Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6197

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
09-926093-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank 's-Gravenhage: ... poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling; verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar; veroordeelt verdachte te dier zake tot: gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-926093-03

rolnummer 0010

's-Gravenhage, 22 maart 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 maart 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr H. Sytema, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Meissen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 2 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

De officier van justitie heeft bij wijze van voorschot geconcludeerd tot toewijzing van de

vordering van de benadeelde partij [benadeel[slachtoffer].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 1.000,= subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] voornoemd.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair en 2 subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft, om een parkeerconflict te beslechten, het slachtoffer [benadeel[slachtoffer] tegen het hoofd geschopt, zijn voeten op de nek en het hoofd van het slachtoffer geplaatst en meermalen op het hoofd en de nek van het slachtoffer gesprongen. Door zijn handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door zijn handelen het slachtoffer van het leven zou beroven. Het is niet aan verdachte te danken dat het letsel van het slachtoffer beperkt is gebleven. De feiten hebben plaatsgevonden op de openbare weg, waarneembaar voor anderen en veroorzaken angst en gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag d.d. 29 januari 2004 betreffende verdachte. De reclassering is onder meer van oordeel dat sommige vaardigheden van verdachte om agressie te voorkomen, verkeerd of niet zijn toegepast. De reclassering adviseert om een vast reclasseringstoezicht op te leggen zodat verdachte kan werken om anders te reageren op uitdagend agressief gedrag. Daarnaast kan verdachte ondersteund worden door gesprekken bij het inhoud geven aan zijn werkloze bestaan. Daarnaast adviseert de reclassering om een werkstraf op te leggen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van J.M. Schrijer, psycholoog te Zoetermeer, d.d. 18 februari 2004. De psychiater adviseert eveneens om een verplicht reclasseringscontact op te leggen in combinatie met een (deels) voorwaardelijke straf.

Ter terechtzitting bagatelliseert verdachte de feiten die hij heeft gepleegd en benadrukt hij dat het slachtoffer medeschuld heeft aan het gebeurde. De rechtbank zal er rekening mee houden dat verdachte enigszins door het slachtoffer is geprovoceerd, maar overweegt dat dit de buitensporige reactie van verdachte niet rechtvaardigt en hoopt dat verdachte dit zal leren inzien.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeel[slachtoffer], wonende te 2235 EL Valkenburg, Chrysantenlaan 33, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ? 1.000,=.

Deze vordering is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die gedeeltelijk eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering (ten aanzien van de gebroken rib) en zal deze vordering bij wijze van voorschot deels toewijzen tot een bedrag groot ? 250,=.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering ten aanzien van dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ? 250,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeel[slachtoffer].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45, 56, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 2 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1 primair en feit 2 subsidiair:

de voortgezette handeling van

poging tot doodslag

en

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :2 december 2004,

in voorlopige hechtenis gesteld op :4 december 2004,

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (TWEEHONDERD EN VEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (ÉÉNHONDERD EN TWINTIG) DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeel[slachtoffer], wonende te 2235 EL Valkenburg, Chrysantenlaan 33, een bedrag van ? 250,=, als voorschot op een schadevergoeding, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

? 250,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] voornoemd;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Bosma en Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 maart 2004.