Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6714

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2004
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/27547
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning / ongewenstverklaring / instandlating rechtsgevolgen.

Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van artikel 7:2 Awb. De status ex artikel 10, tweede lid, Vw 2000 van eiser dient van rechtswege te worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verblijfsvergunning kan ingevolgen artikel 22 Vw 2000 worden ingetrokken. Gelet op de veroordeling van eiser tot negen jaar gevangenisstraf heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser de in artikel 3.86, tweede lid, Vb 2000 genoemde glijdende schaal heeft overschreden. Deze koppelt aan een verblijfsduur van tussen de vijf en zes jaren een strafmaat van 24 maanden, welke strafmaat ruimschoots is overschreden. Het antwoord op de vraag of het - Europeesrechtelijke - criterium van de actuele bedreiging voor de openbare orde op eiser van toepassing is, kan in het midden blijven. De zwaarte van de veroordelingen, het gegeven van recidive, gevoegd bij de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat eiser zeer recent wederom in aanraking is gekomen met Justitie en gedetineerd is geraakt, laat er geen twijfel over bestaan dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Verweerders aanvullende stellingname in deze kan dan ook worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat artikel 8 EVRM verweerder niet verplicht tot het achterwege laten van de ongewenstverklaring. Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde, mag verweerder de belangen van de Nederlandse samenleving stellen boven die van eiser en zijn gezin, uitmondend in een ongewenstverklaring van eiser. Eiser stelt dat hij door de ACVZ gehoord had moeten worden. Eiser heeft echter niet aangegeven waarop de ACVZ zich zou dienen te richten, anders dan op een beantwoording van de vraag of de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde dient te worden beoordeeld, alsmede hoe die beoordeling zou dienen te verlopen. In casu bestaat geen grond tot terugverwijzing naar verweerder in verband met het alsnog inschakelen van de ACVZ. De rechtsgevolgen worden op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb instandgelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/27547 ONGEWN

inzake: A, geboren op [...] 1960, van Turkse nationaliteit, verblijvende in het Huis van Bewaring Lunetten te Zutphen, eiser,

gemachtigde: mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.I. Wisman, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 2 april 2002 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en eiser ex artikel 67 van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Op 17 april 2002 is dit besluit aan eiser in persoon uitgereikt. Bij bezwaarschrift van 14 mei 2002 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 17 juni 2002. Het bezwaar is bij besluit van 8 mei 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 9 mei 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 6 juni 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. De gronden van het beroep dateren van 9 juni 2003. In het verweerschrift van 11 augustus 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brieven van 25 augustus 2003 en 28 oktober 2003.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2003. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is vervolgens, onder toepassing van artikel 8:64 van de Awb, geschorst wegens de afwezigheid van eiser, en voortgezet op 9 december 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig B, de echtgenote van eiser.

II. FEITEN

1. Eiser is voor het eerst in 1983 Nederland binnengekomen. Hij heeft tweemaal een verzoek om toelating als vluchteling hier te lande ingediend, welke verzoeken zijn afgewezen. In 1984 is eiser tweemaal naar Turkije uitgezet. Op 11 december 1986 is eiser gehuwd met zijn huidige echtgenote, B, (thans) van Nederlandse nationaliteit. Eiser is op 5 juni 1989 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf bij echtgenote B. Op 9 juni 1990 is eiser in het bezit gekomen van de zogenoemde “10 lid 2”-status. Op 11 november 1994 is aan eiser een vergunning tot vestiging verleend.

2. Eiser heeft tezamen met zijn echtgenote drie kinderen met de Nederlandse nationaliteit.

3. Blijkens een uittreksel van 10 november 1999 uit het Justitieel Documentatieregister is eiser bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juni 1996 veroordeeld tot negen jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter zake van de volgende misdrijven:

- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie is;

- medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en de voortgezette handeling van medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

- in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is;

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- de voortgezette handelingen van medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en feiten begaan met betrekking tot wapens van categorie II onder 2 en 7, meermalen gepleegd.

