Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6484

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2004
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/14262
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Situatie in land van verblijf / artikel 3 EVRM.

Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever zich bij het formuleren van de tekst van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 mede laten inspireren door artikel 3 EVRM. Als in de loop van de tijd de interpretatie van artikel 3 EVRM een ontwikkeling doormaakt, geldt dat mitsdien ook voor de uitleg van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Hoewel artikel 3 EVRM in het algemeen wordt ingeroepen in gevallen waarin het gestelde risico op schending van dat artikel voortkomt uit handelingen van de autoriteiten van het land waarheen wordt uitgezet, is de werking van deze bepaling, gezien het fundamentele belang ervan, niet tot die gevallen beperkt. Ook wanneer het risico dat iemand loopt om onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandelingen het gevolg is van factoren die niet direct of indirect de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van dat land raken of die op zichzelf nog geen inbreuk op artikel 3 EVRM opleveren, kan dit onder de werking van deze bepaling vallen. Een dergelijke conclusie kan pas worden getrokken na zeer nauwkeurige bestudering van alle omstandigheden van het geval, met name de persoonlijke situatie van de betrokkene in het land dat uitzetting overweegt. Het EHRM heeft deze opvatting verwoord in het arrest 13669/03 van 24 juni 2003. De rechtbank dient niet alleen acht te slaan op de situatie waarin eiseres in Mongolië terechtkomt, maar op alle omstandigheden van het geval waaronder ook de persoonlijke situatie van eiseres in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres op grond van haar sociale situatie bij uitzetting in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie terecht zal komen. Uit de jurisprudentie van het EHRM niet blijkt dat een beroep op de gestelde sociale omstandigheden binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM valt. Een dergelijk beroep kan derhalve geen aanleiding zijn tot het verlenen van een verblijfsvergunning ex artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/14262

uitspraak: 23 februari 2004

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] december 1990,

verblijvende te B,

van Mongolische nationaliteit,

IND dossiernummer 0106.17.8027,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen, werkzaam bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 17 juni 2001 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 11 februari 2003 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 5 maart 2003 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Op 20 maart 2003 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van beroep doen toekomen waarbij hij tevens een rapport van 10 maart 2003 van mw. H.M. Schuppert, kinder- en jeugdpsychiater, en het standpunt van Defence for Children International (ongedateerd) met betrekking tot onderhavige zaak heeft ingezonden. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend dat bij de rechtbank is ingekomen op 17 november 2003.

1.3 Bij brief van 27 mei 2003 heeft de gemachtigde van eiseres een tweede stuk ingediend afkomstig van kinder- en jeugdpsychiater, mw. H.M. Schuppert en bij brieven van 18, 19 en 25 november 2003 heeft hij nog overige nadere stukken ingediend.

1.4 Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 3 december 2003. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Eiseres heeft ter ondersteuning van haar aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij is naar Nederland gereisd met de man die haar, sinds zij zich kan herinneren, heeft opgevoed. Die man heeft haar op 17 juni 2001 afgezet in Nederland en daarna is hij zelf verdwenen.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres is vanwege haar leeftijd niet nader gehoord en heeft ook overigens geen asielmotieven naar voren gebracht. Voor zover eiseres zich beroept op haar psychische problemen overweegt verweerder dat eiseres ter onderbouwing daarvan, ten tijde van de bestreden beschikking, geen stukken heeft overgelegd. Verweerder is bovendien van oordeel dat in Mongolië eventuele medische opvang voor eiseres mogelijk is.

2.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel omdat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst in een situatie zal terechtkomen die strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres dit standpunt verduidelijkt in die zin dat hier niet alleen onder moet worden begrepen de situatie na uitzetting maar met name reeds het weghalen van eiseres bij haar pleeggezin en uit de sociale omgeving waarin zij zich nu bevindt. Eiseres heeft ernstige psychische problemen, bestaande uit verdringingsproblematiek en een separatietrauma. Gelet op haar gehechtheid aan haar pleeggezin en haar integratie in de Nederlandse samenleving is het zeer onwenselijk indien zij nogmaals zou worden gescheiden en zal haar trauma daardoor worden versterkt. Eiseres acht dit eveneens in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK) waarin het belang van het kind als leidend beginsel is neergelegd.

2.4 Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder voegt in zijn verweerschrift nog toe dat uit de in beroep overgelegde stukken ter ondersteuning van de medische problematiek van eiseres niet blijkt dat die problemen dusdanig ernstig zijn dat eiseres in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie zou terechtkomen na terugkeer, ook niet in combinatie met artikel 3 IVRK. De stelling dat haar belang zich, in de zin van artikel 3 IVRK, verzet tegen de scheiding van haar pleegouders, leidt volgens verweerder evenmin tot een ander oordeel.

Beoordeling van het beroep

2.5 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de bestreden beschikking, de inhoud van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting waar de gemachtigde van eiseres expliciet te kennen gaf het beroep hiertoe te beperken, het onderhavige geding zich toespitst op de vraag of verweerder op goede gronden heeft beslist dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een reëel risico op een onmenselijke behandeling te lopen dan wel dat de bestreden beschikking anderszins in strijd met artikel 3 EVRM is.

