Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6462

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/36424
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / mvv-vereiste.

Eiseres heeft een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf aangevraagd. Verweerder heeft het ontbreken van een mvv tegengeworpen. In geschil is of eiseres een beroep kan doen op de vrijstellingsgrond van artikel 3.71, tweede lid, onder a Vb 2000. Verweerder stelt onder verwijzing naar de MvT bij dit artikel dat sprake dient te zijn van een aanvraag om wedertoelating, waarvan in casu geen sprake is. De rechtbank oordeelt dat er naar de letterlijke tekst van het artikel geen enkele twijfel bestaat dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van deze vrijstellingsgrond. Dat in de NvT bij artikel 3.71 Vb 2000 wordt opgemerkt dat de vreemdeling die aan deze voorwaarden voldoet in aanmerking kan komen voor wedertoelating, doet hieraan niet af. Uit de tekst van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000 kan immers op geen enkele wijze worden afgeleid dat slechts vreemdelingen die een aanvraag om wedertoelating hebben ingediend voor deze vrijstellingsgrond in aanmerking komen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 03/36424 BEPTDN

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1978, van Marokkaanse nationaliteit, mede ten behoeve van haar minderjarige dochter, eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigden: mr. P.A.L.A. van Ittersum en mr. B.J. van Benschop, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 14 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 26 augustus 2002 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 oktober 2001 om haar een vergunning tot verblijf te verlenen, afgewezen. Eiseres heeft tegen de beslissing van 14 juli 2003 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

De openbare behandeling van het geschil is aangevangen door de enkelvoudige kamer op 3 december 2003. Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en het beroep door te verwijzen voor behandeling door de meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep door de meervoudige kamer is voortgezet op 22 januari 2004. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Eiseres legt aan de aanvraag ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met als doel: "voortgezet verblijf".

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Nu in dit geval geen sprake is van een tijdige aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning en evenmin van een aanvraag welke is ingediend binnen 6 maanden nadat de voorheen verleende verblijfsvergunning zijn geldigheid heeft verloren, is het vereiste om een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) over te leggen onverkort op eiseres van toepassing.

Het beroep van eiseres op de vrijstellingsgrond van artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) slaagt niet. Om met vrucht een geslaagd beroep te kunnen doen op deze vrijstellingsgrond dient sprake te zijn van een aanvraag in het kader van wedertoelating. Genoemde vrijstellingsgrond heeft in ieder geval onder de Vreemdelingenwet 1965 altijd gegolden voor de categorie vreemdelingen die na tijdelijk verblijf buiten Nederland, waarmee het hoofdverblijf als verplaatst beschouwd kon worden, om wedertoelating verzoeken in het kader van de terugkeeroptie. Op deze wijze is hieraan ook in de uitvoeringspraktijk steeds uitvoering gegeven. Hoewel in de letterlijke tekst van het betreffende artikel niet langer expliciet gerept wordt van wedertoelating, wordt dit in de Nota van Toelichting bij dit artikel wel genoemd. Overigens blijkt ook niet anderszins uit de parlementaire geschiedenis dat een wijziging is beoogd onder regime van de nieuwe Vw. Niet is gebleken dat eiseres valt onder één van de categorieën vrijgestelde vreemdelingen genoemd in artikelen 17, eerste lid, onder a tot en met f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en 3.71, tweede lid, Vb. Eiseres kan evenmin een geslaagd beroep doen op de hardheidsclausule. Er is geen enkel bewijsstuk overgelegd dat erop zou duiden dat er voor eiseres en haar kind –gedurende een mvv-procedure– geen opvang aanwezig is in Marokko. Eiseres heeft eerst gesteld dat zij niet zeker weet of zij bij haar oma kan verblijven. Thans wordt gesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat zij geen beroep kan doen op familieleden in Marokko. Deze stelling is echter evenmin onderbouwd. Gelet hierop, alsmede op de leeftijd van eiseres, de omstandigheid dat zij is opgegroeid in een Marokkaans gezin, waardoor zij geacht wordt in enige mate kennis te hebben opgebouwd over de Marokkaanse taal, cultuur en gewoonten en het feit dat eiseres in Marokko familie heeft wonen, is in dit geval geen sprake van zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor de toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd zou zijn. Het beroep op artikel 8 EVRM slaagt evenmin. De aanvraag is terecht afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.

