Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6228

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/8046
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / officier van Justitie / artikel 1F VSV.

Niet in geschil is dat eiser zich bij de uitoefening van zijn functie als officier van Justitie niet direct schuldig heeft gemaakt aan gedragingen ex artikel 1F, onder a en b, Vluchtelingenverdrag. De vraag is of eisers handelen het plegen van dergelijke misdrijven door de KhAD/WAD dan wel door het Revolutionair Openbaar Ministerie in wezenlijke mate heeft gefaciliteerd. Uit de stukken, waaronder het ambtsbericht van 15 juni 2000, kan niet worden afgeleid dat aannemelijk is dat eiser zelf dossiers heeft overgedragen aan de KhAD/WAD dan wel dat hij als officier van Justitie een zodanige positie had dat hij er voor verantwoordelijk kan worden gehouden dat anderen dossiers aan de KhAD/WAD overdroegen. Voor deze conclusie ontbreekt voldoende duidelijkheid over de positie en bevoegdheden van een officier van Justitie bij een Openbaar Ministerie in Afghanistan. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F, onder a en b, Vluchtelingenverdrag in wezenlijke mate heeft gefaciliteerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/8046

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1963,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9712.04.8060,

gemachtigde: mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht,

eiser;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. J.M. Kobus, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 5 december 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Bij beschikking van 16 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 30 januari 2002 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 26 november 2003 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Kobus.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 worden de aanvragen aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer:

Eiser, die behoort tot de Pashtun-bevolkingsgroep, heeft van 1982 tot 1987 in de Sovjetunie gestudeerd. Eiser is in 1987 afgestudeerd als jurist. Na zijn terugkeer in Afghanistan, in 1987, is eiser werkzaam geweest als officier van justitie bij het Militair Openbaar Ministerie in Herat. Eiser is diverse malen in rang bevorderd. Eiser heeft zich beziggehouden met het ondervragen van verdacht militair personeel en hij trad op als openbaar aanklager ter zitting van een militaire rechtbank.

Nadat de Mujahedien de macht hadden overgenomen in Herat, kon eiser zijn werkzaamheden als officier van justitie blijven verrichten. Eiser had, nadat de Mujahedien de macht hadden overgenomen, echter niet meer dezelfde bevoegdheden als voorheen en hij moest overleggen met een commandant van de Mujahedien.

Nadat de Taliban Herat in september 1995 veroverd hadden, is eiser door leden van de Taliban gearresteerd. Eiser is tot 1997 gedetineerd geweest in de gevangenis van Herat. In 1997 slaagde eisers schoonfamilie er in om eiser door middel van het betalen van steekpenningen vrij te krijgen. Eiser en zijn gezin zijn Afghanistan vervolgens ontvlucht.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser op grond van het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag is uitgesloten van vluchtelingschap. Verweerder baseert zich in dit verband mede op een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, van 15 juni 2000. Het handelen van eiser heeft er in wezenlijke mate toe bijgedragen dat de WAD oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid heeft gepleegd. Eiser moet weet hebben gehad van door de WAD en het Revolutionair Openbaar Ministerie gepleegde misdrijven ten aanzien van een verdachte van oppositionele activiteiten die door het Militair Openbaar Ministerie aan de WAD of het Revolutionair Openbaar Ministerie werd overgedragen. Het Militair Openbaar Ministerie was gedwongen de WAD van informatie te voorzien. Dat eiser niet persoonlijk betrokken zou zijn bij de informatieoverdracht aan de WAD wordt gezien de functie die eiser bekleedde en de daarbij behorende bevoegdheden niet geloofwaardig geacht en wordt gezien als een poging om zijn persoonlijke bijdrage aan de door WAD gepleegde misdrijven te bagatelliseren. Gelet op het bepaalde in artikel 3.107 Vb 2000 komt eiser tevens niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op andere gronden dan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Eiser was niet verantwoordelijk voor de doorzending van dossiers naar de WAD. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom aannemelijk wordt geacht dat eiser persoonlijk misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd.

4 Overwegingen

4.1 Eiser heeft in verschillende stadia van de procedure aanvullingen en wijzigingen naar voren gebracht op het verslag van nader gehoor. Eiser stelt daarin onder meer dat hij geen officier van justitie was, maar verhoormedewerker. De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat verweerder in redelijkheid de inhoud van het verslag van nader gehoor ten grondslag mocht leggen aan de beoordeling van eisers asielaanvraag en geen aanleiding behoefde te zien met de later naar voren gekomen wijzigingen rekening te houden.