Op 23 december 2002 is eiser door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren ter zake van de volgende misdrijven:

- het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk vervoeren van heroïne;

- het voorhanden hebben gehad van wapens en munitie van categorie III Wet wapens en munitie;

- het tezamen en in vereniging opzettelijk aanwezig hebben gehad van hasjiesj.

4. Uit de voorlichtingsrapportage van de Reclassering is gebleken dat eiser in een slechte fysieke conditie verkeert, onder meer veroorzaakt door een aanslag op zijn leven in 2001 waarbij hij door een groot aantal kogels is geraakt. Dit heeft tot gevolg gehad dat hij drie maanden in het ziekenhuis heeft gelegen en een aantal fysieke klachten heeft overgehouden, zoals slecht functionerende longen en armzenuwen, nekproblemen als gevolg van een kogel in de nek die vooralsnog niet te verwijderen is, en hartproblemen. Eiser staat hiervoor onder behandeling bij de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel en gebruikt medicatie voor zijn hart, cholesterol en bloed.

Uit informatie van A.C.J. Geerlings, huisarts van eiser, van 28 oktober 2003 is gebleken dat de helft van eisers middenrif niet werkt door de kogel in zijn nek. Daarnaast is er sprake van een vermindering van de longfunctie.

5. Ter zitting van 9 december 2003 is gebleken dat eiser onder elektronisch toezicht stond, maar dat eiser, doordat hij recentelijk wederom met Justitie in aanraking is gekomen, thans gedetineerd is.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op de criminele antecedenten, de verblijfsvergunning van eiser op juiste gronden is ingetrokken en dat terecht is geoordeeld dat eiser ongewenst is verklaard. Daartoe heeft verweerder als volgt overwogen.

1.2. In het onderhavige geval is gebleken dat eiser op 5 juni 1989 een verblijfsvergunning met als beperking “verblijf bij echtgenote B” is verstrekt. Op 9 juni 1990 is eiser in het bezit gesteld van het bewijs dat hij van rechtswege de zogenoemde “artikel 10 lid 2 status” had verkregen. Ten slotte is eiser op 11 november 1994 in het bezit gesteld van een vergunning tot vestiging. Derhalve kan geoordeeld worden dat eiser sinds 5 juni 1989 over een geldige verblijfstitel beschikt.

1.3. Op voet van artikel 115 van de Vw 2000 worden de vergunning tot vestiging en de artikel 10 lid 2- status van eiser van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000.

1.4. Op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 - onder andere - worden ingetrokken indien de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Eiser is bij onherroepelijk vonnis van het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen jaren, ter zake van een reeks van misdrijven die werden gepleegd in 1994, terwijl eiser op de pleegdatum (december 1994) 5 jaar en 6 maanden in het bezit was van een geldige verblijfstitel. Gelet op de zogeheten glijdende schaal als omschreven in artikel 3.86, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 overschrijdt de aan eiser opgelegde gevangenisstraf derhalve ruimschoots de 24 maanden die daarin worden genoemd bij een verblijfsduur van tenminste vijf jaar en minder dan 6 jaar. De stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met de verblijfsduur van eiser in Nederland wordt niet gevolgd, nu hiermee in de glijdende schaal juist wel rekening is gehouden.

1.5. Eisers stelling dat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat zijn verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken en dat hij niet ongewenst zou worden verklaard, wordt evenmin gevolgd. Gelet op de rechtmatige verblijfsduur van eiser kon zijn verblijfsvergunning eerst worden ingetrokken en kon eerst tot ongewenstverklaring worden overgegaan na zijn veroordeling op 14 juni 1996 tot negen jaar gevangenisstraf. Dit vonnis is eerst op 27 januari 1998 onherroepelijk geworden. Op 6 juli 1999 is eiser geconfronteerd met het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken en hem ongewenst te verklaren. Dat bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen zou zijn ontstaan dat de door hem gepleegde misdrijven geen verblijfsrechtelijke consequenties zouden hebben kan dan ook niet worden gevolgd. Voorts heeft eiser nadien nog diverse misdrijven gepleegd, waarvoor hij, in hoger beroep, is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf. Eiser wist of had moeten weten dat dit verblijfsrechtelijke consequenties voor hem kon hebben. Eiser is in totaal in Nederland veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 jaar en 3 maanden.