Eiseres bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat de tekst van artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb niet anders kan worden uitgelegd dan dat ongeacht het doel waarvoor de vreemdeling verblijf aanvraagt, vrijstelling wordt gegeven. Immers in de aanhef van artikel 3.71 Vb wordt verwezen naar artikel 17, eerste lid, sub g, Vw. Daarin wordt gesproken van een bij algemene maatregel aangewezen categorie. Het woord “categorie” duidt dus op de vreemdeling zelf en niet op het doel waarvoor verblijf wordt gevraagd. Bovendien is in andere onderdelen van artikel 3.71 Vb wel degelijk een koppeling gemaakt met het verblijfsdoel. Wat er ook zij van de toelichting op voornoemd artikel, eiseres meent dat voorrang gegeven dient te worden aan de tekst van het besluit. Subsidiair merkt eiseres op dat als artikel 3.71, tweede lid, sub a, Vb zo uitgelegd moet worden dat deze vrijstelling alleen opgaat voor vreemdelingen die om wedertoelating vragen, verweerder haar aanvraag (om voortgezet verblijf) had moeten honoreren met een beperking van wedertoelating. Dat zij nimmer Nederland heeft verlaten doet daar niet aan af; door in Nederland te blijven na afloop van de laatstelijk verleende vergunning heeft eiseres eens te meer aangetoond dat haar banden met Nederland sterker zijn dan die met Marokko. Het staat de Minister immers vrij om een vergunning te verlenen onder een andere beperking van de gevraagde.

Voorts is eiseres van mening dat haar situatie er bij uitstek een is die voor toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking komt. Zij heeft de eerste twee maanden van haar leven in Marokko doorgebracht. Haar directe familieleden wonen allen in Nederland. Eiseres heeft voldoende aangetoond dat terugzending zou getuigen van een onevenredige hardheid. Eiseres was al twintig jaar in Nederland toen het mvv-vereiste in december 1998 werd ingevoerd. Verweerder kan moeilijk stellen rauwelijks met haar aanwezigheid hier te lande te worden geconfronteerd. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van uw rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 april 2003 (AWB 01/49661). Bovendien meent eiseres dat verweerder bij de beoordeling van de toepassing van de hardheidsclausule mee moet wegen dat verweerder een beleid voert zoals zij ook in de bestreden beschikking ook zelf aanvoert in de discussie over de uitleg van artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb, aangaande de toelating van in Nederland geboren en getogen vreemdelingen. Deze vrijstelling is toch niet voor niets opgenomen.

Ingevolge artikel 13 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voor zover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid onder a, Vw is onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt een vergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 17, eerste lid, Vw is een aantal categorieën vreemdelingen genoemd waarvan de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, Vw wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld.

In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb is van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, Vw vrijgesteld de vreemdeling:

a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst; (…)

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet langer in geschil is dat eiseres de onderhavige aanvraag om verlenging van de aan haar verleende vergunning niet tijdig dan wel binnen een redelijke termijn na het verlopen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning, heeft ingediend. Evenmin is in geschil dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zodat de aanvraag dient te worden getoetst aan de voorwaarden voor eerste toelating.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan deze voorwaarden voldoet, nu zij geen geldige mvv heeft overgelegd en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste.

Met eiseres is de rechtbank echter van oordeel dat zij een geslaagd beroep kan doen op de vrijstellingsgrond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb. Eiseres heeft immers voor het bereiken van haar negentiende levensjaar gedurende tenminste vijf jaren rechtmatig verblijf in Nederland gehad en zij heeft nimmer haar hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst, hetgeen door verweerder ook niet wordt betwist. Naar de letterlijke tekst van dit artikel bestaat derhalve geen enkele twijfel dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van deze vrijstellingsgrond. Dat in de Nota van Toelichting bij artikel 3.71 Vb wordt opgemerkt dat de vreemdeling die aan deze voorwaarden voldoet “in aanmerking kan komen voor wedertoelating”, doet hieraan niet af. Uit de tekst van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb kan immers op geen enkele wijze worden afgeleid dat slechts vreemdelingen die een aanvraag om wedertoelating hebben ingediend voor deze vrijstellingsgrond in aanmerking komen. Eiseres voldoet derhalve aan de voorwaarden die de tekst van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb stelt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, zodat verweerder het ontbreken van een mvv niet aan eiseres had mogen tegenwerpen.

Het beroep is mitsdien gegrond. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, Vw juncto artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a, Vb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting (subsidiair) uitvoerig gemotiveerd waarom verweerder het beroep van eiseres op de hardheidsclausule ten onrechte heeft verworpen. Gelet echter op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van deze grieven.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 116,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 116,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, voorzitter, en mr. J. Ebbens en mr. drs. S.M. Borkent, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.