het feit dat er geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voor herhaling doen vrezen, dat de door de officier van justitie gevorderde contact- en straatverboden thans nog niet aan de orde zijn. Zij acht de navolgende combinatie van straffen passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 meest subsidiair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 meest subsidiair:

MET IEMAND VAN WIE HIJ WEET DAT ZIJ IN STAAT VAN BEWUSTELOOSHEID OF LICHAMELIJKE ONMACHT VERKEERT BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN;

ten aanzien van feit 2:

EEN AFBEELDING VAN EEN SEKSUELE GEDRAGING, WAARBIJ IEMAND DIE DE LEEFTIJD VAN ACHTTIEN JAAR NOG NIET HEEFT BEREIKT, IS BETROKKEN, IN VOORRAAD HEBBEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 3 MAANDEN;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag, zodat 116 (honderdzestien) UREN resteren

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 58 (achtenvijftig) DAGEN;

in verzekering gesteld op : 10 februari 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 12 februari 2003,

welke voorlopige hechtenis werd opgeschort met ingang van : 12 februari 2003,

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Moussault en Derijks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2004.