Bovendien is sprake van geweldsmisdrijven en drugsdelicten. Conform het bepaalde in hoofdstuk B1/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 kunnen deze delicten gedurende een periode van tien jaren worden tegengeworpen. De termijn vangt aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd. Deze termijn is nog niet verstreken terwijl deze termijn niet van toepassing is indien sprake is van recidive, zoals in casu. Er kan niet anders worden geoordeeld dan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

1.6. Niet aannemelijk is geworden dat eiser zodanig in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd dat zijn terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd. Gelet op de aard en de ernst van de door eiser gepleegde delicten en het feit dat eiser voortdurend recidiveert komt bij de afweging van alle belangen aan het algemeen belang een veel zwaarder gewicht toe dan aan het belang van eiser om in Nederland te blijven. De inbreuk die eiser op de openbare orde heeft gepleegd is vergaand. Het betreft hier - onder meer - (ernstige) geweldsdelicten en drugsdelicten, waarvan een bedreiging uitgaat voor de volksgezondheid.

1.7. De ongewenstverklaring en verblijfsbeëindiging betekenen geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De inmenging die de ongewenstverklaring oplevert is, gelet op de aard en de ernst van de door eiser gepleegde delicten en het feit dat eiser voortdurende recidiveert, gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Niet duidelijk is op welke manier het gezinsleven tussen eiser en zijn gezin is ingevuld, nu eiser het grootste gedeelte van de afgelopen jaren in de gevangenis heeft gezeten. Voorts is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. De echtgenote is oorspronkelijk uit Turkije afkomstig en heeft, naast de Nederlandse, ook de Turkse nationaliteit.

1.8. Voor zover eiser verblijf wenst op asielgerelateerde gronden kan eiser een aanvraag daartoe indienen bij een aanmeldcentrum. In bezwaar is op geen enkele manier aangetoond dat terugkeer naar Turkije zal leiden tot een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser diverse malen terug is geweest in Turkije en dat twee asielaanvragen zijn afgewezen.

1.9. In reactie op eisers stelling dat beoordeeld diende te worden of sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde, heeft verweerder primair aangevoerd dat die beoordeling niet behoefde te worden verricht. Eiser valt niet onder de bepalingen van het Associatiebesluit 1/80. Eiser is zeer langdurig gedetineerd geweest, en kon derhalve niet op de legale arbeidsmarkt werkzaam zijn. Ook overigens is niet gebleken van enig dienstverband van eiser. Of eisers echtgenote onder de bepalingen van het Associatiebesluit valt, is uit het dossier niet af te leiden. Ook voor haar geldt dat niet is gebleken dat zij daadwerkelijke en legale arbeid hier te lande heeft verricht. Derhalve kan zij uitsluitend worden aangemerkt als EU-onderdaan, en niet als gemeenschapsonderdaan. Gelet op het gestelde in hoofdstuk B10/5.3.1 en B10/7.2.1 van de Vc 2000 is dan het reguliere beleid van toepassing.

Maar zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat eiser is gelijk te stellen met een begunstigd gemeenschapsonderdaan, is het bestreden besluit op goede gronden genomen. Eiser dient te worden aangemerkt als een actuele bedreiging voor de openbare orde. Verweerder verwijst hierbij naar de feiten die tot de strafrechtelijke procedures hebben geleid. Ook is in het bestreden besluit betrokken het gegeven dat eiser verschillende malen heeft gerecidiveerd, hetgeen een belangrijk aspect is bij de beoordeling van de actuele bedreiging voor de openbare orde. Verweerder is van mening dat aan eisers verklaringen dat hij nu zijn leven wil beteren geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. Eiser heeft immers voortdurend gerecidiveerd. Ook is eiser zeer recentelijk wederom in aanraking gekomen met Justitie, waarbij zijn elektronisch toezicht is omgezet in detentie.