2.6 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Mongolië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.8 Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000 (MvT, TK, 1998-1999, 26.732) heeft de wetgever zich bij het formuleren van de tekst van dit artikel laten inspireren door artikel 3 EVRM, alsmede door artikel 3, eerste lid, Antifolterverdrag en artikel 7, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). De strekking van deze bepalingen is geïncorporeerd in artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000. Bij de toetsing aan artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000 toetst de rechtbank daarom mede aan artikel 3 EVRM.

2.9 Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) gebruikt bij de interpretatie van artikel 3 EVRM een dynamische en flexibele benadering. Het EHRM beschouwt het EVRM als living instrument en heeft deze visie onder andere uiteengezet in het arrest Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk (29 juli 2002, nr. 2346/02). Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat indien in de loop van de tijd de interpretatie van artikel 3 EVRM een ontwikkeling doormaakt, dat ook geldt voor de uitleg van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

In het Vilvarajah-arrest (30 oktober 1991, nr. 45/1990/236) heeft het EHRM aangegeven dat, bij gebreke van specifieke individuele kenmerken waaruit een verhoogd risico van schending van artikel 3 EVRM valt af te leiden, een risico van schending op grond van een enkele mogelijkheid (mere possibility), onvoldoende is om als reëel risico van een schending van artikel 3 EVRM te gelden. Naar het oordeel van het EHRM dient er sprake te zijn van individuele feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat moet worden aangenomen dat betrokkene gegronde redenen (substantial grounds) heeft om aan te nemen dat hij of zij bij uitzetting het reële risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

In (onder andere) de zaak Arcila Henao v. Nederland (24 juni 2003, nr. 13669/03) heeft het EHRM overwogen dat, hoewel artikel 3 EVRM over het algemeen wordt ingeroepen in gevallen waarin het gestelde risico op schending van dat artikel voortkomt uit handelingen van de autoriteiten van het land waarheen wordt uitgezet, gezien het fundamentele belang van deze bepaling haar werking niet tot die gevallen is beperkt. Ook wanneer het risico dat iemand loopt om onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandelingen het gevolg is van factoren die niet direct of indirect de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van dat land raken of die, los van elkaar, op zichzelf nog geen inbreuk op artikel 3 opleveren, kan dit onder de werking van deze bepaling vallen. Tot een dergelijke conclusie kan slechts worden gekomen na zeer nauwkeurige bestudering van alle omstandigheden van het geval, met name de persoonlijke situatie van de betrokkene in het land dat uitzetting overweegt.

2.10 De rechtbank overweegt als volgt. Met verweerder is zij van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiseres gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij door uitzetting naar Mongolië op zichzelf een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Gesteld noch gebleken is dat zij in haar land van herkomst op enigerlei wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten of andere personen staat.

Gelet op bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM in onder meer de zaak Henao, en in het licht van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, dient de rechtbank echter niet alleen acht te slaan op de situatie waarin eiseres in Mongolië terechtkomt, maar op alle omstandigheden van het geval waaronder ook de persoonlijke situatie van eiseres hier in Nederland. In dat kader is van belang dat eiseres 13 jaar is en op dit moment reeds tweeëneenhalf jaar in Nederland verblijft bij een pleegezin in B waar ze volledig ingeburgerd lijkt. Zij gaat daar naar school, is lid van een sportvereniging, heeft een vriendenkring opgebouwd en spreekt bovendien goed Nederlands. Uit de door eiseres overgelegde medische gegevens blijkt voorts dat zij te kampen heeft met psychische problemen, volgens de psychiater mevrouw H.M. Schuppert bestaande uit een verdringingsproblematiek ten aanzien van haar verleden, isolatie van het affect en een separatietrauma.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft beslist dat niet aannemelijk is dat eiseres, wanneer zij, als onlosmakelijk gevolg van de afwijzende beschikking, Nederland en derhalve het gezin van haar pleegouders dient te verlaten, in verband met haar medische problematiek in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie terecht zal komen. Blijkens inmiddels vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld Bensaïd v. Het Verenigd Koninkrijk, EHRM 6 februari 2001, nr. 44599/98) kan alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, verband houdend met een gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, de uitzetting in verband met medische problemen leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. Het daartoe overgelegde medische rapport biedt hiervoor onvoldoende grond.

De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin aannemelijk is dat eiseres op grond van haar sociale situatie, zoals hierboven beschreven, bij uitzetting in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie terecht zal komen. Hoe betreurenswaardig de situatie van eiseres, dat zij als gevolg van de afwijzende beschikking afstand zal dienen te doen van de sociale omgeving waarin zij zich nu bevindt en waarin zij zich bovendien thuis is gaan voelen mede doordat zij daartoe van verweerder ruimschoots de tijd heeft gekregen, ook is, overweegt de rechtbank niettemin dat naar haar oordeel uit de jurisprudentie van het EHRM niet blijkt dat een beroep op dergelijke sociale omstandigheden binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM valt. Zodanig beroep kan derhalve evenmin aanleiding zijn tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

2.11 Voor zover de gemachtigde van eiseres betoogt dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in casu een schending oplevert van het IVRK, overweegt de rechtbank dat, voor zover de bepalingen ervan al rechtstreeks toepasselijk zijn, niet concreet is onderbouwd dat uit dit verdrag valt af te leiden dat voor verweerder verplichtingen bestaan die verder gaan dan hetgeen reeds is neergelegd in het Nederlandse recht en beleid.

2.12 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.13 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Severein, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2004 in tegenwoordigheid van mr. B. Goris als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 24 februari 2004