4.2 Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag luidt als volgt:

De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:

(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

(c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Om aan te nemen dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op een vreemdeling van toepassing is, behoeft niet te worden bewezen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer gedragingen als bedoeld in dit artikel. Voldoende is dat sprake is van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Hiervoor is enerzijds vereist dat de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf als hiervoor bedoeld en anderzijds dat de vreemdeling hieraan op enige wijze persoonlijk heeft bijgedragen.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zich bij de uitoefening van zijn functie als officier van justitie niet direct schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eisers handelen het plegen van dergelijke misdrijven door de KhAD/WAD dan wel door het Revolutionair Openbaar Ministerie in wezenlijke mate heeft gefaciliteerd.

Het individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000 (DPC/AM, adm. nr. 680591) vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

Indien het Militair Openbaar Ministerie tijdens haar onderzoek op politiek-gevoelige zaken stuitte of aanwijzingen had dat bepaalde soldaten/officieren anti-regeringsgezinde opvattingen huldigden of staatsgevaarlijke activiteiten ondernamen, werden onmiddellijk de (militaire) KhAD/WAD en het Revolutionair Openbaar Ministerie ingeschakeld.

(……………………..)

Betrokkene moet ongetwijfeld weet hebben gehad van de mensenrechtenschendingen die de (militaire) KhAD/WAD of het Revolutionair Openbaar Ministerie begingen, nadat een verdachte wegens politieke redenen door het Militair Openbaar Ministerie aan de KhAD/WAD of het Revolutionair Openbaar Ministerie werd overgedragen. Uit hoofde van zijn functie zal betrokkene zich evenwel niet schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Binnen het Militair Openbaar Ministerie vonden normaal gesproken geen mensenrechtenschendingen plaats aangezien dit ministerie zich voornamelijk richtte op de disciplinaire en strafrechtelijke vervolging van binnen het leger werkzame personen.

Uit voornoemd ambtsbericht kan weliswaar worden afgeleid dat het voorkwam dat verdachten door het Militair Openbaar Ministerie werden overgedragen aan de KhAD/WAD dan wel aan het Revolutionair Openbaar Ministerie, maar uit dit ambtsbericht kan niet worden afgeleid op welke schaal dit gebeurde en wie voor de overdracht van verdachten aan deze instanties verantwoordelijk was. De enkele omstandigheid dat eiser werkzaam was als officier van justitie bij het Militair Openbaar Ministerie is gelet hierop onvoldoende om aan te mogen nemen dat eiser persoonlijk betrokken is geweest bij het overdragen van verdachten aan instanties waarvan hem bekend moet zijn geweest dat deze zich schuldig maakten aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), onder a en b van het Vluchtelingenverdrag.

Verweerder heeft evenwel op basis van de correcties en aanvullingen d.d. 25 juni 1999 op het rapport van aanvullend gehoor aangenomen dat eiser persoonlijk verantwoordelijk was voor het overdragen van (dossiers van) verdachten aan de KhAD/WAD. In voornoemde aanvullingen en correcties is, voor zover hier relevant, het volgende naar voren gebracht:

Het Militair Openbaar Ministerie vervolgde slechts militairen, die zich schuldig hadden gemaakt aan overtredingen en misdrijven. Zodra bij het Militair Openbaar Ministerie bekend was dat de verdachte betrokken was bij de oppositie dan wel geheime informatie aan de oppositie had doorgespeeld werd het dossier overgedragen aan de KhAD.

Hoewel uit deze passage kan worden afgeleid dat eiser bekend was dat (dossiers van) verdachten door het Militair Openbaar Ministerie werden overgedragen aan de KhAD/WAD, blijkt hieruit niet dat eiser daarbij persoonlijk betrokken is geweest. De bedoeling van voornoemde passage in de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor, van 25 juni 1999, lijkt ook niet zozeer te zijn geweest om eisers werkzaamheden voor het Militair Openbaar Ministerie te verduidelijken, maar veeleer om het verschil in taken en bevoegdheden tussen enerzijds het Militair Openbaar Ministerie en anderzijds de KhAD/WAD te benadrukken.

Uit de stukken in het dossier, waaronder het hiervoor genoemde ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000, kan niet worden afgeleid dat aannemelijk is dat eiser zelf dossiers heeft overgedragen aan de KhAD/WAD, dan wel dat hij als officier van justitie een zodanige positie had dat hij er voor verantwoordelijk kan worden gehouden dat anderen dossiers aan de KhAD/WAD overdroegen. Voor deze conclusie ontbreekt voldoende duidelijkheid over de positie en bevoegdheden van een officier van justitie bij een Openbaar Ministerie in Afghanistan. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag in wezenlijke mate heeft gefaciliteerd.

De bestreden beschikking is derhalve, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust, in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb, niet op een deugdelijke motivering.

4.3 Het beroep is, gelet op het vorenstaande, gegrond en de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

4.4 Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-, als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op de aanvraag dient te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,-, aan kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2004

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 28 januari 2004