Mede gelet hierop kan worden gesteld dat eiser een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde.

2.1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de vestigingsvergunning en tot ongewenstverklaring van eiser. Verweerder heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met eisers omstandigheden. Vooreerst voert eiser hiertoe aan dat hij al vanaf 1983, met enige onderbrekingen, in Nederland verblijft. Hij heeft zeer sterke banden met Nederland en zijn leven speelt zich geheel in Nederland af. Verweerders stelling dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser zodanig in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd dat zijn terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd is, gelet op de lange verblijfsduur van eiser hier te lande, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de duur van zijn verblijf dient er een bijzondere rechtvaardiging te zijn om op grond van de openbare orde over te gaan tot verblijfsbeëindiging en verwijdering. Die rechtvaardiging is niet zonder meer gegeven met de aard en de ernst van de door eiser gepleegde delicten en het recidiveaspect. In dat geval had immers in een eerder stadium tot de voorgenomen verblijfsbeëindiging van eiser overgegaan moeten worden.

Voorts voert eiser aan dat hij is gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren, die thans tussen de 10 en de 14 jaar oud zijn. De gemaakte belangenafweging houdt onvoldoende rekening met eisers specifieke gezinssituatie en zijn langdurig verblijf in Nederland.

Ten derde stelt eiser dat reeds in bezwaar is aangevoerd dat zijn “artikel 10 lid 2”-status uitsluitend eindigde indien de feitelijke gezinsband met degene bij wie men was toegelaten werd beëindigd. Het overgangsrecht bij de invoering van het Vreemdelingenbesluit 1994 en het Voorschrift Vreemdelingen bepalen dat degene die op die datum die status bezaten, deze konden behouden. Op deze stelling is in het besluit in het geheel niet gerespondeerd, zodat het besluit als onvoldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt.

Vervolgens doet het feit dat in de onderhavige zaak bijzonder lang is getalmd met de ongewenstverklaring alsmede de intrekking van de verblijfsvergunning het vermoeden rijzen dat de belangen van de openbare orde niet zonder meer de ongewenstverklaring vorderen. Er is geen actuele bedreiging van de openbare orde. Ook levert het besluit een ernstige, ontoelaatbare inbreuk op het recht op familieleven op, nu het besluit ertoe zal leiden dat het gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en hun drie kinderen nagenoeg geheel zal eindigen. Eiser voert in dit verband aan dat twee van zijn kinderen in de puberteit zijn. De aanwezigheid van de vader is dan van groot belang. Dat eiser voor zijn huidige detentie vanwege eerdere veroordelingen geen volwaardig gezinsleven uitoefende kan niet worden gevolgd en is onvoldoende gemotiveerd. De gezinsband is gegeven. Voorts hebben de vrouw en kinderen van eiser de Nederlandse nationaliteit en gaan de kinderen hier naar school. Dit alles vormt een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Het besluit strijdt derhalve met artikel 8 van het EVRM. Voorts is verweerder gehouden om, indien daar concrete aanwijzingen voor zijn, te toetsen of een terugkeer naar Turkije mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM kan opleveren. Tot slot heeft verweerder ten onrechte van het horen afgezien. Er was geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar.

2.2. Bij brief van 25 augustus 2003 heeft eiser een reclasseringsrapportage overgelegd, waaruit naar voren komt dat eisers gezin het moeilijk zonder hem kan stellen. De echtgenote heeft moeite de kinderen, die nu 10 (zoon), 13 en 14 (dochters) jaar zijn, adequate structuur te bieden. Er zijn opvoedingsproblemen. De zoon is aangemeld bij het RIAGG. De echtgenote heeft psychische problemen.

2.3. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van 7 november 2003 is besproken, heeft eiser nog het volgende naar voren gebracht.

Eiser heeft ingevolge het Associatiebesluit 1/80 recht op verblijf, hetzij rechtstreeks, omdat hij langdurig in Nederland heeft gewerkt, hetzij als familielid van een gemeenschapsonderdaan. Gelet op de artikelen 16 en 18 van de Vw 2000, jo artikel 8:7 van het Vb 2000 is op eiser derhalve het criterium actuele bedreiging voor de openbare orde van toepassing. Eiser verwijst hierbij naar de EEG richtlijn 64/221 van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. In het bestreden besluit wordt uitsluitend getoetst aan het bestaan van de strafrechtelijke veroordelingen. Voor het criterium gevaar voor de openbare orde is het hebben van strafrechtelijke veroordelingen echter niet voldoende. Alle feiten en omstandigheden van het individuele geval dienen bij deze beoordeling betrokken te worden, waaronder het gegeven dat eiser, ondanks het feit dat hij recentelijk weer met Justitie in aanraking is gekomen, zich nu serieus met zijn gezin wil bezighouden. Eiser heeft nu ingezien dat zijn familie alles voor hem is en dat hij zijn fouten uit het verleden achter zich wil laten. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ), nu eisers rechtmatig verblijf is geëindigd op grond van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid als bedoeld in EEG richtlijn 64/221. Terzake heeft eiser verwezen naar onder meer artikel 1.5 van het Vb 2000.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ingevolge artikel 7:2 van de Awb horen regel is, en het niet horen op grond van artikel 7:3 van de Awb uitzondering. De omstandigheid dat het bezwaar gericht is tegen een ambtshalve genomen, zeer belastende beschikking, na een verblijf hier te lande van substantiële duur, staat in casu nog eens extra in de weg aan het oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder had eiser derhalve dienen te horen in bezwaar.

3. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard wegens schending van artikel 7:2 van de Awb, onder vernietiging van het bestreden besluit. Waar eiser ter zitting van 9 december 2003 in persoon is verschenen en de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt in persoon naar voren te brengen, zal de rechtbank niet volstaan met dit oordeel, maar ook ingaan op de overige partijen verdeeld houdende punten; zulks ter beantwoording van de vraag of het beroep ex nunc oordelend definitief door de rechtbank kan worden beslist, of dat terugverwijzing naar verweerder in de rede ligt.

4. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat op grond van artikel 115, vijfde lid, van de Vw 2000 de “artikel 10 lid 2 status” van eiser van rechtswege dient te worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000. Waar dit oordeel reeds is neergelegd in het besluit in primo, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de beslissing op bezwaar op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.

5. Ingevolge artikel 22 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien - voor zover hier van belang - de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

6. Deze bepaling is nader uitgewerkt in artikel 3.98 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Ingevolge dit artikel kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel het buitenlandse equivalent daarvan is opgelegd en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm bedoeld in het tweede lid van 3.86 van het Vb 2000. Dit artikel bepaalt dat bij een verblijfsduur van hoofdstuk B1/2.4.3 van de Vc 2000.

7. Eiser was op de eerste pleegdatum, in december 1994, 5 jaar en 6 maanden in het bezit van een geldige verblijfstitel. Gelet op de veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser de in artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde glijdende schaal heeft overschreden. Deze koppelt aan een verblijfsduur van tussen de vijf en zes jaren een strafmaat van 24 maanden, welke strafmaat in casu zeer ruimschoots is overschreden. Naar aanleiding van hetgeen namens eiser is aangevoerd, voegt de rechtbank hier nog aan toe dat met verblijfsduur in artikel 3.86, tweede lid, van het Vb 2000 niet is gedoeld op feitelijk verblijf, maar op verblijf met een

verblijfstitel hier te lande. De stelling dat eiser reeds sedert 1983 feitelijk in Nederland verblijft, baat hem daarom niet.

8. Het bestreden besluit stemt derhalve inhoudelijk overeen met de terzake geldende nationale criteria.

9. Het onderhavige geschil heeft zich voor een belangrijk deel toegespitst op de vraag of het -Europeesrechtelijke- criterium van de actuele bedreiging voor de openbare orde op eiser van toepassing is.

10. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. Een toetsing ex nunc door de rechtbank aan de vraag of ook sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde, valt voor eiser nadelig uit. De zwaarte van de veroordelingen, het gegeven van recidive, gevoegd bij de omstandigheid dat ter zitting van 9 december 2003 is gebleken dat eiser zeer recent wederom in aanraking is gekomen met Justitie en gedetineerd is geraakt, laat er geen twijfel over bestaan dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Verweerders aanvullende stellingname in deze kan dan ook worden gevolgd.

11. Onder verwijzing naar het tweetal veroordelingen dat eiser op zijn naam heeft staan, gevoegd bij het feit dat eiser recent wederom met Justitie in aanraking is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat artikel 8 van het EVRM verweerder niet verplicht tot het achterwege laten van de ongewenstverklaring. De rechtbank realiseert zich terdege dat door de ongewenstverklaring van eiser ook eisers echtgenote en zijn kinderen getroffen worden. Maar gelet op de ernst van de strafbare feiten en de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde, mag verweerder de belangen van de Nederlandse samenleving stellen boven die van eiser en zijn gezin, uitmondend in een ongewenstverklaring van eiser.

12. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat verweerder de ACVZ had dienen in te schakelen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

13. Ingevolge het gestelde in artikel 2, vierde lid, aanhef en sub b, van de Vw 2000, heeft de ACVZ tot taak op verzoek van verweerder te adviseren over bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen beschikkingen op grond van deze wet. In artikel 1.5 van het Vb 2000 worden slechts beschikkingen aangewezen waarvoor advisering ingevolge een verdrag of een in Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verplicht is.

14. Blijkens de tekst en toelichting heeft de verplichting tot inschakeling van de ACVZ betrekking op de fase van volledige bestuurlijke heroverweging. Een belangrijk argument voor de inschakeling van de ACVZ in deze gevallen is gelegen in het ontbreken van schorsende werking van het beroep op de rechter in reguliere zaken. Eiser heeft de facto echter zijn beroepszaak in Nederland mogen afwachten, zodat dit element in casu niet speelt.

Eiser is voorts uitdrukkelijk een (extra) gelegenheid geboden om zijn kant van de zaak ter zitting van de rechtbank in persoon naar voren te brengen.

15. Van de zijde van eiser is niet aangegeven waar de ACVZ zich zou dienen te richten, anders dan op een beantwoording van de vraag of de actualiteit van de bedreiging van de openbare orde dient te worden beoordeeld, alsmede hoe die beoordeling zou dienen te verlopen.

Daarvan uitgaande, gevoegd bij hetgeen hiervóór is overwogen ten aanzien van de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde en het de facto kunnen afwachten van de beroepszaak in Nederland, ziet de rechtbank niet in wat terugverwijzing naar verweerder, gevolgd door een advisering door de ACVZ nog aan toegevoegde praktische waarde zou hebben.

Eén en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat er in casu geen grond bestaat tot terugverwijzing naar verweerder in verband met het alsnog inschakelen van de ACVZ. Of eiser eventueel onder de bepaling van het Associatiebesluit 1/80 valt en of verweerder verplicht was een dergelijk advies in te winnen, kan verder in het midden blijven.

16. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat er aanleiding is om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

18. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht-bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver-goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshondervierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderdzestien euro).

Gewezen door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier, en openbaar gemaakt op: 8 maart 2004

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 8 maart 2004

Conc: JGa

Coll:

Bp: B03

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.